AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Rechtmatigheid bewaring asielzoeker na afwijzing asielaanvraag en overgangsrecht
Eiser is op 23 mei 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b Vreemdelingenwet 2000 vanwege het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit in het kader van zijn asielaanvraag. De asielaanvraag werd op 19 juni 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank stelt vast dat de bewaring tot die datum rechtmatig was, omdat de maatregel noodzakelijk was voor de asielprocedure.
Na de afwijzing van de asielaanvraag vervallen de gronden voor bewaring op de asielgrond. De rechtbank overweegt dat de voortzetting van de bewaring na 19 juni 2026 onrechtmatig is, omdat er geen nader onderzoek naar de identiteit plaatsvindt en de bewaring niet kan worden gebaseerd op de voorbereiding van verwijdering zonder een nieuwe maatregel. De rechtbank wijst op het toepasselijke overgangsrecht en relevante Europese richtlijnen die voorschrijven dat bewaring zo kort mogelijk moet duren.
De rechtbank beveelt de onmiddellijke opheffing van de bewaring en invrijheidstelling van eiser. Tevens wordt de Staat veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €960 en worden de proceskosten van €934 aan eiser toegekend. De uitspraak is gedaan door rechter S. van Lokven op 26 juni 2026 en kan binnen een week worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De bewaring was rechtmatig tot de afwijzing van de asielaanvraag, maar daarna onrechtmatig voortgezet, waardoor de bewaring wordt opgeheven en eiser schadevergoeding ontvangt.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.34277
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
geboren op [geboortedatum] 1984, Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer], eiser,
(gemachtigde: mr. R.P. van Empel-Bouman),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).
Procesverloop
Verweerder heeft eiser op 23 mei 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep en wordt tevens aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep op verzoek van verweerder geschorst. Na de hervatting van de behandeling van het beroep, heeft verweerder verzocht om een nadere termijn om schriftelijk te kunnen reageren op een door de rechtbank ambtshalve aan de orde gestelde rechtsvraag. De rechtbank heeft, na overleg met beide partijen, dit verzoek ingewilligd en het onderzoek niet gesloten.
De rechtbank heeft, na de zitting en zoals toegezegd, een bericht in het dossier geplaatst met de navolgende inhoud:
(…)
De rechtbank heeft op verzoek van verweerder de behandeling van het beroep geschorst om
partijen in de gelegenheid te stellen zich nader te buigen over een door de rechtbank
opgeworpen rechtsvraag. Partijen worden in de gelegenheid gesteld om uiterlijk aan het einde van de dag waarop het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden aan te geven welke
rechtsgrond de voortduring van de bewaring rechtvaardigt nadat op het asielverzoek is beslist. De rechtbank heeft deze vraag opgeworpen omdat het instellen van beroep en het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening gelet op het bepaalde in artikel 68, derde lid onder d van Verordening 2024/1348 geen schorsende werking heeft. De rechtbank heeft partijen de vraag voorgelegd of dit betekent dat eiser door de afwijzing van het asielverzoek en het niet hebben van procedureel rechtmatig verblijf gedurende de termijn om een rechtsmiddel in te stellen en na het mogelijk instellen van een rechtsmiddel, onder richtlijn 2008/115 valt en er na de beslissing op de asielaanvraag een grondslagwijziging had moeten plaatsvinden indien verweerder, na dit te hebben onderzocht, tot de conclusie zou zijn gekomen dat de oplegging van een maatregel noodzakelijk, proportioneel en evenredig is om de verwijdering voor te bereiden en uit te voeren.
(…)
Beide partijen hebben een schriftelijk standpunt ingenomen.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 26 juni 2026.
Overwegingen
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Eiser heeft onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 2 april 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:7552) aangevoerd dat uit het gehoor dat is voorafgegaan aan de oplegging van de maatregel, onvoldoende blijkt dat is onderzocht of de maatregel op de asielgrond kon worden opgelegd omdat er vooral vragen zijn gesteld over terugkeer. Eiser heeft zich tevens op het standpunt gesteld dat de stukken waaruit het onttrekkingsrisico zou volgen niet aan het dossier zijn toegevoegd en dus niet kan worden gecontroleerd of de zware gronden juist zijn. Omdat eiser asiel heeft aangevraagd heeft hij recht op opvangvoorzieningen zodat lichte gronden 4c en 4d het onttrekkingsrisico niet kunnen onderbouwen. Tevens blijkt uit de correcties en aanvullingen die in de asielprocedure zijn ingediend dat eiser een Spaanse partner heeft die in Nederland verblijft zodat een lichter middel moet worden opgelegd.
