ECLI:NL:RBDHA:2026:18368

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
5 juli 2026
Zaaknummer
C/09/677943 / FA RK 24-9312
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:93 BWArt. 1:94 BWArt. 1:100 BWArt. 1:102 BWArt. 3:182 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding geregistreerd partnerschap met partneralimentatie en verdeling gemeenschap van goederen

Partijen zijn sinds 2010 geregistreerd partners en hebben meerderjarige en minderjarige kinderen. De rechtbank ontbindt het geregistreerd partnerschap op verzoek van beide partijen wegens duurzame ontwrichting.

De rechtbank berekent de partneralimentatie op basis van de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen, waarbij de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man worden vastgesteld. De partneralimentatie wordt vastgesteld op €1.015,- bruto per maand, ingaande op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en eindigend uiterlijk vijf jaar daarna.

De verdeling van de gemeenschap van goederen wordt vastgesteld met een peildatum van 31 december 2023. De woning wordt aan de vrouw toegewezen met een termijn van vier maanden om overname te realiseren, anders volgt verkoop. De inboedel wordt gelijk verdeeld. Bankrekeningen worden verdeeld conform afspraken, waarbij gezamenlijke rekeningen worden opgeheven. De boot en aandelen in de B.V. worden aan de man toegewezen met verrekening aan de vrouw. Het pensioen in eigen beheer wordt gelijk verdeeld.

Schulden worden gelijk verdeeld, met een specifieke regeling voor een rekening-courantschuld bij de B.V. De vrouw krijgt het recht om de woning en inboedel zes maanden na inschrijving van de beschikking te blijven gebruiken. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de ontbinding zelf.

Uitkomst: De rechtbank ontbindt het geregistreerd partnerschap, stelt partneralimentatie vast op €1.015,- bruto per maand en regelt de verdeling van de gemeenschap van goederen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-9312 (ontbinding geregistreerd partnerschap)
FA RK 25-4180 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/677943 (ontbinding geregistreerd partnerschap)
C/09/686337 (verdeling)
Datum beschikking: 4 juni 2026

Ontbinding geregistreerd partnerschap

Beschikking op het op 30 december 2024 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.P. Lagerweij te Delft.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.A. Sobral te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het bericht van 30 mei 2025 van de man;
- het bericht van 24 december 2025 van de vrouw;
- het bericht van 22 april 2026, met bijlagen, van de man;
- het bericht van 27 april 2026, met bijlagen, van de vrouw;
- het bericht van 1 mei 2026, met bijlagen, van de man.
Op 7 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en de man met zijn advocaat. Door de advocaat van de man zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

- Partijen zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan op [datum] 2010 te [plaats] .
- Zij zijn de ouders van de volgende meerderjarige kinderen:
- [meerderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 1998 te [geboorteplaats] ,
- [meerderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2000 te [geboorteplaats] .
- De man is ook de verwekker van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 3] 2010.
- Beide partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
- Deze rechtbank heeft op 4 december 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende dat:
- de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres] ;
- de man aan de vrouw met ingang van de datum van de beschikking voorlopig een partneralimentatie van € 2.600,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
- Bij beschikking van 24 januari 2025 heeft deze rechtbank de beschikking van 4 december 2024 hersteld, in die zin dat de man aan de vrouw met ingang van 4 december 2024 een voorlopige partneralimentatie dient te voldoen van € 2.443,- bruto per maand.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 3.284,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;
- vaststelling van de verdeling van de partnerschapsgemeenschap, conform
het voorstel van de vrouw;
- voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel gedurende een periode van zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking;
- veroordeling van de man om aan de vrouw binnen veertien dagen na de te geven beschikking de gegevens c.q. administratieve bescheiden te verstrekken als bedoeld in sub 29 van het verzoekschrift, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag nadat genoemde termijn is verstreken tot de dag waarop alles is verstrekt,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de man zelfstandig om de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de verdeling van de partnerschapsgemeenschap, conform
het voorstel van de man;
- vaststelling van een gebruiksvergoeding ten laste van de vrouw, met ingang van 1 januari 2025, inhoudende dat zij alle aan de woning te [adres] , verbonden gebruikslasten inclusief de hypotheekrente dient te voldoen,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Ontbinding geregistreerd partnerschap
De vrouw en de man stellen dat het geregistreerde partnerschap duurzaam is ontwricht, zodat de daarop steunde verzoeken tot ontbinding van het geregistreerde partnerschap als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar zijn.
