ECLI:NL:RBDHA:2026:17547

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.17664
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 3 EVRMArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en Zwitserland

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende vreemdeling, diende op 23 december 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling omdat Zwitserland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Nederland verzocht Zwitserland om terugname, wat werd geaccepteerd.

Eiser voerde aan dat hij in Zwitserland slecht behandeld zou zijn en dat hij in Nederland een duurzame relatie en familie heeft, waardoor overdracht een onevenredige hardheid zou vormen. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen heeft geleverd dat Zwitserland zijn internationale verplichtingen niet nakomt.

De rechtbank stelde vast dat de relatie met de partner niet valt onder de beschermde gezinsband van de Dublinverordening en dat de persoonlijke omstandigheden van eiser geen bijzondere, individuele omstandigheden vormen die overdracht onevenredig hard maken. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17664

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda)

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 30 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1
De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen. De gemachtigde van eiser is wel verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
2. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1977. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 23 december 2025 ingediend.
2.1.
Op 20 januari 2026 heeft Nederland aan Zwitserland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening)
.Zwitserland heeft dit verzoek op 23 januari 2026 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening.
Het bestreden besluit
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beroepsgronden
4. Eiser verzoekt om de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. Daarnaast voert eiser aan dat uit zijn relaas blijkt dat de autoriteiten in Zwitserland hem zeer slecht hebben behandeld. Eiser is daar niet volgens de regels behandeld en verweerder had nader onderzoek moeten doen. In Nederland heeft eiser family life in de zin van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) opgebouwd met zijn partner. Ter onderbouwing van de duurzame relatie heeft eiser een registratiekaart, whatsappberichten en foto’s overgelegd. Samen naar Zwitserland gaan is geen optie gezien de band van de partner met Nederland. Ook heeft eiser familie in Nederland wonen. Overdracht getuigt van onevenredige hardheid en verweerder moet de asielaanvraag op grond van humanitaire redenen aan zich trekken.
Beoordeling van het beroep
Verwijzing naar de zienswijze
5. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd op de zienswijze ingegaan. Voor zover eiser enkel verwijst naar zijn zienswijze zonder toe te lichten op welke punten het bestreden besluit volgens hem onjuist of onvolledig is en waarom, kan dit niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank zal zich dan ook beperken tot de bespreking van de gronden die in beroep zijn aangevoerd.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft onder meer in de uitspraak van 24 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:265) en de uitspraak van 10 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4864), bevestigd dat verweerder ten aanzien van Zwitserland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Eiser moet aan de hand van concrete aanwijzingen aannemelijk maken dat dit in zijn geval niet kan. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218, Jawo) volgt dat daarbij een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid geldt.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Zwitserland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Zwitserse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 van Pro het Handvest. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser geen landeninformatie heeft overgelegd. Eisers verklaringen over wat hij in Zwitserland heeft meegemaakt en waar hij voor vreest bevatten ook geen concrete aanwijzingen dat hij bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico loopt op een behandeling als hiervoor bedoeld. De rechtbank ziet niet in waarom verweerder nader onderzoek had moeten doen naar de Zwitserse praktijk. Dat Zwitserland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag wordt namelijk niet betwist. Ook heeft Zwitserland door middel van het claimakkoord gegarandeerd het opvolgende asielverzoek van eiser in behandeling te nemen en eisers situatie (waaronder een eventuele uitzetting) te zullen beoordelen met inachtneming van dezelfde beginselen en fundamentele waarden op het gebied van het asielrecht als in Nederland gelden. Voor zover eiser betoogt dat Zwitserland in strijd handelt met deze beginselen en bepalingen moet dit worden ingebracht en beoordeeld in Zwitserland (vgl. het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308, in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk). Het is niet gebleken dat eiser in Zwitserland heeft geklaagd bij de autoriteiten. Mocht eiser problemen ervaren in Zwitserland vanwege een slechte behandeling, dan is niet gebleken dat de Zwitserse autoriteiten niet willen of kunnen helpen of dat klagen bij voorbaat zinloos zal zijn. Uit wat eiser naar voren heeft gebracht volgt ook niet dat hij geen toegang zal krijgen tot een effectieve en inhoudelijke asielprocedure.
Onevenredige hardheid
7. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164, en 19 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1653) volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, niet van betekenis zijn voor de beoordeling of er zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’) van de Vc. In paragraaf C2/5 van de Vc staat verder dat verweerder terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, als Nederland daartoe op grond van de Dublinverordening niet verplicht is.
7.1.
Voor zover eiser een beroep doet op artikel 8 van Pro het EVRM, oordeelt de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat de Dublinverordening niet is bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een gezinslid in Nederland kan worden verkregen. Dit volgt uit de Afdelingsuitspraak van 11 januari 2018, (ECLI:NL:RVS:2018:74). Eiser heeft zijn gestelde duurzame en exclusieve relatie met zijn partner wel onderbouwd. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat eiser sinds mei 2025 een relatie heeft met zijn Letse partner, deze relatie is online begonnen en is nu fysiek. De partner van eiser werkt in Nederland en kan het land daarom niet verlaten. Het gaat om een duurzame en bijzonder hechte relatie. De rechtbank is van oordeel dat niet in geschil is dat de relatie nog niet bestond in het land van herkomst. Daarom is de gestelde partner geen gezinslid in de zin van artikel 2, onder g, van de Dublinverordening. Van een door de Dublinverordening beschermde gezinsband is dan ook geen sprake. Verder is het niet zo dat eiser bij overdracht zonder meer van zijn gestelde partner zal worden gescheiden omdat zij als Unieburger in Zwitserland mag verblijven en desgewenst met eiser naar Zwitserland kan reizen en/of zich daar kan vestigen. Dat er familie van eiser in Nederland woont heeft verweerder in redelijkheid ook niet hoeven aanmerken als een bijzondere, individuele omstandigheid die maakt dat overdracht van een onevenredige hardheid getuigt. Verweerder heeft de persoonlijke omstandigheden van eiser voldoende meegewogen en voldoende gemotiveerd waarom geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Zwitserland van onevenredige hardheid getuigt. De beroepsgrond slaagt niet.
7.2.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.