Eiser, van Syrische nationaliteit, werd op 18 november 2025 door het COa geplaatst op de Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) in Hoogeveen en kreeg een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser stelde beroep in tegen beide besluiten en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank behandelde het beroep op 22 januari 2026. Uit de verslaglegging van het COa bleek dat eiser betrokken was bij een ernstig incident op 16 november 2025 in Den Helder, waarbij hij agressief gedrag vertoonde tegen een medebewoner, waaronder slaan, trappen en het vasthouden in een wurggreep. Eiser voerde aan dat hij uit zelfverdediging handelde en dat de ander als eerste had geslagen, maar de rechtbank vond dit onvoldoende om te twijfelen aan de verslaglegging.
De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van vrijheidsontneming, mede gelet op eerdere jurisprudentie en het feit dat eiser bij binnenkomst op de HTL een rechten en plichten formulier had ondertekend. Het beroep werd ongegrond verklaard, het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel werden bevestigd en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.