Partneralimentatie
Bij de vaststelling en berekening van de partneralimentatie neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
De rechtbank zal hierna eerst de behoefte van de vrouw en daarna de draagkracht van de man berekenen.
Behoefte van de vrouw
De rechtbank gaat bij de berekening van de behoefte van de vrouw uit van de zogenoemde Hofnorm. Daarbij wordt de behoefte van de vrouw berekend op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI).
Partijen zijn in december 2023 uit elkaar gegaan. De rechtbank zal daarom bij de berekening van het NBGI uitgaan van de inkomensgegevens van partijen in 2023 en de tarieven
2023-II.
Partijen zijn het er over eens dat bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man uitgegaan moet worden van een bruto jaarinkomen van € 106.333,- en dat rekening gehouden moet worden met een premie lijfrente van € 1.000,- per maand.
Tussen partijen is in geschil of bij de berekening van het NBI van de man de fiscale bijtelling van de auto van het bruto jaarinkomen afgetrokken moet worden. De rechtbank zal conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen geen rekening houden met de fiscale bijtelling van de auto en daarom het salaris volgens de jaaropgave corrigeren met de daarin verwerkte fiscale bijtelling zoals die blijkt uit de door de man overgelegde salarisstroken van augustus 2023 en juli 2024 van (12 x 318 =) € 3.816,- per jaar.
Ook is tussen partijen in geschil of bij de berekening van het NBI van de man rekening gehouden moet worden met de opnames door de man uit zijn bedrijf in rekening-courant van € 1.000,- per maand. Zoals reeds in de voorlopige voorzieningen van 4 december 2024 overwogen, staat vast dat de man gedurende lange periode zijn inkomen heeft aangevuld met een gemiddelde rekening-courant opname van circa € 1.000,- per maand. Dit ziet de rechtbank eveneens terug in het door de man overgelegde rekening-courantoverzicht (productie 7 van het verweerschrift). Partijen hebben mede van deze opnames in rekening-courant geleefd. Om deze reden dient dit bedrag bij het berekenen van het NBI van de man te worden meegenomen. Dat – zoals door de man is aangevoerd – door de opnames in rekening-courant een schuld is ontstaan, zal een rol spelen bij de verdeling van de partnerschapsgemeenschap, maar is voor de berekening van de behoefte aan partneralimentatie niet relevant.
Gelet op voorgaande uitgangspunten en rekening houdend met de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de man ten tijde van het geregistreerd partnerschap op € 5.643,- per maand.
Partijen zijn het erover eens dat het NBI van de vrouw in 2023 € 2.760,- bedraagt.
Gelet op voorgaande, bedraagt het NBGI van partijen (5.643 + 2.760 =) € 8.403,- per maand. De behoefte van de vrouw in 2023 bedraagt volgens de hofnorm aldus € 5.042,- netto per maand (60% van € 8.403). Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 5.965,- netto per maand.
Aanvullende behoefte
De rechtbank zal beoordelen in hoeverre de vrouw redelijkerwijs zelf in haar behoefte kan voorzien. Daartoe dient op de netto behoefte van € 5.965,- van de vrouw haar huidige NBI in mindering te worden gebracht.
Partijen zijn het erover eens dat het jaarinkomen van de vrouw in 2025 € 34.565,- bedraagt. Partijen verschillen echter van mening of bij de berekening van de aanvullende behoefte uitgegaan moet worden van een verdiencapaciteit. De man stelt dat de vrouw in staat moet worden geacht om een vergelijkbaar inkomen als in 2023 te generen. De vrouw stelt daarentegen dat zij in de zorg werkt en onregelmatige diensten heeft. Hoewel zij haar werkgever heeft gevraagd haar uren uit te breiden naar 28 uur, is dat momenteel niet mogelijk. Volgens de vrouw is het door haar onregelmatige diensten en de zwaarte van haar werk niet haalbaar om haar werkuren elders uit te breiden.
