ECLI:NL:RBDHA:2026:18753
Rechtbank Den Haag
- Vereenvoudigde behandeling
- L.J. van der Veen
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen uitspraak over beslistermijn in vreemdelingenzaak ongegrond verklaard
Deze uitspraak betreft het verzet van opposante tegen de uitspraak van de rechtbank van 18 februari 2026, waarin het beroep van opposante tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond werd verklaard en een beslistermijn van acht weken werd vastgesteld.
De rechtbank heeft het verzet op 4 juni 2026 behandeld, waarbij opposante en haar gemachtigde niet aanwezig waren. De rechtbank beoordeelt uitsluitend of de eerdere uitspraak terecht is gedaan en of de beslistermijn van acht weken buiten redelijke twijfel juist is vastgesteld.
Opposante stelde dat de termijn van acht weken te ruim was, omdat eerder een termijn van twee weken was opgelegd. De rechtbank oordeelt echter dat het verzet ongegrond is, omdat de verzetsmogelijkheid beperkt is tot het toetsen van de kennelijkheid van de eerdere uitspraak en niet tot een volledige herbeoordeling.
De rechtbank bevestigt dat de beslistermijn van acht weken passend is, mede gelet op het Arnhemse sporenmodel dat als redelijk uitgangspunt geldt. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzet tegen de uitspraak over de beslistermijn is ongegrond verklaard en de termijn van acht weken blijft van kracht.