3. De rechtbank overweegt dat deze gronden niet slagen. Uit de M110 blijkt dat degene die eiser heeft gehoord nadat eiser een asielwens heeft geuit, aan eiser heeft medegedeeld dat dacty afgenomen zullen worden ten behoeve van de asielaanvraag en dat eiser de aanvraag moet ondertekenen. Weliswaar zijn ook in dit gehoor met name vragen gesteld over de terugkeer en de houding van eiser ten aanzien van de terugkeerprocedure en is het gehoor bovendien summier. Dat laat echter onverlet dat, anders dan in de procedure die tot de eerder genoemde uitspraak heeft geleid, voldoende duidelijk blijkt dat is onderkend dat de maatregel indien deze wordt opgelegd, op de asielgrond moet worden opgelegd. Verweerder heeft voorts ter zitting gewezen op de stukken die de zware gronden onderbouwen. Eiser heeft daarop de beroepsgrond die betrekking heeft op de onderbouwing van de zware gronden ingetrokken. De rechtbank overweegt voorts dat eiser in het bewaringsgehoor, na daartoe deugdelijk te zijn bevraagd, heeft verklaard geen relatie en partner te hebben en nooit getrouwd te zijn geweest. Eiser heeft wel verklaard dat hij sinds 2016 in Nederland verblijft, zijn tante in Helmond woont en haar kinderen in Eindhoven wonen maar dat hij hun adressen niet kent. Verweerder heeft niet hoeven te volstaan met een lichter middel. Bij aanvang van het bewaringsgehoor is blijkens de M110 aan eiser medegedeeld dat de vragen die worden gesteld en de antwoorden van eiser zullen worden betrokken bij de besluitvorming. Het is dan ook aan eiser om in dat bewaringsgehoor te vertellen dat hij gedurende acht maanden een relatie heeft met een in Nederland wonende vrouw met de Spaanse nationaliteit. Als dit juist is maar eiser ervoor kiest om dat niet te verklaren, kan hiermee vanzelfsprekend geen rekening worden gehouden als wordt beoordeeld of de maatregel kan worden opgelegd. Ter zitting is deze gestelde relatie overigens niet onderbouwd.
4. De rechtbank overweegt dat de gronden niet slagen en dat de maatregel rechtmatig is opgelegd. De maatregel is terecht op de asielgrond opgelegd en ten tijde van de oplegging rechtvaardigden de noodzaak van de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag de oplegging van de maatregel. De zware gronden zijn onderbouwd met stukken waaruit blijkt dat deze feitelijk juist zijn. Daargelaten dat hieruit een onttrekkingsrisico volgt en oplegging van de maatregel noodzakelijk is om de asielprocedure te verzekeren, heeft verweerder niet om andere redenen hoeven te volstaan met een lichter middel. Dat de maatregel niet proportioneel of niet evenredig zou zijn is namelijk niet gesteld en ook niet gebleken. Verweerder heeft ter zitting ook terecht aangegeven dat de asielprocedure voortvarend ter hand is genomen.
5. De rechtbank overweegt voorts het navolgende.
6. De maatregel is opgelegd vóór 12 juni 2026. De asielaanvraag is ingediend vóór 12 juni 2026. Dit betreft een opvolgende asielaanvraag. Het besluit op de asielaanvraag is genomen op 19 juni 2026 en in dit besluit wordt de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, Vw en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, e, f en h Vw.
7. In artikel 68, derde lid onder d, van Verordening 2024/1348 is het navolgende bepaald:
(…)
3 Onverminderd het beginsel van non-refoulement hebben verzoekers en personen van wie de internationale bescherming wordt ingetrokken geen recht om te blijven op grond van lid 2 wanneer de bevoegde autoriteit een van de volgende beslissingen heeft genomen:
(…)
d) een beslissing waarbij een volgend verzoek als ongegrond of kennelijk ongegrond wordt afgewezen, of
(…)
8. De rechtbank heeft partijen gevraagd of eiser gedurende de termijn waarin hij beroep kan instellen tegen het besluit van 19 juni 2026 en gedurende de termijn na het indienen van beroep en het (tijdig) indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening, (procedureel) rechtmatig verblijf heeft en de maatregel daarom na afwijzing van de asielaanvraag kan voortduren op de asielgrond. De rechtbank merkt in dit verband op dat eiser ter zitting heeft aangegeven dat hij op 25 juni 2026, de laatste dag van de beroepstermijn, beroep zou instellen tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en tegelijkertijd zou verzoeken om een voorlopige voorziening. Partijen hebben dit niet uitdrukkelijk bevestigd in hun schriftelijke reacties, maar aangezien verweerder de maatregel niet heeft opgeheven en een opvolgende maatregel ter fine van verwijdering heeft genomen, gaat de rechtbank er van uit dat dit ook is geschied.
