ECLI:NL:RBDHA:2026:1874

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
NL25.62847
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 50 VwArt. 5.1b Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 18 december 2025 waarbij hem een maatregel van bewaring is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij betoogt onder meer dat verweerder zijn inspanningsverplichting heeft geschonden door geen uitzettingshandelingen te verrichten tijdens zijn strafrechtelijke detentie en dat de ophouding op een onjuiste grondslag heeft plaatsgevonden.

De rechtbank oordeelt dat van een inspanningsverplichting geen sprake is omdat eiser in bewaring is gesteld en geen uitzetting plaatsvindt. Ook is de ophouding terecht geschied op grond van artikel 50, tweede lid, Vw, omdat eiser ten tijde van ophouding niet beschikte over een identificerend document. De zware en lichte gronden voor bewaring, waaronder het onttrekkingsrisico, zijn voldoende onderbouwd en niet betwist, zodat de maatregel van bewaring gerechtvaardigd is.

Eiser stelt dat een lichter middel had moeten worden toegepast vanwege zijn eerste asielaanvraag en het gezinsleven, maar de rechtbank vindt dat de belangenafweging en de omstandigheden van het onttrekkingsrisico dit niet rechtvaardigen. De ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel leidt eveneens tot het oordeel dat de bewaring niet onrechtmatig is.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62847

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. D.P.J. Grommen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 31 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. A. Kurt-Gecoglu, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J. Singh. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inspanningsverplichting
1. Eiser betoogt dat verweerder zijn inspanningsverplichting heeft geschonden. Verweerder heeft namelijk nagelaten om uitzettingshandelingen te verrichten tijdens de maand waarin eiser in strafrechtelijke detentie verbleef.
2. In paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) staat dat voorkomen moet worden dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring worden gesteld. Hieruit volgt dat verweerder zich, in beginsel, gedurende de strafrechtelijke detentie van een vreemdeling moet inspannen om een vreemdeling aansluitend aan het einde van zijn detentie uit te zetten. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke inspanningsverplichting in het onderhavige geval geen sprake is, aangezien eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw in bewaring is gesteld en van uitzetting dan ook geen sprake is. De beroepsgrond slaagt niet.
Ophouding
3. Eiser betoogt dat de ophouding heeft plaatsgevonden op een onjuiste grondslag. Zijn identiteit en nationaliteit waren namelijk al bekend, aangezien eiser is overgenomen vanuit het strafrecht en Nederland is binnengekomen met een door de Hongaarse autoriteiten afgegeven Schengenvisum. Eiser had dan ook niet op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw mogen worden opgehouden, maar op grond van het derde lid van dat artikel.
4. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser op de juiste grondslag opgehouden. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zoals de uitspraak van 25 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:134), volgt dat verweerder de in het kader van de strafrechtelijke aanhouding verkregen gegevens over de identiteit van de vreemdeling als uitgangspunt mag nemen, maar daartoe niet verplicht is. Vaststaat dat eiser ten tijde van zijn ophouding niet beschikte over een identificerend document. Dat eiser beschikte over een visum, dat bovendien was verlopen, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat zijn identiteit en nationaliteit als vaststaand beschouwd moeten worden. Gelet hierop kon zijn identiteit op het moment van ophouding niet worden vastgesteld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder eiser terecht op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw heeft opgehouden. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. Eiser betwist de zware grond 3a. Ten aanzien hiervan voert eiser aan dat hij Nederland wel op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, aangezien hij ten tijde van zijn inreis in het bezit was van een paspoort en een door de Hongaarse autoriteiten afgegeven Schengenvisum.
7. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware grond 3b en de lichte gronden 4a, 4c en 4d en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. Deze gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarmee is ook gegeven dat de maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag, zoals bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4011). De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
8. Eiser betoogt dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan. Daartoe voert eiser aan dat verweerder geen rekening heeft gehouden met het feit dat de asielaanvraag van 18 december 2025 eisers eerste asielaanvraag is. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met het gezinsleven van eiser en de beperkingen die zijn verblijf in het detentiecentrum daarop heeft. Zo is videobellen niet mogelijk en kan eiser slechts twintig minuten per week bellen met zijn echtgenote en twee jonge kinderen in Ghana.
9. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Verweerder verwijst daarbij terecht naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt, en meer specifiek het feit dat eiser in het bezit was van andermans (Duitse) identiteitskaart. De enkele verklaring van eiser dat hij deze op straat zou hebben gevonden, doet daaraan niet af. De omstandigheden dat eiser niet eerder asiel heeft aangevraagd en slechts twintig minuten per week kan bellen met zijn gezin in Ghana, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de maatregel onevenredig bezwarend is en dat verweerder daarom met een lichter middel had moeten volstaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
10. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858) gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.