De rechtbank heeft in het kader van de voorlopige voorziening van 4 december 2024 expliciet overwogen dat van de vrouw niet kon worden verwacht dat zij haar werkuren op korte termijn zou uitbreiden. Hierbij is opgemerkt dat een uitbrieding op langere termijn wel mogelijk zou zijn. Hoewel de vrouw aangeeft dat zij geprobeerd heeft haar uren bij haar werkgever uit te breiden, had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van de vrouw gelegen om ook te onderzoeken op welke andere manieren zij haar werkuren kan uitbreiden. Dit heeft zij echter nagelaten. Om deze reden zal de rechtbank het standpunt van de man volgen en bij de berekening van het NBI van de vrouw uitgaan van de door hem gestelde verdiencapaciteit van € 41.954,- bruto per jaar.
Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op basis van haar verdiencapaciteit op € 2.904,- per maand. Dit betekent dat de vrouw een aanvullende behoefte van (5.965 – 2.904 =) € 3.061,- per maand heeft. Dit is € 6.029,- bruto per maand.
Draagkracht man
De rechtbank gaat voor wat betreft de bepaling van de draagkracht van de man uit van een inkomen van € 7.371,18 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en met aftrek van € 1.000,- aan lijfrente en een premie zorgverzekeringswet van € 320,94 per maand, zoals blijkt uit zijn recente loonstroken van januari tot en met maart 2026. Bij de berekening van de draagkracht van de man zal de rechtbank geen rekening houden met de opnames in rekening-courant, nu partijen het erover eens zijn dat de opnames niet langer plaatsvinden. Hoewel de vrouw heeft gesteld dat in plaats van opnames in rekening-courant tantième wordt uitgekeerd, zal de rechtbank hier eveneens geen rekening mee houden. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt immers uit de stukken dat er slechts eenmalig een uitkering van tantième heeft plaatsgevonden.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de man op € 4.236,- per maand.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% van [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)] toepassen. De rechtbank zal er ook rekening mee houden dat de man € 50,- per week voldoet ten behoeve van [minderjarige] . Niet in geschil is immers dat hij de verwekker is van [minderjarige] en als verwekker is hij onderhoudsplichtig jegens [minderjarige] . De rechtbank zal daarom het in de formule opgenomen bedrag van kosten van levensonderhoud van € 1.365,- verhogen met een bedrag van (50 x 52 / 12 =) € 216,- per maand.
Hieruit volgt een draagkracht van de man van € 830,- per maand, te weten 60% van [4.236 – (0,3 x 4.236 + 1.365 + 216)]. Gebruteerd komt dit bedrag neer op € 1.329,- per maand.
Inkomensvergelijking
Om te bepalen of de man door de voldoening van de partneralimentatie aan de vrouw niet in een nadeliger financiële positie komt te verkeren dan de vrouw, heeft de rechtbank een inkomensvergelijking gemaakt. Uit de inkomensvergelijking volgt dat de man bij een bedrag van € 1.015,- bruto per maand aan partneralimentatie een gelijk te besteden vrije ruimte als de vrouw overhoudt. Aangezien dit bedrag lager ligt dan de draagkracht van de man, zal de rechtbank de inkomensvergelijking volgen en de partneralimentatie vaststellen op € 1.015,- bruto per maand.
Ingangsdatum en duur van de partneralimentatie
De verplichting tot levensonderhoud verstrijkt in beginsel van rechtswege na het verstrijken van een termijn van vijf jaren na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. De man heeft verzocht deze termijn te verkorten met één jaar, omdat sinds de toekenning van de voorlopige partneralimentatie ruim anderhalf jaar is verstreken en volgens hem van de vrouw mag worden verwacht dat zij haar verdiencapaciteit benut. De overgangsfase waar de partneralimentatie voor bedoeld is, heeft volgens de man daarmee in feite al plaatsgevonden.
De vrouw heeft verweer gevoerd.
Het aangevoerde is naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf geen aanleiding tot verkorting van de termijn met één jaar. De lange duur van de procedure is immers niet aan de vrouw te wijten. Partijen zijn op de zitting evenwel overeengekomen dat de partneralimentatie in zal gaan per de datum van deze beschikking. Het staat de rechter niet vrij de bij echtscheidingsbeschikking te bepalen partneralimentatie te doen ingaan op een eerdere datum dan die van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (o.a. HR 8 juli 1996, ECLI:NL:HR:1996:AC0478, HR 11 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3567). In die omstandigheid ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de partneralimentatieverplichting ingaat op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en eindigt op (uiterlijk) vijf jaren na de datum van deze beschikking. Dat betekent dat, anders dan partijen voor ogen hebben, de partneralimentatie weliswaar pas ingaat na inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand, maar de partneralimentatieverplichting wel eindigt op de door partijen met hun afspraak beoogde termijn.