9. Verweerder heeft in zijn schriftelijke standpunt uiteengezet dat uit artikel 79, derde lid, van Verordening 2024/1348 en uit artikel IX lid 6 van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 volgt dat in de asielprocedure van eiser de voorschriften die onder meer betrekking hebben op rechtmatig verblijf tijdens de procedure en de schorsende werking van het beroep zoals die vóór 12 juni 2026 uit richtlijn 2013/32 volgden van toepassing zijn.
10. De rechtbank komt op dit punt tot dezelfde conclusie als verweerder. Dit betekent dat de asielprocedure van eiser wordt beheerst door de regels zoals die vóór 12 juni 2026 golden. Dit heeft onder meer tot gevolg dat eiser gedurende de tijd waarin hij beroep kon instellen tegen het besluit van 19 juni 2026 en kon verzoeken om een voorlopige voorziening procedureel rechtmatig verblijf heeft en ook procedureel rechtmatig verblijf heeft in afwachting van een uitspraak op dit rechtsmiddel.
11. Verweerder heeft in zijn schriftelijke standpunt tevens het navolgende vermeld:
(…)
Verweerder merkt voor de volledigheid op dat een asielaanvraag die niet onder bovengenoemde overgangsrecht valt, geldt dat indien de vreemdeling na afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 68, derde lid, van de Procedureverordening niet het recht heeft om op het grondgebied van Nederland te blijven, de vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vw opgeheven moet worden. De vreemdeling kan dan aansluitend op grond van artikel 59 VwPro (opnieuw) in vreemdelingenbewaring gesteld worden indien aan de voorwaarden daarvoor is voldaan.
(…)
12. De rechtbank is het ook met deze toelichting eens en stelt vast dat deze situatie niet aan de orde is omdat de asielaanvraag van eiser wel onder het overgangsrecht valt.
13. In het voornemen van 31 mei 2026 is terecht overwogen dat gelet op artikel 59b, derde lid, Vw de vrijheidsontnemende maatregel met ten hoogste drie maanden kan worden verlengd.
14. In het besluit van 19 juni 2026 is het navolgende opgenomen:
(…)
U bent op 23 mei 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b Vw. Bewaring op deze grondslag is mogelijk zolang de vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 heeftPro ingediend, het recht heeft om op het grondgebied van Nederland te verblijven.
Met de inwerkingtreding van de gewijzigde wet per 12 juni 2026 kan de bewaring op grond van artikel 59b Vw ten hoogste zes maanden voortduren. Dit volgt uit het gewijzigde artikel 59b, tweede lid, Vw.
(…)
15. Eiser heeft in zijn schriftelijke reactie onder meer aangegeven dat verweerder niet een deel van het nieuwe artikel 59b Vw kan toepassen om de maatregel te verlengen en tegelijkertijd voor de gronden de oude regelgeving kan toepassen. De rechtbank is het hier niet mee eens. Uit het besluit van 19 juni 2026 volgt dat het voortduren van de maatregel na het besluit op de asielaanvraag wordt gebaseerd op de Vreemdelingenwet zoals als die luidt met ingang van 12 juni 2026. De bewaring van asielzoekers is echter niet gebaseerd op Verordening 2024/1348, maar op (de nieuwe Opvang-)richtlijn 2024/1346. Deze richtlijn kent geen overgangsrecht en is tijdig omgezet in Nederlandse wet- en regelgeving.
16. In de ‘nieuwe Opvangrichtlijn’ 2024/1346 is, net als in de ‘de oude’ Opvangrichtlijn 2013/33 geen maximale duur bepaald voor de bewaringsmaatregel op de asielgrondslag. Concrete termijnen (moeten) worden vastgesteld door de nationale wetgever.
