ECLI:NL:RBDHA:2026:18497

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
NL25.37616
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • F.P. Heijne
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 32 VisumcodeArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende binding met Iran

Eiseres heeft een visum voor kort verblijf aangevraagd om haar zus in Nederland te bezoeken, maar de aanvraag werd afgewezen vanwege onvoldoende economische en sociale binding met Iran en twijfel over tijdige terugkeer.

De rechtbank oordeelt dat verweerder de afwijzing terecht heeft gedaan, omdat het inkomen van eiseres laag is en onvoldoende onderbouwd, en de sociale binding niet sterk genoeg is door de aanwezigheid van een achterblijvende ouder en andere familieleden die zorg kunnen bieden.

Hoewel eiseres ten onrechte niet is gehoord in bezwaar, leidt dit niet tot schending van haar belangen omdat zij in beroep aanvullende stukken heeft ingediend die de uitkomst niet veranderen.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres.

De rechtbank benadrukt dat de ruime beoordelingsmarge van verweerder en het ontbreken van een recht op visum in artikel 8 EVRM Pro de afwijzing rechtvaardigen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.37616

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Taheri),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Kana).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de visumaanvraag van eiseres voor kort verblijf bij haar zus in Nederland. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Eiseres voert onder meer aan dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand is gekomen mede omdat eiseres in bezwaar niet is gehoord. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de visumaanvraag heeft kunnen afwijzen, omdat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er voldoende economische en sociale binding is met het land van herkomst (Iran). Wel oordeelt de rechtbank dat eiseres ten onrechte niet is gehoord. Dat gebrek wordt gepasseerd, omdat eiseres daardoor niet in haar belangen is geschaad. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf bij haar zus (referente) in Nederland. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 2 december 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [naam 2] (referente), L. Neshin als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Iraanse nationaliteit. Zij heeft een visum voor kort verblijf in Nederland aangevraagd voor familiebezoek. Eiseres wenst haar zus (referente), zwager en (pasgeboren) nichtje te bezoeken. Haar zus en zwager hebben een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
3.1.
Verweerder heeft het visum geweigerd omdat – gelet op de algemene situatie in Iran (maatschappelijke onrust en inflatie) – niet kan worden uitgesloten dat eiseres na aankomst in Nederland niet tijdig zal terugkeren naar Iran zodat wordt getwijfeld aan het reisdoel. Daarbij geeft verweerder aan dat de economische en sociale binding met Iran onvoldoende is aangetoond dan wel zeer gering is gebleken. In de toelichting op de afwijzing wijst verweerder op de nareisasiel-mogelijkheid waardoor het feit dat familieleden achterblijven in Iran geen 100% zekerheid geeft dat tijdige terugkeer is gewaarborgd. Verder heeft eiseres niet aangetoond te beschikken over voldoende middelen voor duur van het verblijf en de terugreis zodat de aanvraag ook op die grond wordt afgewezen.
3.2.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing. Zij heeft daarbij een aantal nieuwe documenten toegestuurd over haar inkomenspositie en over haar drie minderjarige kinderen en haar moeder, die tijdens haar verblijf in Nederland zullen achterblijven in Iran en van haar zorg afhankelijk zijn. Hieruit volgt – aldus eiseres – dat geen twijfel bestaat dat eiseres tijdig zal terugkeren. Verder heeft eiseres voor de onderbouwing van het middelenvereiste een garantstelling meegestuurd.
3.3.
Verweerder heeft het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard en vastgehouden aan de afwijzing van de visumaanvraag. Verweerder licht in het bestreden besluit toe waarom de ingebrachte stukken niet leiden tot een andere beoordeling van de sociale en economische binding van eiseres met Iran. Verder geeft verweerder aan dat de garantstelling niet voldoet omdat de garantsteller niet heeft aangekruist daadwerkelijk garant te staan voor eiseres. Daarmee wordt ook nog steeds niet voldaan aan het middelenvereiste.
