ECLI:NL:RBDHA:2026:17764

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
SGR 25/4709
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 4:84 AwbArtikel 1:3 AwbArtikel 8:3 AwbArtikel 225 GemeentewetArtikel 2:2 Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting Den Haag 2022
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering parkeervergunning tweede woning wegens niet-inschrijving BRP is rechtmatig

Eiser, die ongeveer drie maanden per jaar in zijn tweede woning in Den Haag verblijft, had een parkeervergunning die niet werd verlengd vanwege een gewijzigd gemeentelijk parkeerbeleid. Hij vroeg een nieuwe bewoners- en bezoekersparkeervergunning aan, maar deze werden geweigerd omdat hij niet in de Basisregistratie Personen (BRP) op het adres stond ingeschreven.

Eiser betoogde dat hij wel degelijk als bewoner moest worden aangemerkt omdat hij gemeentelijke belastingen betaalt en er geen parkeerdruk is in de straat. De rechtbank toetste de beleidsregel die de BRP-inschrijving als voorwaarde stelt en concludeerde dat deze eis binnen de beleidsruimte van het college valt en geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is om de schaarse parkeerruimte te reguleren.

De rechtbank vond dat de hardheidsclausule niet hoefde te worden toegepast omdat eiser alternatieven heeft, zoals betaald parkeren of gebruik van bezoekersvergunningen van buurtgenoten. Ook was er geen sprake van bijzondere omstandigheden die de regeling buiten toepassing zouden moeten laten. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat het college terecht de parkeervergunningen heeft geweigerd vanwege het ontbreken van inschrijving in de BRP.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/4709

