ECLI:NL:RBDHA:2026:17700

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL26.27173
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 106 VwArt. 5.1b Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid en schadevergoeding bij maatregel van bewaring vreemdeling

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. De bewaring was opgeheven voordat de zitting plaatsvond, waardoor de beoordeling zich beperkte tot de vraag of de tenuitvoerlegging onrechtmatig was en of schadevergoeding toekwam.

Verweerder stelde dat de bewaring noodzakelijk was vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en een significant risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. Eiser betwistte slechts één zware grond en voerde aan dat een lichter middel had moeten worden toegepast, omdat hij de intentie had om terug te keren naar Algerije.

De rechtbank oordeelde dat de onbetwiste gronden voldoende waren om de bewaring te dragen en dat verweerder terecht had geoordeeld dat geen minder dwingende maatregel doeltreffend was. De intentie van eiser om terug te keren woog niet op tegen het sterke onttrekkingsrisico. De bewaring was tot de opheffing rechtmatig, ook na ambtshalve toetsing.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27173

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 19 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Gronden voor de maatregel
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser heeft betoogd dat zware grond 3d hem niet mocht worden tegengeworpen.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden 3a, 3b en 3k, alsook de lichte gronden 4a, 4c en 4d, niet heeft betwist. Deze onbetwiste gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
5. Eiser voert aan dat verweerder voorafgaande aan de opheffing van de bewaring had moeten volstaan met een lichter middel, omdat er geen onttrekkingsrisico aanwezig was bij eiser. Eerder verklaarde eiser in het gehoor op 8 mei 2026 namelijk dat hij naar Algerije terug wil keren en niet naar Spanje. Eiser stelt dat hij aanvankelijk dacht contact te hebben gehad met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) in verband met zijn terugkeer naar Algerije. Alhoewel achteraf bleek dat de organisatie waarmee hij contact heeft gehad het Meldpunt Perspectief (het Meldpunt) was, was er wel steeds de intentie om te vertrekken vanuit Nederland naar Algerije volgens eiser. Om deze reden had er ook kunnen worden volstaan met een lichter middel in eisers optiek.
6. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat uit de gronden van de maatregel een sterk onttrekkingsrisico naar voren komt. Dat eiser in het gehoor stelde dat hij contact heeft gehad met de IOM / het Meldpunt betreffende zijn terugkeer naar Algerije weegt niet op tegen het sterke onttrekkingsrisico. Pas toen het Meldpunt bij verweerder bevestigde dat eiser werkte aan zijn terugkeertraject, heeft verweerder de bewaring opgeheven op 19 mei 2026. Naar het oordeel van de rechtbank was de oplegging van de bewaringsmaatregel voor de gehele duur ervan rechtmatig tot de opheffing van de bewaringsmaatregel in combinatie met de oplegging van een meldplicht, omdat er pas op dat moment voldoende concrete indicaties waren dat eiser daadwerkelijk werkte aan zijn vertrek naar Algerije. Deze beroepsgrond daarom slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van de opheffing van de bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.