17. In de maatregel is overwogen dat deze noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag.
18. De rechtbank overweegt dat doordat is beslist op de aanvraag, vanaf 19 juni 2026 de grond dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag, niet langer aan de voortduring van de maatregel ten grondslag kan liggen. De rechtbank wijst in dit verband op de vaste Afdelingsjurisprudentie waaruit volgt dat deze grond na de afwijzing van de asielaanvraag niet langer de grondslag van de bewaring kan zijn (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4300).
19. De Afdeling heeft in meerdere uitspraken overwogen dat ook na de afwijzing van de asielaanvraag, de maatregel weliswaar niet langer kan voortduren op grond van op artikel 59b, eerste lid onder b, Vw, maar dit niet betekent dat artikel 59b, eerste lid onder a, Vw, ook steeds komt te vervallen.
20. De rechtbank overweegt dat in de onderhavige procedure onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd dat de grond dat de vreemdelingbewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling, de voortduring van de maatregel rechtvaardigt.
21. Blijkens het besluit van 19 juni 2026 acht verweerder de gestelde nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar de gestelde identiteit niet geloofwaardig. Het is juist dat eiser geen identiteitsdocument heeft overgelegd geen inspanningen heeft verricht om een identiteitsdocument te verkrijgen en dat de identiteit van eiser daarom niet kan worden vastgesteld.
22. Deze omstandigheid rechtvaardigt echter niet zonder meer het in bewaring houden van eiser nadat de asielaanvraag is afgewezen zolang eiser rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder h, Vw. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 24 oktober 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:17287), waarin de rechtbank onder meer het navolgende heeft overwogen:
(…)
21. De Afdeling overweegt dat gelet op de bewoordingen van artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, van de Opvangrichtlijn, het niet is uitgesloten dat op deze grond een maatregel van bewaring kan worden opgelegd tijdens de rechtsmiddelentermijn, voor zover het bestuursorgaan na de beslissing op het asielverzoek de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling nog moet vaststellen of nagaan. De rechtbank wijst in dit verband echter op de EASO Judicial Analysis Detention of applicants for international protection in the context of the Common European Asylum System en de verwijzing hierin naar de UNHCR Detention Guidelines, waarin juist wordt beschreven dat het in bewaring stellen van een asielzoeker omdat het noodzakelijk is om de identiteit en nationaliteit vast te stellen, een grondslag beoogt te bieden voor een minimale periode voor een initiële identiteits- en veiligheidscheck. Ook het Hof heeft in het arrest van 14 september 2017 (arrest van 14 september 2017 in de zaak C-18-16, K tegen de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, ECLI:EU:C:2017:680), uitgelegd dat de bewaring op deze grondslag weliswaar is toegestaan, maar ook dat “een maatregel die is gestoeld op de argumenten genoemd in artikel 8, lid 3, eerste alinea, onder a) en b), van die richtlijn beantwoordt aan de doelstelling om te zorgen voor een goed functioneren van het gemeenschappelijk Europees asielstelstel, doordat op grond ervan degenen die om internationale bescherming verzoeken kunnen worden geïdentificeerd en kan worden nagegaan dat zij aan de voorwaarden voldoen om voor een dergelijke bescherming in aanmerking te komen, teneinde, in het ontkennende geval, te voorkomen dat zij illegaal het grondgebied van de Unie betreden en erop verblijven.”(punt 36). Het Hof heeft daaraan evenwel toegevoegd dat “met betrekking tot de noodzaak van de bij die bepaling aan de lidstaten verleende bevoegdheid om een verzoeker in bewaring te stellen, moet worden benadrukt dat de beperkingen op de uitoefening daarvan, gezien het belang van het in artikel 6 vanPro het Handvest neergelegde recht op vrijheid en de ernst van de inmenging in dat recht die door een dergelijke bewaringsmaatregel wordt gevormd, binnen de grenzen van het strikt noodzakelijke moeten blijven (arrest van 15 februari 2016, N., C‑601/15 PPU, EU:C:2016:84, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”(punt 40).
22. De rechtbank overweegt dat uit de UNHCR Detention Guidelines, de EASO Judicial Analysis Detention of applicants for international protection in the context of the Common European Asylum System en uit bovengenoemd arrest van het Hof blijkt dat het in bewaring houden van asielzoekers om de identiteit en nationaliteit vast te stellen vooral bedoeld is voor een eerste controle van de identiteit van de betrokkene. De rechtbank leidt hieruit af dat deze grond dus terughoudend moet worden gehandhaafd gedurende de rechtsmiddelenprocedure.