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] ([land]), eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. M.H.F. Bucx).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een bewoners- en bezoekersparkeervergunning.
1.1
Verweerder heeft de aanvragen van eiser met het primaire besluit van 4 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 juni 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is bij de eerdere afwijzing van de aanvragen gebleven.
1.2
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is in 2014 naar [land] verhuisd en verblijft ongeveer drie maanden per jaar in zijn tweede woning aan de [adres] in Den Haag. Hij heeft voor dit adres tot 1 april 2025 een parkeervergunning gehad, die vanwege gewijzigd gemeentelijk parkeerbeleid niet is verlengd. Op 20 januari 2025 heeft eiser een nieuwe bewoners- en bezoekersparkeervergunning aangevraagd. Verweerder heeft deze aanvragen afgewezen, omdat eiser in de Basisregistratie Personen (BRP) niet op het adres [adres] in Den Haag staat ingeschreven. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder om deze reden mocht weigeren om aan eiser een bewoners- en bezoekersparkeervergunning te verlenen.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Verweerder merkt eiser ten onrechte niet aan als bewoner van de [adres] in Den Haag. Voor de gemeentelijke en regionale belastingen en de nutsinstellingen wordt eiser namelijk wel als woonachtig op dit adres in Den Haag gezien. Verder is er geen parkeerprobleem in de [straatnaam] . Dat blijkt uit drie verklaringen van buurtbewoners. Omdat eiser een groot deel van het jaar in [land] woont, wordt de parkeerdruk niet verhoogd als hij wel een parkeervergunning zou krijgen. De weigering van de vergunning leidt bovendien tot ernstige aantasting van eisers woongenot. Ook is het onevenredig dat hij nu het volledige bedrag aan parkeergeld moet betalen (ongeveer 600 euro per maand), terwijl dit bedrag de kosten van het normale gebruik overstijgen. Ook vraagt eiser zich af of verweerder bij de beoordeling ook alternatieven, anders dan afwijzing van de aanvragen, heeft onderzocht.
Wat zijn de toepasselijke regels?
4. Verweerder kan een bewonersvergunning verlenen aan de bewoner van een vergunninggebied, die ook houder is van een motorvoertuig. Aan een bewoner van een vergunninggebied kan ook een bezoekersvergunning worden verleend. [1] Een bewoners- en bezoekersparkeervergunning kan worden verleend als is voldaan aan een aantal cumulatieve voorwaarden. [2] Eén van deze cumulatieve voorwaarden is dat de aanvrager een “bewoner” is die in een vergunninggebied woont. Een “bewoner” is “
een ingezetene als bedoeld in de Wet basisregistratie personen, die in de basisregistratie personen op een adres in de [gemeente] is ingeschreven.” [3] (BRP-eis).Voldoet een aanvraag niet aan de voorwaarden, dan moet verweerder de vergunning weigeren. [4] Verweerder kan één of meer van deze regels echter buiten toepassing laten of daarvan afwijken, als de toepassing ervan leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, gelet op het belang van de Regeling. [5] Verder moet verweerder de Regeling toepassen, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de Regeling te dienen doelen. [6]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de vergunningsaanvragen van eiser mocht weigeren. De rechtbank licht hierna toe hoe zij tot dit oordeel komt.
Mocht verweerder de BRP-eis stellen?
6. Niet in geschil is dat eiser in de BRP niet staat ingeschreven op het adres aan de [adres] in Den Haag. Hij voldoet dus niet aan de BRP-eis (één van de cumulatieve voorwaarden) voor verkrijging van bewoners- en bezoekersparkeervergunning. Eiser vindt dat de BRP-eis te streng is, omdat hij maximaal drie maanden per jaar wel aan de [adres] in Den Haag woont en omdat hij regionale en gemeentelijke belastingen en voor nutsvoorzieningen betaalt voor dat adres.
6.1
De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of verweerder de BRP-eis, als voorwaarde voor het verlenen van de gevraagde parkeervergunningen, in de Regeling mocht stellen. De Regeling is een beleidsregel. [7] Dat brengt met zich dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit inhoudende de vaststelling van de Regeling. [8] De rechtbank kan wel in een concrete zaak de rechtmatigheid van de Regeling toetsen. Dit heet exceptieve toetsing. Deze manier van toetsen houdt in dat de Regeling buiten toepassing blijft, als de rechtbank oordeelt dat deze beleidsregel in strijd is met hoger recht, zoals een wet in formele zin of een algemeen rechtsbeginsel. Het is aan het regelgevend bevoegd gezag om de verschillende belangen, die bij het vaststellen van beleid betrokken zijn, tegen elkaar af te wegen. In de exceptieve toetsing van een beleidsregel door de rechtbank spelen geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid een rol. [9]
6.2
Verweerder heeft toegelicht dat hij met de BRP-eis in de Regeling invulling heeft gegeven aan de discretionaire bevoegdheid om parkeervergunningen te verlenen. Daarbij heeft verweerder voor het toekennen van een bewoners- en bezoekersparkeervergunning bewust gekozen voor de eis van een inschrijving in de BRP. Dit is volgens verweerder een eenduidig en objectief toetsingscriterium en dat bijdraagt aan een zo eerlijk en effectief mogelijk, uitvoerbaar en controleerbaar vergunningsstelsel ter behoeve van de parkeerregulering. Verweerder acht de BRP-eis noodzakelijk om de schaarse parkeerruimte te reguleren en de steeds toenemende parkeerdruk te beheersen.
6.3
De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de gegeven toelichting in het bestreden besluit en het verweerschrift afdoende heeft gemotiveerd waarom is gekozen voor de BRP-eis. De rechtbank acht die keuze, mede gelet op de aan verweerder toekomende beleidsruimte, geschikt en noodzakelijk, gelet op het belang van een goed uitvoerbaar en controleerbaar vergunningenstelsel en het reguleren van de schaarse parkeerruimte en toenemende parkeerdruk in Den Haag. Met de eis van een BRP-inschrijving is het begrip ‘bewoner’ voor iedereen objectief en duidelijk afgebakend. De rechtbank acht de door verweerder gemaakte belangenafweging in het algemeen ook niet onevenwichtig. Dat verweerder binnen de gegeven beleidsruimte ook voor een ander, ruimer criterium had kunnen kiezen (zoals het door eiser aangedragen criterium dat gemeentelijke en regionale belastingen worden betaald), of specifiek begunstigend beleid voor de wijk Benoordenhout had kunnen formuleren, maakt niet dat de keuze voor het geldende criterium van een inschrijving in het BRP onevenredig en daarmee onrechtmatig is. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat aan de BRP-eis zodanige gebreken kleven dat die bepaling buiten toepassing gelaten moet worden.
Moest verweerder de hardheidsclausule toepassen?
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder mocht concluderen dat toepassing van de BRP-eis in het geval van eiser niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Er bestaan namelijk alternatieven voor eiser, zoals betaald parkeren of gebruik maken van een bezoekersvergunning van buurtgenoten. De stelling van eiser dat de hogere kosten van betaald parkeren niet in verhouding staan tot de kosten voor normaal gebruik volgt de rechtbank niet, omdat eiser zijn stelling niet met cijfers heeft onderbouwd. Bovendien leiden hogere kosten van ‘betaald parkeren’, bij het niet voldoen aan de eisen voor verlening van een bewoners- of bezoekersvergunning, in de regel niet tot onbillijkheden van overwegende aard. [10] Hoewel het begrijpelijk is dat het weigeren van de bewoners- en bezoekersvergunning leidt tot enig ongemak voor eiser als hij wil parkeren buiten het ‘betaald parkeren’-gebied, hoefde verweerder dat ongemak niet aan te merken als een onbillijkheid van overwegende aard, vanwege de belangen die de Regeling dient. Daarbij acht de rechtbank het van belang dat eiser nog altijd in de buurt van zijn woning kan parkeren, zij het tegen hogere kosten. Verweerder hoefde daarom de hardheidsclausule niet toe te passen in het geval van eiser.
Moest verweerder de Regeling in het geval van eiser buiten toepassing te laten?
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de Regeling in het geval van eiser niet buiten toepassing hoefde te laten en daarvan ook niet hoefde af te wijken. Niet is gebleken dat de gevolgen voor eiser vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de Regeling te dienen doelen. [11] Volgens eiser is er geen parkeerprobleem in de [straatnaam] en veroorzaakt hijzelf geen parkeerprobleem, omdat hij maar drie maanden per jaar ter plekke parkeert. Los van het feit dat eiser met de drie verklaringen van buurtbewoners zijn stelling niet met cijfers of andere objectieve data heeft onderbouwd, zijn dit zijn geen bijzondere omstandigheden. Verweerder mocht er daarbij op wijzen dat de gevolgen van de toenemende parkeerdruk en de schaarse ruimte binnen de gemeente ook wijken met lagere parkeerdruk kunnen raken vanwege het zogenoemde ‘waterbedeffect’. Met de BRP-eis beoogt verweerder de parkeerdruk in de gehele [gemeente] te reguleren en daarmee de schaarse ruimte in de gemeente zo optimaal en eerlijk mogelijk te verdelen. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvragen van eiser voor een bewoners- en bezoekersparkeervergunning mocht weigeren. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026
.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Gemeentewet

