ECLI:NL:RBDHA:2026:1767

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
25/781
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.8 Besluit bouwwerken leefomgevingArt. 3.9 Besluit bouwwerken leefomgevingArt. 3.10 Besluit bouwwerken leefomgevingArt. 3.11 Besluit bouwwerken leefomgevingArt. 3.12 Besluit bouwwerken leefomgeving
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoek opslag materialen op dak uitbouw wegens constructieve veiligheid

Eisers hebben een handhavingsverzoek ingediend tegen belanghebbenden vanwege opslag van dakpannen en een ladder op het dak van een uitbouw, uit vrees voor de constructieve veiligheid van hun aangrenzende woning. Het college van burgemeester en wethouders van Hillegom wees dit verzoek af, stellende dat de constructieberekeningen en een extern deskundigenrapport geen gevaar voor de constructieve veiligheid aantonen.

Eisers voerden aan dat het college een te beperkt toetsingskader hanteerde en onvoldoende onderzoek deed, waaronder het ontbreken van een locatiebezoek en metingen. Ook stelden zij dat het beroep tevens moest gelden als beroep wegens niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelde dat het college terecht alleen aan artikel 3.8 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) toetste, omdat het handhavingsverzoek zich richtte op bestaande bouw en niet op verbouw.

De rechtbank vond dat het college zich op goede gronden baseerde op de constructieberekeningen en het deskundigenrapport, en dat eisers onvoldoende aannemelijk maakten dat deze onjuist waren. Het beroep wegens niet tijdig beslissen werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het college de dwangsom reeds had toegekend en het doel van de dwangsom was bereikt.

Het verzoek van belanghebbenden om het beroep wegens misbruik van procesrecht af te wijzen werd gehonoreerd. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat eisers geen proceskostenvergoeding krijgen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek is ongegrond verklaard en het beroep tegen niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/781

