ECLI:NL:RBDHA:2026:18765
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Duitsland
Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, diende op 2 maart 2026 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland reeds verantwoordelijk was voor de behandeling van zijn asielaanvraag op grond van de Dublinverordening.
Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is op Duitsland vanwege onvoldoende effectieve bescherming, discriminatie en psychische klachten. Hij stelde dat Nederland de aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich had moeten trekken.
De rechtbank oordeelde dat er geen sprake is van structurele tekortkomingen in het Duitse asiel- en opvangsysteem en dat eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak dit bevestigen. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de situatie in Duitsland fundamenteel is gewijzigd of dat hij individuele problemen zodanig onderbouwde dat Nederland de aanvraag aan zich had moeten trekken.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde dat de asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen. Tevens werd het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de asielzoeker wordt overgedragen aan Duitsland.