ECLI:NL:RBDHA:2026:18759

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
NL25.55994 V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbVerordening (EU) Nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen kennelijk ongegrond verklaard beroep Dublinoverdracht Kroatië afgewezen

Opposant, een Syrische asielzoeker, diende op 3 augustus 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk was volgens de Dublinverordening. De rechtbank verklaarde het beroep van opposant op 23 maart 2026 kennelijk ongegrond, waarbij werd aangenomen dat Kroatië adequaat is in opvang en procedure en dat er geen bijzondere individuele omstandigheden waren die overdracht zouden verhinderen.

Opposant maakte bezwaar tegen deze uitspraak en stelde dat medische omstandigheden en een lopende behandeling in Nederland een overdracht onverantwoord maken. Ter onderbouwing overlegde hij een afspraakbevestiging van de POH-GGZ en verwees naar eerdere jurisprudentie waarin medische omstandigheden tot gegrondverklaring leidden.

De rechtbank oordeelde dat de verzetsprocedure geen inhoudelijke herbeoordeling is, maar slechts toetst of het beroep terecht kennelijk ongegrond is verklaard. De medische stukken boden onvoldoende bewijs van een reëel en onomkeerbaar risico bij overdracht. Opposant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat Kroatië geen passende behandeling kan bieden.

Daarom bleef de uitspraak van 23 maart 2026 in stand en werd het verzet ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzet tegen de kennelijk ongegrond verklaarde asielprocedure wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende medische onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.55994 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[opposant] , opposant,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D.S. Harhangi-Asarfi),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.M. Sánchez Rhemrev).

Procesverloop

In de uitspraak van 23 maart 2026 [1] heeft de rechtbank het beroep van opposant kennelijk ongegrond verklaard met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. [2] Dit betekent dat er geen zitting heeft plaatsgevonden.
Opposant heeft verzet gedaan tegen deze uitspraak.
De rechtbank heeft het verzet op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verschenen is de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1. Opposant stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1989 en de Syrische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 3 augustus 2025 asiel aangevraagd in Nederland. In het besluit van 13 november 2025 heeft verweerder deze asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is zoals bedoeld in de Dublinverordening. [3]
2. In de uitspraak van 23 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door opposant ingestelde beroep kennelijk ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat ten aanzien van Kroatië mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat opposant niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in Kroatië sprake is van systematische tekortkomingen in de opvangvoorzieningen of in de asielprocedure. Opposant zal terugkeren als Dublinclaimant en is er niet in geslaagd om te onderbouwen dat bij een gereguleerde overdracht een risico bestaat om in eenzelfde situatie terecht te komen als hij eerder in Kroatië heeft ondervonden. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden wegens psychische klachten op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Kroatië.
3. Opposant is het niet eens met deze uitspraak. De rechtbank heeft het beroep ten onrechte kennelijk ongegrond geacht nu sprake is van medische omstandigheden en een lopende behandeling. Opposant verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 25 september 2025 [4] waarin een medische onderbouwing de gegrondverklaring van het verzet rechtvaardigde. In verzet heeft opposant ter onderbouwing van zijn medische omstandigheden een afspraakbevestiging van de POH GGZ [5] overgelegd. Verweerder moet een onderzoek verrichten vanwege de in verzet overgelegde stukken, opposant beroept zich hierbij op het arrest C.K. [6] Uit het psychiatrisch rapport blijkt dat terugkeer naar Kroatië medisch niet verantwoord is, ook is behandeling in Nederland noodzakelijk. Tot slot zijn de medische omstandigheden van opposant aan te merken als bijzondere individuele omstandigheden met de aanwezigheid van stukken die de psychische klachten documenteren die bij overdracht verergeren. Opposant verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 27 februari 2025. [7] De overdracht van opposant aan Kroatië getuigt dan ook van onevenredige hardheid. Het eerdere oordeel van de rechtbank kan met deze onderbouwing niet in stand blijven.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De verzetsprocedure is geen hernieuwde inhoudelijk behandeling van het beroep. In een verzetsprocedure kan uitsluitend worden beoordeeld of de bestuursrechter terecht tot toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb is overgegaan. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in deze procedure beperkt is tot de vraag of buiten redelijke twijfel staat dat het beroep ongegrond is, en dat uitspraak op het beroep van opposant kon worden gedaan zonder hem op een zitting te horen. Als er in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in het geval van een normale behandeling ook hadden kunnen worden aangevoerd, dient te worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst.
5. Hetgeen opposant in verzet naar voren heeft gebracht biedt geen grond voor twijfel aan dit oordeel. Opposant heeft in verzet niet alsnog aannemelijk gemaakt dat een overdracht aan Kroatië niet mogelijk is door zijn medische omstandigheden of van onevenredige hardheid getuigt. Uit het arrest C.K. volgt dat het aan opposant is om met medische stukken aan te tonen dat zijn overdracht een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie inhoudt. Het is dus aan opposant om met objectieve gegevens de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvan wegens een overdracht aan te tonen. Indien opposant deze gegevens heeft overgelegd, dient verweerder het risico op een dergelijke verslechtering van de gezondheidstoestand te laten onderzoeken door het BMA. Uit de overgelegde medische documenten volgt dat opposant een afspraak heeft gehad op 9 april 2026 bij de POH-GGZ. Dit vormt onvoldoende onderbouwing van de gestelde medische problemen van opposant. Opposant heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat een overdracht zal leiden tot een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie. Daarnaast kan in een enkele afspraakbevestiging niet gelezen worden dat er aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat Nederland het meest aangewezen land is om opposant te behandelen. Opposant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Kroatië niet passend kan worden behandeld.
6. Het verzet is ongegrond. De uitspraak van 23 maart 2026 blijft in stand.
7. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 8 juli 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde
publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Verordening (EU) Nr. 604/2013.
5.Praktijkondersteuner huisartsen voor geestelijke gezondheidszorg.
6.HvJEU 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127, in de zaak C.K. tegen Slovenië.