ECLI:NL:RBDHA:2026:17583

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.29240
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • P. Bruins
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b, eerste, derde en vierde lid, VreemdelingenbesluitArt. 4, hoofdstuk 4, Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000

De minister van Asiel en Migratie legde op 25 mei 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser, een Poolse nationaliteit dragende vreemdeling, op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep schriftelijk.

De rechtbank stelde vast dat eiser eerder meerdere keren vanuit Nederland naar Polen was uitgezet, maar telkens terugkeerde. De minister motiveerde de bewaring met het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken. Eiser voerde aan dat hij niet in staat was een duurzaam bestaan in Polen op te bouwen en dat lichtere maatregelen passend zouden zijn.

De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende had gemotiveerd dat geen minder ingrijpende maatregelen effectief zouden zijn en dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.29240
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. W. Vrooman).

Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben toestemming verleend om het beroep schriftelijk te behandelen. Eiser heeft op 27 mei 2026 beroepsgronden ingediend. De minister heeft op 1 juni 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 2 juni 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992.
2. In het dossier bevinden zich twee maatregelen van 25 mei 2026. De minister heeft aangegeven dat de versie met als tijdsaanduiding 18:18 uur de juiste maatregel is. De rechtbank stelt vast dat eiser bij het formuleren van de gronden ook hiervan uit is gegaan.
De grondslag van de maatregel
3. De rechtbank overweegt ambtshalve, onder verwijzing naar het arrest F.S.1, dat in een situatie waarin het verblijf van een Unieburger in een lidstaat is beëindigd en betrokkene het grondgebied van die lidstaat heeft verlaten, dient te worden nagegaan of het verblijf in die lidstaat daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Indien dat het geval is, kan bij een
1. Arrest van het HvJEU, van 22 juni 2021, C-719/19, ECLI:EU:C:2021:506.
terugkeer naar die lidstaat weer sprake zijn van rechtmatig verblijf en dient een nieuw beëindigingsbesluit te worden genomen om dit rechtmatig besluit te beëindigen. Omdat eiser in bewaring is gesteld op de grondslag dat hij geen rechtmatig verblijf heeft, dient de rechtbank ambtshalve te onderzoeken of van zo’n situatie sprake is. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Bij besluit van 15 oktober 2025 is het rechtmatig verblijf van eiser beëindigd en hij is op 18 mei 2026 uitgezet naar Polen. Vervolgens is eiser op 25 mei 2026 in Den Haag aangehouden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in de
tussenliggende periode van één week inspanningen heeft verricht om in Polen een duurzaam verblijf op te bouwen. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een materiële wijziging van omstandigheden van zijn verblijf in Nederland ten opzichte van de periode tot 18 mei 2026. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat het beëindigingsbesluit van 15 oktober 2025 nog steeds van kracht is en dat eiser op basis daarvan op grond van het bepaalde in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, in bewaring mocht worden gesteld.
De gronden van de maatregel
4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd niet heeft bestreden. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden zijn voldoende om aan te nemen dat sprake is van een risico op onttrekking en kunnen daarom de maatregel van bewaring dragen.

Lichter middel

6. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Hiertoe voert eiser aan dat het hem buiten zijn toedoen niet is gelukt om in Polen een duurzaam bestaan op te bouwen. Hij beschikte in Polen volgens hem niet over vaste woonruimte en had onvoldoende perspectief op betaald werk en inkomsten. Daarnaast stelt eiser dat hij al meermaals heeft aangegeven Nederland
zelfstandig te willen verlaten en daartoe ook in staat te zijn. Eiser heeft volgens hem de mogelijkheid om zelfstandig naar Duitsland, België of Polen te vertrekken, met behulp van vrienden. Volgens eiser had de minister concreet moeten onderzoeken of deze omstandigheden zouden hebben moeten leiden tot het opleggen van een minder ingrijpende maatregel zoals een meldplicht, het stellen van voorwaarden of het bieden van een korte vertrektermijn.
7. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
23 februari 20152 en 10 april 20153 en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 20144.
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Eiser is al drie keer eerder (op 24 februari 2026, 20 maart 2026 en 18 mei 2026) vanuit Nederland naar Polen uitgezet en telkens na korte tijd naar Nederland teruggekeerd. Bovendien heeft eiser op 16 april 2026 geen gebruik gemaakt van de hem door de politie geboden gelegenheid om zelfstandig naar Polen te vertrekken en heeft hij deze vertrekwens op dit moment niet nader geconcretiseerd. Onder die omstandigheden mocht de minister ervan afzien om nader onderzoek te doen naar de mogelijkheden om eiser een minder ingrijpende maatregel op te leggen. Dat eiser stelt dat het hem buiten zijn toedoen niet is gelukt om in Polen een bestaan op te bouwen, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat dit door hem niet nader is onderbouwd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toets

9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij voor het overige gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
4 ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van J.M. Pattynama, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
05 juni 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.