Toetsingskader
4. Voor een kort verblijf in Nederland van maximaal 90 dagen is voor een vreemdeling afkomstig uit Iran een visum nodig. Een visum wordt onder meer geweigerd als de vreemdeling het reisdoel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond of niet heeft aangetoond te beschikken over voldoende middelen van bestaan. [1] Een visum wordt ook geweigerd als er redelijke twijfel bestaat over onder meer het voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. [2] Als één van voornoemde gronden zich voordoet, is dat voldoende om het visum te weigeren. Daarbij heeft verweerder een ruime beoordelingsmarge en kan de rechtbank het bestreden besluit slechts terughoudend toetsen. [3]
4.1.
Voor zover het visum wordt geweigerd omdat er redelijke twijfel bestaat over het tijdig verlaten van Nederland, moet worden gekeken naar de algemene situatie in het land waar de visumaanvrager woont en de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager, waaronder zijn sociale en economische binding met het land van herkomst. Verweerder hoeft daarbij geen zekerheid te verkrijgen over het voornemen van de aanvrager om Nederland tijdig te verlaten; de redelijke twijfel over dat voornemen volstaat. [4]
4.2.
Het wettelijk kader dat van belang is voor deze zaak staat in de bijlage bij deze uitspraak.
Is sprake van economische binding met Iran?
5. Eiseres stelt dat sprake is van economische binding met Iran vanwege haar dienstverband bij
Imam Sajjad Conservatory.Eiseres stelt hiervan rond te kunnen komen in Iran. Bovendien ontvangt zij inkomen voor de opdrachten die zij verricht bij het ministerie (
Ministry of Road and Urban Development). Voor zover verweerder zich op het standpunt zou stellen dat eiseres ook vanuit het buitenland kan beschikken over haar inkomen en vermogen (waaronder haar auto en vakantiewoning), stelt eiseres dat dit standpunt het feitelijk onmogelijk maakt om economische binding met het land van herkomst aan te tonen en een visum te krijgen. Daardoor wordt volgens eiseres een groot gedeelte van de bevolking gediscrimineerd. Ook wijst eiseres op de internationale sancties waardoor er geen geldstroom is van en naar het buitenland.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat eiseres een zodanige economische binding heeft met Iran dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd is. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat het inkomen van eiseres uit haar dienstverband bij
Imam Sajjad Conservatoryonvoldoende is om te voorzien in haar levensonderhoud in Iran. In dat verband heeft verweerder gewezen op het lage eindsaldo van de bankrekening van eiseres bij de
Bank Melli Iranwaarop het salaris maar ook allerlei andere bedragen worden gestort en het feit dat eiseres beschikt over een tweede bankrekening waarvan het saldo door verweerder wordt aangemerkt als lening (zie verder hieronder). Voor zover eiseres stelt dat zij ook werkzaam is bij het ministerie, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres dit niet met stukken heeft onderbouwd. Uit de door eiseres overgelegde
Engineering Practice Licencevolgt weliswaar dat het ministerie verklaart dat eiseres beschikt over bepaalde kwalificaties, maar niet dat zij voor het ministerie werkzaam is. Ter zitting heeft eiseres gesteld dat de vertaling van het document op dit punt tekortschiet en uit de verklaring wel volgt dat zij bij het ministerie werkt. Dit kan door de rechtbank zonder nadere stukken echter niet worden vastgesteld. Andere bewijsstukken voor het standpunt dat eiseres bij het ministerie heeft gewerkt, ontbreken. Verweerder heeft in dat verband van eiseres mogen verwachten dat zij meer inzicht in haar werkzaamheden en opbrengsten verschaft. In het bestreden besluit is specifiek gewezen op de mogelijkheid om bijvoorbeeld een werkgeversverklaring, loonstroken of facturen te overleggen. Dat eiseres geen aanvullende stukken heeft ingebracht, komt in deze situatie voor risico van eiseres. Voor zover eiseres heeft gewezen op de stortingen op haar bankrekening bij de
Qarz Al-Hasaneh Mehr Iran Bank, volgt uit de beschikbare bankafschriften niet dat die stortingen afkomstig zijn van het ministerie als vergoeding voor arbeid. Omdat eiseres geen andere verklaring heeft gegeven voor de hoge stortingen, blijft onduidelijk waar de stortingen wel vandaan komen. In dat kader heeft eiseres ter zitting desgevraagd bevestigd dat zij geen alimentatie ontvangt van haar ex-partner zodat ook dat geen verklaring vormt voor de stortingen. Gelet op het feit dat op de eerste pagina van de bankverklaring wordt vermeld dat de desbetreffende bank rentevrije microkredieten verstrekt aan kwetsbare personen, is niet uitgesloten – zoals verweerder heeft gesteld – dat het geld op deze bankrekening inderdaad een lening betreft en niet een bewijs is van zelfstandig inkomen. Gelet op voorgaande heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van inkomsten die afhankelijk zijn van verblijf in Iran en daarom geen sprake is van economische binding. Om die reden heeft verweerder het gestelde vermogen van eiseres (de auto en de vakantiewoning) niet hoeven te betrekken bij de beoordeling van de aanvraag. Het is de rechtbank – net als verweerder – ook niet gebleken dat eiseres voor dit vermogen in Iran moet verblijven. Aan de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt zou kunnen stellen dat eiseres ook in het buitenland kan beschikken over deze vermogensbestanddelen en daardoor niet leiden tot economische binding, wordt in die situatie niet toegekomen.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is sprake van sociale binding met Iran?
