ECLI:NL:RBDHA:2026:17360

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
NL23.36060
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:4 AwbArt. 8:88 AwbArt. 8:90 AwbArt. 8:94 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in vreemdelingenprocedure

Verzoeksters, van Surinaamse nationaliteit, dienden een verzoek om schadevergoeding in wegens overschrijding van de redelijke termijn door de minister van Asiel en Migratie bij de behandeling van hun verblijfsvergunningaanvragen. De minister kende aanvankelijk een vergoeding van €1.000 toe, maar wees het overige verzoek af. De rechtbank kwalificeerde het beroep als een verzoekschrift op grond van de Awb en beoordeelde de overschrijding van de redelijke termijn.

De redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, werd overschreden met vier jaar, waarbij de totale procedure vijf jaar en zeven maanden duurde. Verzoekster overleed tijdens de procedure, waardoor haar aanspraak op schadevergoeding onder algemene titel overging op haar dochter, verzoekster II. De rechtbank berekende de vergoeding op basis van de duur van de overschrijding en de verdeling van de verantwoordelijkheid tussen de minister en de rechtbank.

De minister werd veroordeeld tot betaling van €2.727,27 en de Staat der Nederlanden tot €3.272,73 aan verzoekster II. Daarnaast werden proceskosten van €467 toegekend, waarvan de helft voor rekening van de minister en de helft voor de Staat komt. De rechtbank wees het verzoek om schadevergoeding toe en bepaalde dat het griffierecht wordt gerestitueerd.

Uitkomst: Verzoekster II krijgt een immateriële schadevergoeding van €6.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL23.36060
V-nummers: [v-nummer 1]
[v-nummer 2]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van [***] in de zaken tussen

wijlen [verzoekster 1] ,

geboren op [geboortedag 1] 1975, verzoekster,
en haar dochter:
[verzoekster 2], verzoekster II,
geboren op [geboortedag 2] 2002,
beiden van Surinaamse nationaliteit, hierna te noemen: verzoeksters
(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),
de minister van Asiel en Migratie [1] , de minister
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft de minister bepaald dat verzoeksters recht hebben op een immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 1.000,- en het verzoek van verzoeksters om schadevergoeding voor het overige afgewezen.
Verzoeksters hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dit is opgevat als een verzoek om een schadevergoeding.
De rechtbank heeft de minister op 10 maart 2026 in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken te reageren op het verzoek om een schadevergoeding. De minister heeft niet binnen de gestelde termijn gereageerd.
De rechtbank doet met toestemming van partijen uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

