ECLI:NL:RBDHA:2026:18177

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
NL26.25924
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 EU HandvestArt. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Art. 83 AMBVArt. 84, tweede lid, AMBV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverantwoordelijkheid Spanje

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Spanje volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek.

De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet aanwezig waren. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en het toepasselijke recht, waarbij het overgangsrecht van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV) centraal staat.

De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje kan worden toegepast, ondanks aangevoerde structurele tekortkomingen in de Spaanse asielprocedure en opvangvoorzieningen. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft eerder geoordeeld dat deze tekortkomingen niet zodanig ernstig zijn dat overdracht aan Spanje een reëel risico op een schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 EU Pro Handvest oplevert.

De rechtbank wijst erop dat eiser zelf in Spanje moet klagen indien hij meent dat zijn asielaanvraag daar niet conform het unierecht wordt behandeld. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor het besluit van de minister in stand blijft en eiser kan worden overgedragen aan Spanje.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.25924
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A. de Haan),

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 6 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met een bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toepasselijk recht
4. Op 12 juni 2026 is de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV) in werking getreden.1 Artikel 83, eerste volzin, van de AMBV bepaalt dat de Dublinverordening2 op 12 juni 2026 wordt ingetrokken. De rechtbank bespreekt daarom als eerste welk recht in deze zaak van toepassing is.
1. EU 2024/1351 en EU 2025/90929 rectificatie.
2 EU 604/2013.
Overgangsrecht
5. Artikel 84, tweede lid, van de AMBV bepaalt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.
6. Eisers verzoek om internationale bescherming is vóór 12 juni 2026 ingediend. Dat betekent dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is, op grond van het overgangsrecht wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.
Overgangsrecht draagwijdte rechtsmiddel
7. Artikel 43, eerste lid, van de AMBV bepaalt dat de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit beperkt is tot de beoordeling van de punten die in de onderdelen a, b en c van dat artikellid zijn genoemd. Artikel 43, eerste lid, van de AMBV valt niet onder de werking van het overgangsrecht van artikel 84, tweede lid, van de AMBV zodat dat artikel onmiddellijke werking heeft. De rechtbank is echter van oordeel dat artikel 43, eerste lid, van de AMBV niet van toepassing is op zaken die onder het overgangsrecht van de AMBV vallen. Artikel 43 valt Pro onder Afdeling IV van de AMBV over procedurele waarborgen die zien op een overdrachtsbesluit in de zin van artikel 42 van Pro de AMBV. Bij verzoeken ingediend voor 12 juni 2026 en die vallen onder het overgangsrecht, is daarvan geen sprake. Bij die verzoeken is immers sprake van een overdrachtsbesluit volgend op de toepassing van de criteria van de Dublinverordening. Artikel 43, eerste lid, van de AMBV beperkt dan ook niet de rechterlijke toetsing van overdrachtsbesluiten die onder het overgangsrecht vallen.

Totstandkoming van het besluit

8. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.3 In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
9. Eiser stelt dat ten aanzien van Spanje niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan, omdat sprake is van aan het systeem gerelateerde structurele tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Eiser verwijst naar de AIDA-rapporten (update 2021-2024) en de key decisions van de Europese Commissie van 26 januari 2023. Eiser heeft in Spanje geen opvang gekregen, ook al heeft hij alle instructies van de autoriteiten opgevolgd. Uit de inbreukprocedure blijkt volgens eiser dat er structurele tekorten zijn ten aanzien van de opvang in Spanje. Eiser verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 9 april 2024.4
10. Bij de beoordeling van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een door een vreemdeling in een van de lidstaten ingediend asielverzoek, mag de minister uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van de vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het
3 Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Het is in beginsel aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. Daarvan is sprake in het geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals neergelegd in het arrest Jawo.5
11. De rechtbank oordeelt dat er ten aanzien van Spanje kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft op 25 november 20256 geoordeeld dat ten aanzien van Spanje uit kan worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, met inachtneming van het AIDA-rapport (update 2024). De Afdeling is in die uitspraak ingegaan op de opvangomstandigheden in Spanje en heeft onder andere geoordeeld dat
het AIDA-rapport update 2024 (april 2025) geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Spanje voor Dublinclaimanten dan de informatie waar de Afdeling eerder al over heeft geoordeeld. Hoewel het lastig kan zijn voor Dublinclaimanten om toegang te verkrijgen tot opvangvoorzieningen en de asielprocedure, blijkt niet dat die problemen dermate structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Spanje op voorhand sprake is van een reëel risico op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU Handvest strijdige behandeling. De minister heeft in het besluit voldoende gereageerd op het aangehaalde AIDA-rapport.
12. De rechtbank is verder van oordeel dat de ‘key decisions’ en het feit dat door de Europese Commissie een inbreukprocedure tegen Spanje is gestart niet leiden tot de conclusie dat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Deze inbreukprocedure is gestart wegens het mogelijk niet volledig omzetten van alle bepalingen van de Opvangrichtlijn. Het is echter niet gebleken welke gebreken in de implementatie van de Opvangrichtlijn aanleiding zijn voor het starten van
deze inbreukprocedure. Daarbij komt dat de Europese Commissie de Spaanse autoriteiten de gelegenheid heeft gegeven om de gestelde gebrekkige implementatie van de Opvangrichtlijn te herstellen. Het beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 9 april 2024 slaagt niet, omdat in die zaak een wezenlijk andere situatie aan de orde was.
13. Indien eiser van mening is dat de Spaanse autoriteiten zijn asielaanvraag niet conform het unierecht behandelen, is het aan eiser om daar in Spanje over te klagen. Niet is gebleken dat hij in Spanje heeft geklaagd of dat de Spaanse autoriteiten hem niet wilde helpen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser kan worden overgedragen aan Spanje. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
5 ECLI:EU:C:2019:218.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 juni 2026

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.