ECLI:NL:RBDHA:2026:17703

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL26.33801 en NL26.34743
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwArt. 96a Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring en niet-ontvankelijkheid kennisgeving voortduring

De minister heeft op 5 februari 2026 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser, die hiertegen beroep instelde. De rechtbank heeft eerder op 16 april 2026 geoordeeld dat de maatregel tot dat moment rechtmatig was. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de maatregel sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 10 april 2026.

Eiser stelt dat hij onnodig lang in bewaring zit zonder zicht op uitzetting naar Algerije, mede omdat de lp-aanvraag al maanden loopt zonder resultaat en de minister onvoldoende voortvarend zou handelen. De rechtbank oordeelt dat er wel degelijk zicht is op uitzetting, mede omdat de minister regelmatig contact onderhoudt met de Algerijnse autoriteiten en eiser niet volledig meewerkt aan het verkrijgen van documenten.

De rechtbank concludeert dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld en dat geen lichter middel passend is. Tevens is de maximale bewaringsduur van zes maanden nog niet bereikt, waarbij eerdere bewaringstermijnen worden meegeteld. Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel wordt daarom ongegrond verklaard.

Daarnaast verklaart de rechtbank het beroep voortvloeiend uit de kennisgeving van de minister niet-ontvankelijk, omdat dit beroep overbodig is nu het eerdere beroep al is beoordeeld. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het beroep voortvloeiend uit de kennisgeving niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.33801 en NL26.34743

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. S. Oukil),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. Ö. Sari).

Procesverloop

1. De minister heeft op 5 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer NL26.33801.
1.2.
De minister heeft een kennisgeving voortduring bewaring aan de rechtbank verzonden. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. [2] Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer NL26.34743.
1.3.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 26 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande berichtgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 16 april 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 10 april 2026.
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Het beroep van eiser (NL26.33801)
Standpunten eiser
4. Eiser voert aan dat hij al sinds 5 februari 2026 in de huidige vreemdelingenbewaring zit. Er is geen sprake van een presentatie bij de Algerijnse autoriteiten en een verklaring hiervoor blijkt ook niet uit de stukken. Ook is niet duidelijk waarom de resultaten van het lp [3] -traject niet bekend zijn, nu deze al maanden geleden is opgestart. Er is dan ook geen zicht op uitzetting en de minister handelt onvoldoende voortvarend om tot een uitzetting te komen. Eiser meent dat hij onnodig lang in vreemdelingenbewaring zit en dat zijn belang, gelet op het tijdsverloop, zwaarder gewogen dient te worden.
Beoordeling rechtbank
5. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt. [4] De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De lp-aanvraag is nog steeds in onderzoek en op dit moment zijn er geen aanknopingspunten dat de Algerijnse autoriteiten geen lp aan eiser zullen afgeven. Daar komt bij dat de minister afhankelijk is van de medewerking van de Algerijnse autoriteiten. Ook acht de rechtbank van belang dat in onderhavige procedure niet is gebleken dat eiser alle mogelijkheden heeft benut om invulling te geven aan de op hem rustende medewerkingsplicht. Zo heeft eiser tijdens het vertrekgesprek van 11 mei 2026 verklaard dat hij de afgelopen weken niets heeft gedaan ter verkrijging van nieuwe documenten. De enkele verklaring van eiser dat hij via zijn moeder heeft geprobeerd om aan documenten te komen, maar dat zij niet wil dat hij terugkeert naar Algerije vanwege zijn problemen daar, acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Niet is uitgesloten dat, indien eiser zijn volledige medewerking verleent, de Algerijnse autoriteiten (sneller) zullen overgaan tot het verlenen van een lp. Ook hierom is het zicht op uitzetting gegeven.
5.1.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure voldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister heeft regelmatig schriftelijk gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten, laatstelijk op 4 juni 2026. Daarnaast heeft op 11 mei 2026 en 9 juni 2026 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. De rechtbank ziet geen reden om op basis van deze gang van zaken te concluderen dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel zou kunnen volstaan of dat de voortzetten van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn.
5.3.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was. [5]
5.4.
De rechtbank stelt tot slot vast dat de zes maandentermijn (180 dagen), waarbij de minister gehouden is om een verlengingsbesluit te nemen, nog niet is verstreken. In het arrest Aroja van 5 maart 2026 [6] heeft het Hof [7] geoordeeld dat alle perioden van bewaring, waarin een vreemdeling heeft gezeten ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit, bij elkaar moeten worden opgeteld bij het bepalen van de maximale bewaringsduur. De minister heeft op de zitting desgevraagd aangegeven dat de totale duur van bewaring, onder hetzelfde terugkeerbesluit, nog geen 180 dagen bedraagt. Zo heeft de minister toegelicht dat een eerdere inbewaringstelling heeft geduurd van 24 september 2025 tot 9 oktober 2025 (15 dagen) en dat onderhavige maatregel op 5 februari 2026 is opgelegd en daarmee 142 dagen duurt.
De kennisgeving (NL26.34743)
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister de kennisgeving onnodig heeft gedaan, omdat eiser zelf al beroep tegen het voortduren van de maatregel heeft ingesteld. [8] Nu het beroep tegen het voortduren van de maatregel al op grond van het beroepschrift met zaaknummer NL26.33801 is beoordeeld, bestaat voor partijen geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep dat is ontstaan als gevolg van de door de minister ingediende kennisgeving. De rechtbank zal het beroep met zaaknummer NL26.34743 daarom niet-ontvankelijk verklaren.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep van eiser met zaaknummer NL26.33801 is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Het beroep met zaaknummer NL26.34743 is niet-ontvankelijk.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep met zaaknummer NL26.33801 ongegrond;
  • verklaart het beroep met zaaknummer NL26.34743 niet-ontvankelijk;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie artikel 96a, eerste lid, van de Vw.
3.Laissez-passer.
4.Zie de Afdelingsuitspraken van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892, bevestigd in de uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.
5.Zie het arrest Adrar van het Hof van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647).
6.ECLI:EU:C:2026:148.
7.Hof van Justitie van de Europese Unie.
8.Zie artikel 96a, derde lid, van de Vw.