Conclusie
Uitgaande van al het bovenstaande zal de rechtbank de door de man, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand en tot (uiterlijk) vijf jaren na de datum van deze beschikking, aan de vrouw te betalen partneralimentatie bepalen op € 1.015,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen.
Aanhechten berekeningen
De rechtbank zal de alimentatieberekeningen aan deze beschikking hechten.
Huurrecht
Het verzoek van de vrouw ten aanzien van het huurrecht van de woning te (2624NM) Delft, Taj Mahalplaats 63 is ingetrokken, zodat op dit verzoek niet meer hoeft te worden beslist.
Verdeling partnerschapsgemeenschap
Partijen zijn op [datum] 2010 met elkaar een geregistreerd partnerschap aangegaan. Nu niet is gesteld of gebleken dat partijen partnerschapsvoorwaarden hebben gemaakt, moet gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW (tekst tot 1 januari 2018) worden aangenomen dat tussen hen een algehele gemeenschap van goederen bestaat. Uitgangspunt bij verdeling van de gemeenschap is een verdeling tussen partijen bij helfte.
Peildatum
Partijen zijn overeengekomen dat als datum voor zowel de bepaling van de omvang van de gemeenschap als voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen 31 december 2023 geldt.
Samenstelling gemeenschap
Door partijen zijn de volgende bestanddelen naar voren gebracht:
de echtelijke woning te [adres] met de daarop rustende hypothecaire geldlening bij Nationale Nederlanden;
de inboedel;
de bank- en spaarrekeningen;
de boot;
de aandelen in [bedrijfsnaam] B.V.;
de lijfrentepolis bij Brand New Day.
Ad. 1) de echtelijke woning te [adres] met de daarop rustende hypothecaire geldlening bij Nationale Nederlanden
Partijen zijn het erover eens dat de vrouw de mogelijkheid krijgt om te bezien of zij de echtelijke woning kan overnemen. Zij zijn het tevens eens over de waarde van de woning (€ 500.000,-) en de hoogte van de resterende hypotheekschuld (€ 75.500,-). Indien de vrouw in staat is de echtelijke woning over te nemen, zijn partijen het erover eens dat zij de helft van de overwaarde, te weten (500.000 – 75.500 / 2 =) € 212.250,-, aan de man dient te voldoen.
De rechtbank acht het redelijk de vrouw een termijn van vier maanden na de datum van deze beschikking te verlenen om na te gaan of zij erin slaagt de echtelijke woning over te nemen. Indien dit niet mogelijk is, dient de woning aan een derde te worden verkocht.
De rechtbank zal ten aanzien van de echtelijke woning en de daarop rustende hypothecaire geldlening bij Nationale Nederlanden – zoals op de zitting besproken – de wijze van verdeling conform het in het dictum op te nemen spoorboekje vaststellen.
Ad. 2) de inboedel
Partijen zijn overeengekomen dat zij de inboedel in onderling overleg bij helfte zullen delen. De rechtbank zal aldus beslissen.
Ad. 3) de bank- en spaarrekeningen;
Door partijen zijn de volgende bank- en spaarrekeningen naar voren gebracht:
een bankrekening bij ABNA AMRO ( [bankrekening 1] ) op naam van partijen gezamenlijk;
een spaarrekening bij ABNA AMRO ( [spaarrekening] ) op naam van partijen gezamenlijk;
een bankrekening bij de Rabobank ( [bankrekening 2] ) op naam van de man;
een bankrekening bij ING ( [bankrekening 3] ) op naam van de man;
een bankrekening bij ING ( [bankrekening 4] ) op naam van de vrouw.
Partijen zijn het erover eens dat de bankrekening bij de Rabobank ( [bankrekening 2] ) op naam van de man niet in aanmerking komt voor de verdeling, nu deze uitsluitend wordt gebruikt voor de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Ten aanzien van de bankrekeningen bij ING ( [bankrekening 3] en [bankrekening 4] ) zijn partijen het erover eens dat de saldi van de bankrekeningen op de peildatum bij helfte worden verdeeld, waarbij ieder van partijen de bankrekening voortzet die op zijn of haar naam staat. Verder zijn partijen het erover eens dat zij de gezamenlijke rekeningen zullen opheffen, waarbij partijen het saldo van die rekeningen bij helfte zullen delen voordat de rekeningen worden opgeheven. De rechtbank zal conform de overeenstemming van partijen beslissen.
