ECLI:NL:RBDHA:2026:18502

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
NL26.18846
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 18 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië op grond van Dublinverordening

Eiser, van Iraanse nationaliteit, diende op 29 december 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Uit Eurodac-gegevens bleek dat hij op 18 december 2025 al een verzoek tot internationale bescherming in Kroatië had ingediend. Nederland verzocht Kroatië om terugname, welke werd aanvaard. Verweerder nam de asielaanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat Kroatië verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening.

Eiser voerde aan dat het besluit onzorgvuldig was omdat verweerder volstond met een standaard voornemen, dat er sprake zou zijn van indirect refoulement vanwege verschillen in beschermingsbeleid tussen Nederland en Kroatië, en dat zijn medische situatie onvoldoende was onderzocht. De rechtbank oordeelde dat het gebruik van standaardoverwegingen niet onzorgvuldig was, het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt waardoor Kroatië geacht wordt zijn verplichtingen na te komen, en dat eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat er een reëel risico op indirect refoulement bestaat.

Ten aanzien van de medische situatie concludeerde de rechtbank dat eiser geen ernstige mentale of lichamelijke aandoening heeft die bij overdracht aanzienlijk en onomkeerbaar zal verslechteren. Verweerder heeft de medische situatie uitvoerig betrokken en was niet gehouden een medisch onderzoek door het Bureau Medische Advisering te laten verrichten. De rechtbank volgde eiser niet in zijn verzoek om de beoordeling uit te stellen in afwachting van prejudiciële vragen.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18846

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Gavami),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Rijerkerk).

Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.18847) buiten zitting behandeld.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Als tolk is verschenen mevrouw L. Meshin. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Iraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] . Eiser heeft op 29 december 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
1.1.
Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 18 december 2025 in Kroatië een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Op 8 januari 2026 heeft Nederland aan Kroatië verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Kroatië heeft dit terugnameverzoek op 19 januari 2026 op die grondslag aanvaard.
Totstandkoming van het besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het Europees verdrag voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beoordeling van de beroepsgronden door de rechtbank
Volstaan met een standaard voornemen
3. Eiser stelt dat verweerder volstaat met een standaard voornemen waarin hij niet de specifieke situatie van eiser betrekt die zou moeten nopen tot de behandeling van de asielaanvraag.
3.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid doordat verweerder in het voornemen gebruik heeft gemaakt van ‘standaardoverwegingen’. Verweerder heeft in het voornemen alle dragende standpunten voor de vaststelling van Kroatië als de verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van eisers asielaanvraag opgenomen en heeft daarbij betrokken wat eiser tijdens het aanmeldgehoor heeft verklaard. Dat een en ander in het voornemen wat meer algemeen en standaardmatig en niet heel expliciet is opgeschreven, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het besluitvormingsproces onzorgvuldig is geweest. Op grond van wat er in het voornemen staat, moet het voor eiser – die bekend is met zijn eigen verklaringen tijdens het Dublingehoor – voldoende duidelijk zijn geworden dat en waarom verweerder voornemens was zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Verweerder heeft bovendien in het uiteindelijk besluit een en ander meer geconcretiseerd. De rechtbank wijst in dit verband op de richtinggevende uitspraak van de Afdeling van 23 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4348 (r.o. 2.1), waarnaar de Afdeling nadien herhaaldelijk heeft verwezen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 5 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3158.
3.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Indirect refoulement
4. Eiser stelt dat hij uit Iran komt en wijst erop dat verweerder onlangs beleid bekend heeft gemaakt inhoudende dat er een besluitmoratorium wordt ingesteld voor Iraanse zaken als gevolg van de oorlog in Iran. Verweerder dient zich ervan te vergewissen of Kroatië een vergelijkbaar beleid voert. Als deze vraag ontkennend wordt beantwoord, is er sprake van indirect refoulement.
4.1.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, in navolging van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, geoordeeld dat binnen de kaders van een Dublinprocedure geen ruimte is voor het toetsen van het risico op indirect refoulement als gevolg van het (verschil in) beschermingsbeleid dat geldt in de lidstaat waarnaar de vreemdeling wordt overgedragen. Ook materiële meningsverschillen tussen lidstaten over de vraag wanneer een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming, zijn niet relevant bij de toetsing van een overdrachtsbesluit. Voor zover eiser vreest voor (indirect) refoulement door het verschil in beschermingsbeleid in Kroatië, moet hij dat risico daar zelf melden en aantonen dat dat door systeemfouten niet mogelijk is. Dit is anders wanneer niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Nu het interstatelijk vertrouwensbeginsel in onderhavige zaak niet in geschil is, mag verweerder ervan uitgaan dat Kroatië zijn internationale verplichtingen jegens eiser zal nakomen (zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5635). Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een evident en fundamenteel verschil in beschermingsbeleid tussen Nederland en Kroatië voor Iraniërs.
4.2.
Bovendien hebben de Kroatische autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat eisers asielaanvraag in behandeling wordt genomen met inachtneming van de internationale verplichtingen. In dat kader zijn de Kroatische autoriteiten gebonden aan de verplichting om eiser niet uit te zetten als dat strijdig zou zijn met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. Mocht eiser zich na overdracht aan Kroatië, onverhoopt, geconfronteerd zien met problemen, dient hij zich hierover te beklagen bij de Kroatische autoriteiten (vgl. het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308, in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk). Eiser heeft niet met landeninformatie of aan de hand van eigen ervaringen aannemelijk gemaakt dat dit in Kroatië voor Dublinclaimanten niet kan of zinloos is.
4.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Medische situatie en onderzoek
5. Eiser stelt dat verweerder vrijwel geen aandacht heeft besteed aan de medische situatie van eiser en niet heeft onderzocht of eiser kan worden overgedragen. De medische situatie van eiser – waaronder het hebben van suïcidale gedachten – had voor verweerder voldoende aanleiding moeten bieden om in ieder geval een medisch onderzoek op te starten. Eiser is, vanwege de verplaatsing en de korte duur van de procedure, niet in staat geweest om zich in Nederland te laten behandelen. Een verwijzing van verweerder naar eisers verantwoordelijkheid is in dit geval dus onvoldoende nu het voor eiser onmogelijk is geweest om zich onder behandeling te stellen. Eiser verwijst in het kader van de toetsing van zijn medische situatie naar de prejudiciële vragen die zittingsplaats Roermond op 22 oktober 2025 heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU), ECLI:NL:RBDHA:2025:19325. Eiser is van mening dat de toetsing van de medische situatie in afwachting van het antwoord van het HvJEU nog niet volledig kan zijn.
5.1.
Voor zover eiser een beroep doet op het arrest C.K. van het Hof van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127, overweegt de rechtbank dat uit de stukken niet blijkt dat eiser kampt met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening die bij een overdracht aan Kroatië aanzienlijk en onomkeerbaar zal verslechteren (de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1566). Het overgelegde GZA-rapport bevat geen datum en geen handtekening. Verder volgt hieruit dat eiser hulp heeft gezocht en met welke klachten hij kampt. Hij is verwezen naar traumabehandeling en tijdens de wachttijd voor deze behandeling krijgt hij begeleiding (bestaande uit eerste-staps-interventies). Daarnaast heeft hij medicatie gekregen. In het rapport staat ook dat de GGZ-instelling waar eiser naar is verwezen een wachttijd heeft van 8 maanden. De nodige diagnostiek zal daar verricht worden alsmede de vaststelling van een passende behandeling. Uit het voorgaande volgt dat eiser nog niet is gediagnostiseerd en dat hij nog niet onder actieve behandeling staat. Daarnaast blijkt uit het bestreden besluit (zie pagina’s 5 en 6) dat verweerder de medische situatie van eiser uitvoerig heeft betrokken bij de besluitvorming. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn stelling dat verweerder hier onvoldoende aandacht aan heeft besteed.
5.2.
Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder een medisch onderzoek had moeten laten verrichten, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals hiervoor is vastgesteld, mocht verweerder uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Dat betekent dat ervan mag worden uitgegaan dat Kroatië zijn internationale verplichtingen nakomt en dat eiser zich bij eventuele medische problemen tot de bevoegde Kroatische autoriteiten of instanties kan wenden. Het Hof heeft in het arrest C.K. (punt 79) bovendien verwezen naar rechtspraak van het EHRM waaruit volgt dat de omstandigheid dat een persoon van wie de verwijdering is gelast, dreigt met zelfdoding, de verdragsluitende staat niet dwingt om van de uitvoering van de voorgenomen maatregel af te zien, indien hij concrete maatregelen treft om te voorkomen dat het dreigement wordt uitgevoerd. De beoordeling of dergelijke maatregelen noodzakelijk zijn, behoort in beginsel tot de taak van het Bureau Medische Advisering (BMA). Verweerder hanteert de werkinstructie (WI) 2021/3 bij de vraag wanneer het BMA om advies wordt gevraagd in de Dublinprocedure. Op grond daarvan wordt het BMA om advies gevraagd indien een vreemdeling zich (impliciet of expliciet) beroept op het arrest C.K., sprake is van een ernstige mentale of lichamelijke aandoening en met objectieve medische gegevens wordt aangetoond dat hij onder actieve behandeling staat van een behandelaar of specialist. Tevens moet uit die gegevens blijken dat de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een zodanig ernstige invloed heeft op zijn mentale of fysieke toestand dat er sprake is van een reëel en onderbouwd risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand. Er zal geen BMA-onderzoek worden opgestart als de vreemdeling niet onder actieve behandeling staat van een medisch specialist. Enkel een uittreksel van bijvoorbeeld het GZA of een bewijs van een toekomstige afspraak bij een medisch specialist is onvoldoende, aldus WI 2021/3. In het geval er suïcidale uitingen zijn gedaan, dienen er volgens WI 2021/3 objectieve medische stukken van een behandelaar te worden overgelegd, die aantonen dat de behandelaar het risico dat een vreemdeling suïcide zal plegen als gevolg van de overdracht als reëel inschat (zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4303). Wanneer er door de behandelaar niet wordt gesproken over een reëel of verhoogd suïciderisico zal er geen BMA-onderzoek worden opgestart. In de onderhavige zaak is niet gebleken dat een medisch deskundige het risico op suïcide als gevolg van de overdracht als reëel of verhoogd heeft aangemerkt. Verweerder was daarom niet gehouden het BMA om advies te vragen. Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat Kroatië beschikt over vergelijkbare medische voorzieningen als Nederland, zodat ervan mag worden uitgegaan dat eiser daar de benodigde zorg kan ontvangen.
5.3.
De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn betoog dat de beoordeling van zijn medische situatie niet volledig kan plaatsvinden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen van zittingsplaats Roermond van 22 oktober 2025. In de zaak waarin de prejudiciële vragen zijn gesteld is medisch vastgesteld dat het suïciderisico mede samenhing met de mogelijke overdracht aan Kroatië. Een dergelijke medische onderbouwing ontbreekt in onderhavige zaak. Reeds daarom is geen sprake van vergelijkbare gevallen en bestaat geen aanleiding de uitkomst van de prejudiciële procedure af te wachten.
5.4.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gezien het voorgaande ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Op den Kamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.