ECLI:NL:RBDHA:2026:18502
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië op grond van Dublinverordening
Eiser, van Iraanse nationaliteit, diende op 29 december 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Uit Eurodac-gegevens bleek dat hij op 18 december 2025 al een verzoek tot internationale bescherming in Kroatië had ingediend. Nederland verzocht Kroatië om terugname, welke werd aanvaard. Verweerder nam de asielaanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat Kroatië verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening.
Eiser voerde aan dat het besluit onzorgvuldig was omdat verweerder volstond met een standaard voornemen, dat er sprake zou zijn van indirect refoulement vanwege verschillen in beschermingsbeleid tussen Nederland en Kroatië, en dat zijn medische situatie onvoldoende was onderzocht. De rechtbank oordeelde dat het gebruik van standaardoverwegingen niet onzorgvuldig was, het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt waardoor Kroatië geacht wordt zijn verplichtingen na te komen, en dat eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat er een reëel risico op indirect refoulement bestaat.
Ten aanzien van de medische situatie concludeerde de rechtbank dat eiser geen ernstige mentale of lichamelijke aandoening heeft die bij overdracht aanzienlijk en onomkeerbaar zal verslechteren. Verweerder heeft de medische situatie uitvoerig betrokken en was niet gehouden een medisch onderzoek door het Bureau Medische Advisering te laten verrichten. De rechtbank volgde eiser niet in zijn verzoek om de beoordeling uit te stellen in afwachting van prejudiciële vragen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.