ECLI:NL:RBDHA:2026:18905

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
AWB 25/802
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf te laat ingediend

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af te wijzen. Dit bezwaar is echter te laat ingediend. De minister heeft het bezwaar daarom ongegrond verklaard wegens termijnoverschrijding.

De rechtbank beoordeelt of de termijnoverschrijding verschoonbaar is vanwege bijzondere persoonlijke omstandigheden. Eiser en referente voerden aan dat de reis van referente naar de Dominicaanse Republiek, haar ziekte en de drukte na terugkeer een tijdige indiening onmogelijk maakten. De rechtbank oordeelt dat deze omstandigheden geen verontschuldiging vormen. Er was voldoende tijd om tijdig bezwaar te maken, en er is geen bewijs dat zij geheel niet in staat waren om dit te doen.

De rechtbank concludeert dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is en verklaart het beroep ongegrond. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaar te laat is ingediend zonder verschoonbare omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/802

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: [referente] ),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister van 17 december 2024.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Met het besluit van 21 mei 2024 heeft de minister (voorheen de staatssecretaris) de aanvraag ten behoeve van eiser om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referente] ’, (hierna: referente) afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
3. De minister heeft met het besluit van17 december 2024 het bezwaar ongegrond verklaard omdat het zonder goede reden te laat is ingediend.
4. Niet ter discussie staat dat het bezwaar te laat is ingediend. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [1]
5. De termijnoverschrijding is volgens vaste rechtspraak verschoonbaar wanneer deze de indiener vanwege bijzondere persoonlijke omstandigheden niet kan worden toegerekend, en het bezwaarschrift is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Bij bijzondere omstandigheden kan het gaan om persoonlijke omstandigheden (bijvoorbeeld psychisch onvermogen, ernstige ziekte, ongeval van de indiener, ziekte of overlijden van iemands naasten) of externe omstandigheden. Bij de beoordeling van een beroep op bijzondere omstandigheden die de betrokkene betreffen, wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd. Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval in hun samenhang worden bezien. Als er bijzondere omstandigheden zijn, moet de betrokkene minder snel worden tegengeworpen dat deze zaken had kunnen organiseren om termijnoverschrijding te voorkomen. [2]
6. Eiser heeft voor het te laat indienen van het bezwaarschrift de volgende redenen gegeven. Op het moment dat eiser en referente het besluit van 21 mei 2024 ontvingen waarbij de aanvraag om een mvv werd afgewezen, waren zij wanhopig. Referente is vervolgens op 2 juni 2024 naar de Dominicaanse Republiek gegaan om daar te trouwen. Referente werd ziek en heeft onderzoeken laten doen. Op 16 juni 2024 ging referente terug naar Nederland en na haar thuiskomst moest zij naar een dokter, een hoop dingen regelen en werken. Dit werd haar te veel. Daarom is het bezwaarschrift pas op 21 juni 2024 verstuurd.
7. De rechtbank vindt de redenen die eiser noemt geen verontschuldiging voor het te laat indienen van het bezwaarschrift. Het is de verantwoordelijkheid van eiser (en referente) om tijdig bezwaar in te dienen of, indien zij daar zelf niet toe in staat zijn, dat voor hen te laten doen. De reis naar de Dominicaanse Republiek, de gezondheidsproblemen van referente en de drukte die zij ervoer bij terugkeer naar Nederland zijn geen verontschuldiging voor het te laat indienen van het bezwaar. De rechtbank begrijpt dat het een roerige tijd is geweest voor eiser en referente, maar niet is gebleken dat zij in die periode helemaal niet in staat waren om bezwaar te maken. Referente ging pas op 2 juni 2024 naar de Dominicaanse Republiek en kwam op 16 juni 2024 weer terug in Nederland. Ze had dus voldoende tijd om daarvoor of daarna bezwaar te maken, zo nodig op nader aan te voeren gronden. Evenmin is gebleken dat referente door haar gezondheidsproblemen niet in staat was bezwaar te maken. Dat zij op 19 juli 2024 een afspraak had in het ziekenhuis, is daarvoor in elk geval onvoldoende. Ook hadden eiser en/of referente iemand kunnen vragen om tijdig namens hen (pro-forma) bezwaar te maken.
8. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van zodanige bijzondere persoonlijke omstandigheden dat van eiser en/of referente niet kon worden verlangd om tijdig bezwaar te maken. De rechtbank acht de termijnoverschrijding dus niet verschoonbaar.

Conclusie en gevolgen

9. Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.
2.Zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 31 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 april 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1406).