6. Eiseres stelt dat zij een sterke sociale binding met Iran heeft, omdat – naast een sociaal netwerk – haar drie minderjarige kinderen en haar moeder in Iran achterblijven als zij referente in Nederland bezoekt. Zowel haar kinderen als haar moeder zijn volledig afhankelijk van haar zorg, zodat er geen twijfel over bestaat dat eiseres na haar bezoek aan referente tijdig terug zal keren naar Iran. Eiseres merkt onder verwijzing naar rechtspraak over beperkte sociale binding [5] op dat zelfs als sprake is van een beperkte economische binding of die economische binding in zijn geheel ontbreekt [6] , de sterke sociale binding in haar geval moet leiden tot een toewijzing van de aanvraag.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een dusdanig sterke sociale binding heeft met Iran dat aan een tijdige terugkeer niet getwijfeld hoeft te worden. Het staat niet ter discussie dat eiseres drie minderjarige kinderen heeft in Iran. De rechtbank overweegt dat het achterblijven van minderjarige kinderen normaalgesproken een belangrijk aanknopingspunt vormt voor een sterke sociale binding met het land van herkomst. [7] In dit specifieke geval heeft verweerder echter kunnen beslissen dat dit niet doorslaggevend is. Daarbij heeft verweerder kunnen overwegen dat sprake is van een achterblijvende ouder (vader). Anders dan eiseres stelt, staat voor de rechtbank niet vast dat hij niet voor de kinderen kan zorgen. Voor zover eiseres verwijst naar een gerechtelijke uitspraak uit Iran waaruit zou volgen dat de volledige zorg (ook financieel) bij eiseres ligt omdat vader dat niet wil of kan, heeft eiseres – ondanks de aankondiging – geen officiële vertaling ingebracht zodat de rechtbank het standpunt van eiseres niet kan controleren. Ten aanzien van de zorg voor haar moeder heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat alleen eiseres die zorg op zich kan nemen. Eiseres heeft nog drie broers en twee zussen in Iran wonen. Dat de broers en zussen eigen gezinnen hebben of anderszins minder mogelijkheden hebben, maakt niet dat vaststaat dat zij niet voor hun moeder kunnen zorgen. Hoewel de rechtbank vindt dat door het achterblijven van haar drie minderjarige kinderen in Iran wellicht sprake is van een meer dan geringe sociale binding, oordeelt de rechtbank op grond van voorgaande dat verweerder nog steeds heeft kunnen bepalen dat de sociale binding van eiseres met Iran niet dusdanig sterk is dat niet getwijfeld hoeft te worden of eiseres Nederland tijdig zal verlaten.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
6.3.
