ECLI:NL:RBDHA:2026:17652

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.32207
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 96 VwArt. 9 OpvangrichtlijnRichtlijn 2013/33/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing maatregel van bewaring wegens onrechtmatigheid voortduring in asielprocedure

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, zit sinds 7 september 2025 in bewaring op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van de maatregel tot het sluiten van het onderzoek bevestigd. Het beroep richt zich op het voortduren van de bewaring na die datum.

Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, met een te late belangenafweging en het niet betrekken van prejudiciële vragen die de asielprocedure vertragen. De rechtbank overweegt dat geen zicht op uitzetting vereist is bij deze bewaring en dat de minister binnen de wettelijke termijnen heeft gehandeld.

De rechtbank constateert dat het asielberoep van eiser vanwege prejudiciële vragen en planning niet vóór het einde van de verlengde bewaringstermijn kan worden behandeld. Dit maakt voortzetting van de bewaring onevenredig en daarmee onrechtmatig. De rechtbank beveelt daarom opheffing van de maatregel met ingang van de uitspraakdatum.

Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat de onrechtmatigheid pas op de dag van opheffing ontstaat. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.868,-. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank beveelt opheffing van de maatregel van bewaring wegens onrechtmatigheid voortduring en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32207

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

De minister heeft op 22 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Daarbij waren de gemachtigde van eiser en een gemachtigde van de minister aanwezig.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1991.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 15 mei 2026 (in de zaak NL26.24185) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt. De minister heeft te laat een belangenafweging gemaakt na negen maanden. Eiser zit vanaf 7 september 2025 in bewaring en er is op 9 juni 2026 een belangenafweging gemaakt. Dit is twee dagen te laat. Bovendien had de minister in de belangenafweging moeten betrekken dat de beroepsprocedure in de asielzaak van eiser voor onbepaalde tijd is aangehouden in verband met prejudiciële vragen die deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, op 7 januari 2026 heeft gesteld aan het Hof van Justitie. Dit heeft de minister ten onrechte niet gedaan. Er is binnen afzienbare tijd dan ook geen sprake van zicht op uitzetting, aldus eiser.
4.1.
Ten aanzien van het zicht op uitzetting overweegt de rechtbank dat de grondslag van de maatregel in onderhavige zaak berust op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw. Uit de Afdelingsjurisprudentie [1] volgt dat er geen zicht op uitzetting is vereist bij bewaring op grond van artikel 59b van de Vw. Om die reden treft deze beroepsgrond van eiser geen doel.
4.2.
Met betrekking tot het voortvarend handelen van de minister, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2021 [2] . De Afdeling kwam daar tot het oordeel dat de termijn van artikel 59b, tweede lid, van de Vw als een uitwerking in het nationale recht van artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn [3] moet worden gezien. Om van voortvarendheid te mogen spreken, moet er binnen deze termijn voldoende voortvarend gehandeld worden door de minister in de asielprocedure, zodat een vreemdeling voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden. In onderhavige zaak heeft eiser op 20 april 2026 asiel aangevraagd, is er op 29 april 2026 een voornemen inzake de afwijzing van de asielaanvraag overgelegd door de minister en is op 2 mei 2026 een besluit genomen waarin de asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond. In diezelfde beschikking is bepaald dat de bewaring van eiser met ten hoogste drie maanden wordt verlengd. Op 4 mei 2026 is er beroep ingesteld en een voorlopige voorziening aangevraagd.
5. Zoals de rechtbank in haar uitspraak van 15 mei 2026 al heeft geoordeeld, is de grondslag van de bewaring op grond van 59b van de Vw gelegen in de Opvangrichtlijn. Uit artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn volgt dat de bewaring zo kort als mogelijk dient te duren. Om (niet aan partijen te wijten) redenen is het op dit moment niet mogelijk om het asielberoep van eiser op zitting te plannen. Ter zitting betoogt de minister dat de verlengde bewaring uiterlijk op 2 augustus 2026 afloopt. Nu er inmiddels een conclusie is van de advocaat-generaal, is het mogelijk dat eisers asielberoep vóór 2 augustus 2026 kan worden behandeld. De kans dat dit nog vóór 2 augustus 2026 gaat lukken acht de rechtbank echter verwaarloosbaar, te meer nu er enkel nog een conclusie van de advocaat-generaal ligt en er geen zicht is op een spoedige beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof van Justitie. Bovendien moet daarna nog de zitting worden gepland waarop het asielberoep van eiser kan worden behandeld. Bij deze stand van zaken moet er dus van worden uitgegaan dat het asielberoep van eiser pas zal kunnen worden behandeld na het aflopen van de bewaringstermijn op 2 augustus 2026. Dit is een belangrijke omstandigheid die de rechtbank bij de vraag naar de evenredigheid van de maatregel reeds nu in ogenschouw dient te nemen. De rechter moet (ambtshalve) immers alle relevante feiten en omstandigheden betrekken bij de vraag naar de rechtmatigheid van (het voortduren van) de vrijheidsontneming.
6. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat voortduring van de bewaring niet langer evenredig is en daardoor ook niet langer rechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag.
7. Omdat de bewaring onrechtmatig is geworden op de dag dat ook de opheffing van de maatregel wordt bevolen, ziet de rechtbank geen aanleiding om eiser schadevergoeding toe te kennen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van de Afdeling van 6 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1552 en 27 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1813.
3.Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013.