Artikel 225

1.
In het kader van de parkeerregulering kunnen de volgende belastingen worden geheven: (…)
b) een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:3

(…)
4. Onder beleidsregel wordt verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan

Artikel 8:3

1. Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit:

a.
inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel, (…)

Artikel 4:84

Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting Den Haag 2022

Artikel 2:2 Vergunningen Pro

1. Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen of parkeerapparatuurplaatsen.

2. Het college kan regels stellen voor het aanvragen en verlenen van een vergunning.

3. Het college kan de volgende vergunningen verlenen:

o
a. een bewonersvergunning, aan de bewoner van een vergunninggebied die tevens houder is van een motorvoertuig;
(…)
o
d. een bezoekersvergunning bewoners, aan een bewoner van een vergunninggebied, ten behoeve van het parkeren van een motorvoertuig van een bezoeker van de bewoner;

Regeling parkeerregulering en parkeerbelastingen 2022

Artikel 1.1. Begripsomschrijvingen

1. (…)

2.
Deze regeling verstaat onder:
bewoner:
ingezetene als bedoeld in de Wet basisregistratie personen, die in de basisregistratie personen op een adres in de gemeente Den Haag is ingeschreven;

Artikel 4.1.2 Weigeringsgronden

1. Het college weigert een parkeervergunning als:

a) de aanvraag niet voldoet aan de gestelde voorwaarden; (…)

Artikel 4.2.1 Bewonersvergunning

1. Het college kan een eerste bewonersvergunning verlenen aan een bewoner die

a.
in een vergunninggebied woont;(…)

Artikel 4.2.10 Bezoekersvergunning voor bewoners

1. Het college kan een parkeervergunning voor bezoek verlenen aan een bewoner die:

a.
in een vergunninggebied woont; (…).

Artikel 6.1 Hardheidsclausule

Het college kan een of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover de toepassing daarvan gelet op het belang van deze regeling leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Voetnoten

1.Artikel 225, eerste lid en sub b van de Gemeentewet in samenhang met artikel 2:2, onder a en onder d van de Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Den Haag 2022 (Verordening).
2.Artikel 4.2.1, eerste lid van de Regeling parkeerregulering en parkeerbelastingen Den Haag 2022 (Regeling) en artikel 4.2.10, eerste lid van de Regeling.
3.Artikel 1.1, tweede lid van de Regeling.
4.Artikel 4.1.2, aanhef en onder a van de Regeling.
5.Artikel 6.1 van de Regeling (hardheidsclausule).
6.Artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
7.Artikel 1:3, vierde lid van de Awb.
8.Artikel 8:3, eerste lid onder a van de Awb.
9.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
10.Uitspraak van de Afdeling van 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1091 en uitspraak van de Afdeling van 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4614.
11.Artikel 4:84 van Pro de Awb.