Ad. 4) de boot
Tot de gemeenschap behoort een boot die de partijen in mede-eigendom met de heer [naam] in eigendom hebben. Slechts het aandeel van partijen (de helft van de boot) valt in de gemeenschap van goederen. Partijen zijn het erover eens dat de waarde van de boot € 4.000,- bedraagt. Partijen zijn het er eveneens over eens dat het aandeel in de boot aan de man wordt toegedeeld, onder de verplichting om € 1.000,- aan de vrouw te voldoen. De rechtbank zal conform de overeenstemming van partijen beslissen.
Ad. 5) de aandelen in [bedrijfsnaam] B.V.
Partijen zijn het erover eens dat de aandelen in [bedrijfsnaam] B.V. aan de man worden toegedeeld, onder verrekening van de helft van de waarde van de aandelen met de vrouw. Op de zitting zijn partijen het erover eens geworden dat de waarde van de aandelen € 413.148,- bedraagt en dat rekening gehouden moet worden met de op die aandelen rustende AB-claim conform tabel 4.1a van het als productie 15 overgelegde rapport van Aprecio. Dat betekent dat de man wegens overbedeling aan de vrouw dient te betalen de helft van de waarde van de aandelen minus de AB-claim, zijnde een bedrag van € 153.696,-. De rechtbank zal aldus beslissen.
Ad. 6) de lijfrentepolis bij Brand New Day
Ten aanzien van de lijfrentepolis bij Brand New Day zijn partijen overeengekomen zij de polis zullen splitsten. In verband met de verdere uitvoering van deze afspraak zal de vrouw bij Brand New Day een pensioenrekening op haar naam openen. De rechtbank zal conform de overeenstemming van partijen beslissen.
Pensioen
Ten aanzien van het tijdens het geregistreerd partnerschap opgebouwde pensioen in eigen beheer geldt dat de helft van die pensioenvoorziening (€ 66.089,81) aan de vrouw toekomt. Partijen zijn overeengekomen dat dat bedrag vanuit de B.V. ( [bedrijfsnaam] B.V.) zal worden gestort bij een door de vrouw aan te wijzen pensioenuitvoerder, met dien verstande dat daarbij rekening wordt gehouden met de liquiditeitspositie van de B.V. en de mogelijkheid van financiering om het afstorten mogelijk te maken conform de uitspraak van de Hoge Raad van 9 februari 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ2658. De rechtbank zal conform de overeenstemming van partijen beslissen.
Schulden
Volgens partijen behoren de volgende schulden tot de gemeenschap:
de rekening-courantschuld bij [bedrijfsnaam] B.V.;
de lening bij [bedrijfsnaam] B.V..
Schulden komen niet voor verdeling in aanmerking omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 BW Pro. Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide (ex-)partners tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW Pro.
In de onderlinge verhouding tussen de geregistreerd partners geldt op grond van artikel 1:100 BW Pro het volgende. Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze schulden door beide (ex)partners voor een gelijk deel gedragen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Als één van de (ex)partners wordt aangesproken door een schuldeiser en hierdoor meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem of haar aangaat, dan heeft hij of zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 BW Pro een regresrecht op de andere (ex)partner.
Partijen zijn het erover eens dat de rekening-courantschuld bij [bedrijfsnaam] B.V. en de lening bij [bedrijfsnaam] B.V. in totaal € 155.000,- bedragen. Ook zijn partijen het eens dat zij in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze schulden. Hierbij hebben partijen afgesproken dat de man een bedrag van € 45.000,- van het aandeel van de vrouw in deze schuld voor zijn rekening zal nemen en de vrouw dat bedrag, op het moment dat de man meer dan € 45.000,- bovenop zijn aandeel in de onderlinge verhouding heeft voldaan, zal kwijtschelden. De rechtbank zal conform de overeenstemming van partijen beslissen.
Overige vorderingen
Voortgezet gebruik echtelijke woning
De vrouw verzoekt het voortgezet gebruik van de echtelijke woning voor zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. De man heeft hiertegen geen bezwaar, aangezien de vrouw voornemens is de echtelijke woning over te nemen. In het geval toch blijkt dat de vrouw niet in staat is de woning over te nemen, wil hij wel dat de vrouw zo snel mogelijk haar medewerking zal verlenen aan de verkoop van de echtelijke woning.