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van Hillegom

(gemachtigde: mr. T.E.M. Burghardt).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij 1] en [derde-partij 2] uit [woonplaats] (belanghebbenden).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een door eisers ingediend handhavingsverzoek. Op het dak van de uitbouw van belanghebbenden zijn een aantal dakpannen en een ladder opgeslagen. Eisers vrezen dat de belasting van deze materialen gevolgen zal hebben voor de constructieve veiligheid van hun eigen, aangrenzende woning. Het college heeft het verzoek van eisers om handhavend op te treden tegen belanghebbenden afgewezen. Eisers zijn het niet eens met deze afwijzing en voeren daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen is
niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 22 mei 2024 heeft het college het handhavingsverzoek van eisers afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 december 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Belanghebbenden hebben ook schriftelijk gereageerd. Eisers en belanghebbenden hebben aanvullende stukken ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van het college, belanghebbende [derde-partij 1] en zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Belanghebbenden wonen aan de [adres 1] . Eisers wonen op een perceel achter belanghebbenden aan de [adres 2] . Op het dak van de uitbouw van belanghebbenden zijn een aantal dakpannen en een ladder opgeslagen. Eisers vrezen dat de belasting van deze materialen uiteindelijk gevolgen zal hebben voor de constructieve veiligheid van hun eigen, aangrenzende woning. Bij brief van 19 maart 2024 hebben eisers het college verzocht om handhavend op te treden.
3.1.
Het college heeft het handhavingsverzoek afgewezen. Het college acht de vrees voor de constructieve veiligheid van de woning van eisers als gevolg van de opslag van de materialen ongegrond. Uit de aanwezige constructieberekeningen en de beoordeling daarvan door een externe deskundige blijkt dat het dak de belasting aankan en dat de constructieve veiligheid van de woning van eisers daardoor niet in het geding komt.
Het beroep
4. Eisers kunnen zich niet verenigen met de afwijzing van het handhavingsverzoek. Volgens eisers heeft het college een te beperkt juridisch kader toegepast. Het college heeft slechts getoetst aan artikel 3.8 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), maar niet aan de artikelen 3.9 tot en met 3.13, 3.36 tot en met 3.41 en 5.4, 5.9, 5.10 en 5.13 van dat besluit. Daarnaast is het college niet ingegaan op het feit dat er berekeningen ontbraken die uitsluitsel geven over de impact van deze belasting op andere kritieke delen van de draagconstructie, met name op de gevel en fundering van eisers. Verder heeft ten onrechte geen locatiebezoek plaatsgevonden en zijn geen metingen verricht. Op basis daarvan zou het college hebben moeten vaststellen dat de gegevens waarop de constructieberekening is gebaseerd onvolledig en onjuist zijn, aldus eisers.
4.1.
Eisers stellen verder dat het beroep ook moet worden gezien als een beroep wegens niet tijdig beslissen. Het college heeft volgens eisers in de beslissing op bezwaar ten onrechte niet gereageerd op enkele bezwaargronden. Nu er daarom nog altijd niet volledig is beslist op het bezwaar, is het college nog steeds in gebreke en is een dwangsom verschuldigd.
Het verweer
5. Het college licht toe dat het op basis van een handhavingsverzoek onderzoekt of een wettelijke bepaling is overtreden. In het verzoek om handhaving is bij herhaling benadrukt dat de vermeende overtreding daarin schuilt dat het platte dak de extra belasting die daarop is aangebracht mogelijk niet zou kunnen dragen. Het college kon dit niet anders opvatten dan dat gevreesd wordt voor de constructieve veiligheid van feitelijk bestaande bouw en niet vanwege verbouw. Het college stelt zich daarom op het standpunt dat terecht niet is getoetst aan andere bepalingen van het Bbl dan artikel 3.8. Op grond van het eerste lid van deze bepaling, dient een bouwwerk bestand te zijn tegen krachten die tijdens het beoogde gebruik op het bouwwerk worden uitgeoefend. Eisers hebben volgens het college evenmin nader geconcretiseerd waarom er in strijd is gehandeld met andere bepalingen dan artikel 3.8 Bbl.
5.1.
Met betrekking tot de constructieberekeningen stelt het college het volgende. De door belanghebbenden aangeleverde constructieberekeningen zijn door het college voorgelegd aan een externe ingenieur van [bedrijf] . Uit de berekeningen van deze deskundige volgt de conclusie dat de op het dak aanwezige belasting geen gevaar vormt voor zowel de hoofddraagconstructie van het gebouw zelf als voor de naastgelegen woningen. Ten aanzien van de impact die de last zou hebben op andere delen van de draagconstructie merkt het college op dat het de constructieve veiligheid van het dak integraal heeft getoetst. Het college kan zich dan ook niet vinden in het standpunt van eisers dat er onzorgvuldig is gehandeld. Het college heeft de standpunten van eisers steeds voorgelegd aan de ingeschakelde deskundige, ondanks het ontbreken van een deskundig tegenadvies.
Toetsingskader
6. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de afwijzing van het handhavingsverzoek. De rechtbank stelt daarbij voorop dat het college alleen handhavend kan en mag optreden als er sprake is van een overtreding als bedoeld in artikel 5:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Reikwijdte handhavingsverzoek7. Over het betoog van eisers dat het handhavingsverzoek te beperkt is opgevat omdat uitsluitend aan artikel 3.8 van het Bbl is getoetst, overweegt de rechtbank als volgt.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat een handhavingsverzoek voldoende concreet moet zijn, zodat duidelijk is vanwege welke overtreding volgens de indiener gehandhaafd moet worden. Het ligt op de weg van eisers om een aanknopingspunt te bieden voor het onderzoek naar de vraag of een belanghebbende tegen wie het handhavend optreden gevraagd wordt, een overtreding begaat. Het is dan aan het bevoegd gezag om te onderzoeken of sprake is van een overtreding. [1]
6.2.