Onder 4 is toegelicht dat voor de afwijzing van de visumaanvraag één enkele afwijzingsgrond voldoende is. Omdat zowel de economische als sociale binding niet voldoende sterk is, heeft verweerder de aanvraag voor een visum kunnen afwijzen op grond van artikel 32, eerste lid, onder b, van de Visumcode. De andere beroepsgronden van eiseres over de afwijzing van het visum worden daarom niet meer besproken. De afwijzing van de aanvraag levert – anders dan eiseres stelt – ook geen schending van artikel 8 van Pro het EVRM [8] op. Verweerder heeft terecht overwogen dat artikel 8 van Pro het EVRM geen recht op een visum geeft en is verdisconteerd in de voorwaarden van de visumverleningsprocedure. Verweerder heeft in dat verband ook aangegeven dat er geen beletsel is om elkaar in een ander land buiten de Europese Unie te ontmoeten.
Is eiseres ten onrechte niet gehoord?
7. Eiseres stelt tot slot dat verweerder haar ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar zodat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.
7.1.
De rechtbank overweegt dat het horen een essentieel onderdeel is van de bezwaarfase. Alleen in de gevallen zoals opgenomen in artikel 7:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden afgezien van het horen. Als vuistregel geldt dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem of haar uit te nodigen voor een hoorzitting. [9]
7.2.
De rechtbank stelt vast dat eiseres in reactie op het primaire besluit in bezwaar diverse nieuwe stukken heeft ingebracht om aan te tonen dat zij wel voldoet aan het middelenvereiste. Ook zijn documenten en argumenten aangevoerd voor eiseres’ stelling dat sprake is van economische en sociale binding met Iran en zij dus wel in aanmerking moet komen voor een visum kort verblijf. Zij heeft aldus de nodige inspanningen verricht om verweerder tot een ander standpunt te brengen dan in het besluit van 2 december 2024 is ingenomen. Uit het bestreden besluit blijkt verder dat verweerder het door eiseres in bezwaar aangevoerde niet voldoende vindt. Verweerder had hierover tijdens een hoorzitting vragen kunnen stellen. Het horen in bezwaar kan immers uitkomst bieden om duidelijkheid te verkrijgen over de redenen voor het ontbreken van bepaalde informatie of voor het beantwoorden van vragen over de ingebrachte informatie. Dat hiervoor ook een vragenlijst is toegestuurd, ziet de rechtbank niet als volwaardig alternatief voor de hoorplicht, onder meer omdat sommige personen zich mondeling beter kunnen uitdrukken dan schriftelijk.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar. Tegelijkertijd is eiseres door dit gebrek niet in haar belangen geschaad. Naar aanleiding van het bestreden besluit heeft zij in beroep nog aanvullende documenten overgelegd en haar standpunten verder toegelicht. Die toelichting leidt – zo blijkt uit het bovenstaande – niet tot een andere uitkomst dan het standpunt dat in het bestreden besluit is ingenomen. Het zorgvuldigheidsgebrek wordt in die situatie gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en verweerder de aanvraag voor een visum voor kort verblijf heeft kunnen afwijzen.
8.1.
Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb krijgt eiseres wel een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (1 punt per proceshandeling; € 934,- per punt; wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers - Heins, griffier.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:2
1. Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.
Artikel 7:3
Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:
het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is,
het bezwaar kennelijk ongegrond is,
de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord,
e belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, of
aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.
Visumcode
Artikel 32
1. Onverminderd artikel 25 lid 1 wordt Pro een visum geweigerd:
a. Indien de aanvrager:
ii. het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond.
iii. niet heeft aangetoond over voldoende middelen van be staan te beschikken, zowel voor de duur van het voor genomen verblijf als voor zijn terugreis naar het land van herkomst of verblijf, of voor doorreis naar een derde land waar hij met zekerheid zal worden toegelaten, of in de mogelijkheid te verkeren deze middelen legaal te ver krijgen;
of
indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 32, eerste lid, onder a, onderdeel ii en iii, van de Verordening (EG) Nr. 810/2009 van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode).
2.Dit volgt uit artikel 32, eerste lid, onder b, van de Visumcode.
3.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) van 19 december 2013, zaak C-84/12,
4.Arrest van het HvJ van 19 december 2013,
5.Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Amsterdam) van 30 augustus 2008 (ECLI:NL:RBDHA:2018:12347).
6.Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Utrecht) van 21 februari 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:3840).
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Rotterdam) van 3 april 2026 (ECLI:NL:RBROT:2026:3810) en de uitspraak van de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Utrecht) van 21 februari 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:3840), onder 7.
8.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1918).