De bevoegdheid van de rechtbank
1. De rechtbank overweegt dat het bestreden besluit een besluit betreft inzake de vergoeding van schade wegens onrechtmatig bestuurshandelen. Tegen een dergelijk besluit kan op grond van artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb geen beroep worden ingesteld. De rechtbank is onbevoegd om van een dergelijk beroep kennis te nemen. De rechtbank ziet echter aanleiding het beroep van verzoeksters aan te merken als een (onzelfstandig) verzoekschrift als bedoeld in artikel 8:90 van Pro de Awb, met het verzoek aan de rechtbank om de minister op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de schade die zij door toedoen van de minister stellen te hebben geleden. [2] Uit het beroepschrift blijkt namelijk onmiskenbaar dat verzoeksters om schadevergoeding verzoeken.
Het verzoek om schadevergoeding
2. Verzoeksters hebben op 13 februari 2023 bij de minister een verzoek om schadevergoeding gedaan. Bij brief van 13 april 2023 heeft de minister verzoeksters verzocht om het schadeverzoek binnen twee weken nader te onderbouwen. Verzoeksters hebben hier op 1 mei 2023 op gereageerd.
3. In het bestreden besluit heeft de minister aan verzoeksters een schadevergoeding verleend van € 1.000,- (€500,- voor verzoekster en € 500,- voor verzoekster II) wegens het overschrijden van de redelijke termijn voor het nemen van een besluit met betrekking tot de aanvragen van verzoeksters tot wijziging van hun verblijfsvergunning met als doel ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ respectievelijk verblijf bij ouder van 4 oktober 2020. De minister heeft het verzoek tot schadevergoeding voor het overige afgewezen.
Beroepsgronden verzoeksters
4. Verzoeksters verzoeken om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zij menen dat de door de minister toegekende schadevergoeding van € 500,- per persoon voor een half jaar te weinig is. Zij stellen dat zij elk recht hebben op een schadevergoeding van € 1.750,- wegens overschrijding van de redelijke termijn met één en driekwart jaar.
Beoordeling door de rechtbank
5. De redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM [3] , is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Als een zaak wordt beslecht door middel van een uitspraak van de rechtbank, dan is de redelijke termijn twee jaar. De termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Hierbij mag de behandeling van het bezwaar hoogstens een half jaar duren en de behandeling van het beroep hoogstens anderhalf jaar duren. Voor elk half jaar (of gedeelte daarvan) dat de redelijke termijn wordt overschreden, wordt een schadevergoeding van € 500,- toegekend, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
6. De redelijke termijn is gestart vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van verzoeksters op 25 november 2020 tegen het besluit van de minister van 20 november 2020. De rechtbank heeft heden uitspraak gedaan op het beroep van verzoeksters in die procedure [4] , zodat de procedure in totaal vijf jaar en zeven maanden heeft geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn afgerond naar boven met vier jaar is overschreden. De rechtbank merkt daarbij op dat de minister haar heeft meegedeeld dat verzoekster op 7 september 2024 is overleden. Nu verzoekster voor haar overlijden met het verzoek om schadevergoeding aan de minister de wens om aanspraak te maken op een vergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn kenbaar heeft gemaakt, is haar aanspraak op een schadevergoeding onder algemene titel overgegaan op haar dochter, verzoekster II. [5] De in het geval van verzoekster in acht te nemen termijn die met de beslechting van het geschil is beëindigd eindigt op het overlijdenstijdstip van verzoekster. [6] In het geval van verzoekster bedraagt de overschrijding van de redelijke termijn daarom naar boven afgerond twee jaar. Dit alles betekent dat verzoekster II een zelfstandig recht heeft op een schadevergoeding ter hoogte van € 4.000,- en daarnaast recht heeft op een schadevergoeding van € 2.000,- omdat het schadevergoedingsverzoek van verzoekster onder algemene titel op haar is overgegaan. De rechtbank zal daarom een schadevergoeding van € 6.000,- aan verzoekster toekennen.
7. De volgende vraag die moet worden beantwoord is aan wie deze overschrijding moet worden toegerekend. De minister heeft op 28 januari 2021 op het bezwaarschrift beslist, maar hangende het beroep van verzoeksters tegen dit besluit heeft hij op 21 januari 2022 dit besluit ingetrokken. De minister heeft vervolgens op 12 augustus 2022 een nieuw besluit op het bezwaar genomen. De minister heeft de redelijke behandelingsduur van het bezwaar daarmee naar boven afgerond met vijftien maanden overschreden. De rechtbank heeft ruim drie jaar en tien maanden na het besluit op bezwaar van 12 augustus 2022 uitspraak gedaan op het beroep. Dat betekent dat de redelijke behandelingsduur van het beroep in het geval van verzoekster naar boven afgerond met zeven maanden is overschreden en in het geval van verzoekster II naar boven afgerond met twee jaar en vijf maanden. Het voorgaande leidt tot de volgende verdeling. In het geval van verzoekster moet de overschrijding van de redelijke termijn voor 15/22 deel aan de minister moet worden toegerekend en voor 7/22 deel aan de rechtbank. In het geval van verzoekster II moet de redelijke termijnoverschrijding voor 15/44 deel worden toegerekend aan de minister en voor 29/44 deel aan de rechtbank.
8. De minister wordt veroordeeld tot betaling van € 2.727,27 (15/22 deel van € 2.000,- plus 15/44 deel van € 4.000) en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 3.272,73 (7/22 deel van € 2.000,- en 29/44 deel van € 4.000,-) aan verzoekster II als vergoeding voor de door verzoeksters geleden immateriële schade.

Conclusie en gevolgen

9. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding als kennelijk gegrond toe en kent verzoekster II een schadevergoeding toe ter hoogte van € 6.000,-.
10. De rechtbank veroordeelt de minister daarnaast in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Omdat de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan de minister als aan de rechtbank is toe te rekenen, komt deze proceskostenvergoeding voor de helft voor rekening van de minister (€ 233,50) en voor de andere helft voor rekening van de Staat (€ 233,50). Omdat het hier gaat om een onzelfstandig schadeverzoek waarvoor op grond van 8:94, tweede lid, van de Awb geen griffierecht is verschuldigd, bestaat geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht. De rechtbank zal het reeds betaalde griffierecht restitueren.

Beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
- veroordeelt de minister om aan verzoekster II een immateriële schadevergoeding te betalen van € 2.727,27;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) om aan verzoekster II een immateriële schadevergoeding te betalen van € 3.272,73;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan verzoekster II;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan verzoekster II.
Deze uitspraak is in het openbaar uitgesproken en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:436.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.AWB 21/634.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:506.
6.Zie de uitspraak van het gerechtshof ’s Hertogenbosch van 23 augustus 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX5668.