Gelet op de reikwijdte van het handhavingsverzoek ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het college het handhavingsverzoek te beperkt heeft opgevat, door te toetsen of het bouwwerk van belanghebbenden voldoet aan artikel 3.8 van het Bbl. In het handhavingsverzoek wordt door eisers gesteld dat uit de constructieberekeningen blijkt dat het dak van de uitbouw niet stevig genoeg is voor de daarop liggende belasting en dat zij daarom vrezen voor schade aan hun woning. Eerst in bezwaar en beroep hebben eisers aangevoerd dat de constructieve veiligheid bij brand had moeten worden onderzocht en hebben zij op bepalingen van het Bbl over verbouw gewezen. Het handhavingsverzoek is daar niet op gericht en uit vaste rechtspraak volgt dat een handhavingsverzoek niet kan worden uitgebreid nadat daar een primair besluit op is genomen. [2] Verder staat vast dat de uitbouw al geruime tijd is gerealiseerd. Ook om die reden kan de rechtbank het college volgen in het standpunt dat het handhavingsverzoek geen aanleiding geeft voor toetsing aan bepalingen van het Bbl die betrekking hebben op verbouw.
6.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Constructieberekeningen
7. Over het betoog van eisers dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de draagconstructie overweegt de rechtbank het volgende.
7.1.
Uit het dossier blijkt dat zowel de door belanghebbenden overgelegde constructieberekeningen van een ingenieursbureau, als een beoordeling daarvan door de door het college ingeschakelde deskundige van [bedrijf] , aan het bestreden besluit ten grondslag liggen. De door het college ingeschakelde deskundige komt tot de conclusie dat de aanwezige belastingen op het dak geen gevaar vormen voor de hoofddraagconstructie van het gebouw. Dit geldt zowel voor de woning direct onder het dak, als voor alle naastgelegen woningen. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld door het overleggen van een tegenrapport van een deskundige, dat de deskundige is uitgegaan van onjuiste gegevens en dat de in zijn berekeningen neergelegde conclusies onjuist zijn. De door eisers overgelegde berekeningen van een anonieme constructeur, die de door het college ingeschakelde deskundige overigens inhoudelijk heeft betwist, kunnen niet gelijk worden gesteld met een deskundig tegenadvies. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet mocht afgaan op de bevindingen van de door hem ingeschakelde deskundige. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het college de voorafgaand aan het bestreden besluit door eisers geplaatste kanttekeningen steeds aan de ingeschakelde deskundige heeft voorgelegd. De geplaatste kanttekeningen zijn gemotiveerd door deze deskundige weerlegd. Dat geldt ook voor de opmerkingen van eisers over het normenkader voor vervormingen en over extra permanente belasting. In verband daarmee ziet de rechtbank ook geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college onderzoek op locatie had moeten verrichten.
7.2.
Gelet op het voorgaande heeft het college zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat geen sprake is van overtreding van artikel 3.8 van het Bbl. De rechtbank overweegt ten overvloede dat op zitting aan de orde is gekomen dat onder de plek waar de dakpannen zijn opgeslagen, zich een muur bevindt, waardoor de maximale belasting op die plek sterker is dan volgens de uitgevoerde berekeningen. Eisers hebben dit niet betwist.
7.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Het verzoek van eisers om een dwangsom wegens niet tijdig beslissen vast te stellen
8. Het bestreden besluit van 3 december 2024 is, naar tussen partijen niet in geschil is, genomen buiten de daarvoor gestelde termijn. Het college heeft erkend dat niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling een beslissing op bezwaar is genomen en dat het daarom aan eisers een dwangsom verschuldigd is voor een periode van dertien dagen. Deze dwangsom is met de brief van 19 december 2024 aan eisers toegekend. Eisers hebben op 10 januari 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
8.1.
De rechtbank volgt eisers niet in het standpunt dat het college op dit moment nog altijd in gebreke is, omdat het bestreden besluit volgens hen onjuist dan wel onvolledig is. Het doel van het middel van de dwangsom is het onder druk zetten van een bestuursorgaan om verdere vertraging van de besluitvorming te voorkomen. Dat doel is met het besluit op bezwaar verwezenlijkt. Voor de toepassing van de dwangsombepalingen is niet vereist dat een genomen beslissing rechtens ook juist is. [3]
8.2.
Gelet op het voorgaande hebben eisers geen procesbelang bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank zal het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen daarom niet-ontvankelijk verklaren.
Misbruik van procesrecht
9. Belanghebbenden hebben de rechtbank verzocht het beroep van eisers
niet-ontvankelijk te verklaren wegens misbruik van procesrecht. Ook hebben zij verzocht om eisers om die reden te veroordelen in de door hen gemaakte proceskosten.
9.1.
De rechtbank wijst dit verzoek af en overweegt daarover het volgende.
9.2.
De bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen kan niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Daarvan kan sprake zijn als rechten of bevoegdheden zodanig evident worden aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of plichten blijk geeft van kwade trouw. [4]
9.3.
Hoewel de rechtbank begrijpt dat de herhaalde verzoeken om handhaving belastend zijn voor belanghebbenden, ziet de rechtbank op dit moment geen aanknopingspunt voor het oordeel dat eisers misbruik van recht hebben gemaakt door het instellen van beroep. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het beroep betrekking heeft op de constructieve veiligheid van een bouwwerk dat tegen de woning van eisers is aangebouwd. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat zij er nadeel van kunnen ondervinden als dat bouwwerk niet bestand zou zijn tegen de krachten die daarop worden uitgeoefend.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Dat betekent dat het college het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.A. van der Meijs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 18 april 2018, ECLI:NL:CBB:2018:128, onder 4.2.1.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
3.Vgl. de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3644, onder 4.1.1.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2163, onder 5.