De rechtbank zal daarom bepalen dat de vrouw het voortgezet gebruik van de woning krijgt voor de duur van zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
Gebruiksvergoeding
De man heeft zijn verzoek ten aanzien van de gebruiksvergoeding ingetrokken, zodat op dit verzoek niet meer hoeft te worden beslist.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt uit de ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen de vrouw en de man, aangegaan op [datum] 2010 te [plaats] ;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tot (uiterlijk) vijf jaren na de datum van deze beschikking, een partneralimentatie van € 1.015,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
stelt de verdeling ten aanzien van de ontbonden algehele gemeenschap van goederen goederengemeenschap van de man en de vrouw als volgt vast, onder voorwaarde van inschrijving van de ontbindingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
1. met betrekking tot de woning te [adres] met de daarop rustende hypothecaire geldlening bij Nationale Nederlanden:
1. de woning wordt toegedeeld aan de vrouw op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
de vrouw dient binnen vier maanden na de datum van deze beschikking aan te tonen dat zij de woning tegen de door partijen overeengekomen waarde van € 500.000,- kan overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
de overwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld. De overwaarde bestaat uit de door partijen overeengekomen waarde van € 500.000,- minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening van € 75.500,-;
de kosten van de notariële overdracht worden door de vrouw, als kosten koper, voldaan;
partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2.) indien de vrouw de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de vrouw kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan een makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar dient de man aan de vrouw binnen twee weken nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de vrouw kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voorstellen die bereid en in staat zijn de woning te verkopen, waaruit de vrouw er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen verstrekken in dat geval vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht de makelaar-taxateur om de woning aan een derde te verkopen. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2. bepaalt dat partijen de inboedel in onderling overleg bij helfte zullen delen;
3. bepaalt dat partijen de saldi van de volgende bankrekeningen per peildatum bij helfte dienen te delen, waarna ieder de op zijn/haar naam staande bankrekening voortzet:
- een bankrekening bij ING ( [bankrekening 3] ) op naam van de man;
- een bankrekening bij ING ( [bankrekening 4] ) op naam van de vrouw;
4. bepaalt dat partijen de volgende gezamenlijke rekeningen zullen opheffen, waarbij de nog aanwezige saldi bij helfte worden gedeeld:
- een bankrekening bij ABNA AMRO ( [bankrekening 1] ) op naam van partijen gezamenlijk;
- een spaarrekening bij ABNA AMRO ( [spaarrekening] ) op naam van partijen gezamenlijk;
5. deelt het aandeel in de boot toe aan de man, onder de verplichting om de helft van de waarde van dat aandeel, te weten € 1.000,-, aan de vrouw te voldoen;
6. deelt de aandelen in [bedrijfsnaam] B.V. toe aan de man onder de verplichting de helft van de waarde minus de daarop rustende AB-claim, zijnde een bedrag van € 153.696,-, aan de vrouw te voldoen;
7. bepaalt dat de lijfrentepolis bij Brand New Day met rekeningnummer [rekeningnummer] met een waarde van € 86.100,- wordt gesplitst in twee gelijke delen;
*
verstaat dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de rekening-courantschuld bij [bedrijfsnaam] B.V. en de lening bij [bedrijfsnaam] B.V. ter hoogte van in totaal € 155.000,- en dat de man een bedrag van € 45.000,- van het aandeel van de vrouw in deze schuld voor zijn rekening zal nemen en dat de man de vrouw dat bedrag, op het moment dat de man meer dan € 45.000,- bovenop zijn aandeel in de onderlinge verhouding heeft voldaan, zal kwijtschelden;
*
bepaalt dat aan ieder van partijen de helft van het tijdens het geregistreerd partnerschap in [bedrijfsnaam] B.V. opgebouwde pensioen in eigen beheer toekomt en dat het aan de vrouw toekomende bedrag van € 66.089,81 vanuit de B.V. ( [bedrijfsnaam] B.V.) zal worden gestort bij een door de vrouw aan te wijzen pensioenuitvoerder, met dien verstande dat daarbij rekening wordt gehouden met de liquiditeitspositie van de B.V. en de mogelijkheid van financiering om het afstorten mogelijk te maken conform de uitspraak van de Hoge Raad van 9 februari 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ2658;
*
bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning te [adres] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, onder de voorwaarde dat de vrouw deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap – uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, rechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 4 juni 2026.