23. Ook uit de Afdelingsjurisprudentie volgt dat de bewaringsrechter gehouden is om na te gaan dat en waarom nader onderzoek naar de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling nodig is en dat dit temeer geldt nadat de asielaanvraag is afgewezen.
(…)
23. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier thans anders over te denken omdat artikelen 10 en 11 van (de nieuwe Opvang-)richtlijn 2024/1346 geen wijzigingen bevatten ten aanzien van de gronden en de waarborgen voor verzoekers in bewaring.
24. In het voornemen van 31 mei 2026 is het navolgende overwogen:
(…)
De IND is van plan om uw vreemdelingenbewaring voort te zetten, omdat er nog onderzoek nodig is naar uw identiteit en nationaliteit. Dat staat in artikel 59b, eerste lid, onder a, Vw. U hebt namelijk geen enkel document overgelegd om uw identiteit of nationaliteit te kunnen vaststellen. Ten behoeve van het vertrekproces zal daarom verder onderzoek moeten worden gedaan om een vervangend reisdocument voor u te verkrijgen.
25. In het besluit van 19 juni 2026 is hierover vermeld dat ‘de gronden waarop u in bewaring zijn gesteld, onverkort van toepassing zijn’.
26. De rechtbank stelt vast dat dit onjuist is. Verweerder heeft de gestelde nationaliteit van eiser geloofwaardig geacht en verweerder heeft dus het asielrelaas van eiser inhoudelijk kunnen beoordelen en kunnen beoordelen of aan eiser internationale bescherming moest worden verleend. Ondanks dat in besluit de gestelde identiteit ongeloofwaardig is geacht, heeft verweerder de aanvraag inhoudelijk kunnen beoordelen en de asielprocedure kunnen afronden door een beslissing te nemen op de aanvraag. Eiser hoeft dus niet langer in bewaring te worden gehouden en zo beschikbaar te zijn voor zijn asielprocedure. Ook indien er van uit moet worden gegaan dat eiser in beginsel na de beslissing op zijn verzoek en gedurende de rechtsmiddelentermijn en in afwachting van de beoordeling van zijn rechtsmiddelen in bewaring mag worden gehouden op grond van artikel 59b, eerste lid onder a, Vw, moet verweerder wel uitleggen dat nader onderzoek naar de identiteit noodzakelijk is en dat er ook daadwerkelijk nader onderzoek wordt gedaan. Verweerder heeft ter zitting, hoewel daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld, niet aangegeven dat dit nadere onderzoek ook daadwerkelijk plaatsvindt. Uit het dossier blijkt ook in het geheel niet van enige activiteiten van verweerder om nader onderzoek te doen naar de identiteit en (geloofwaardig geachte) nationaliteit van eiser.
27. De maatregel op de asielgrond kan niet voortduren omdat onderzoek ten behoeve van het vertrekproces moet worden gedaan. Dat onderzoek heeft immers tot doel om de terugkeer voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren en die grond kan alleen worden opgevoerd om een maatregel ter fine van terugkeer op basis van richtlijn 2008/115 te onderbouwen. Eiser wordt thans niet in bewaring gehouden op grond van richtlijn 2008/115 en onderzoek ten behoeve van het vertrekproces kan pas aan de orde komen als de thans geldende maatregel wordt opgeheven en als zou worden nagegaan of het opleggen van een opvolgende maatregel om de terugkeer te verzekeren noodzakelijk, proportioneel en evenredig is.
28. Verweerder is gedurende de asielprocedure niet bevoegd om eiser te verwijderen terwijl verweerder, indien hij na de afwijzing van de asielaanvraag artikel 59b, eerste lid onder a, Vw als grondslag voor de (verlengde) bewaring wil handhaven, dient te motiveren dat en waarom nader onderzoek naar de identiteit en nationaliteit van die vreemdeling nodig is.
29. Uit de Afdelingsuitspraken van 19 november 2025 volgt dat verweerder een vreemdeling van wie de asielprocedure niet definitief is afgerond niet mag presenteren (ECLI:NL:RVS:2025:5547), maar wel reeds een LP mag aanvragen (ECLI:NL:RVS:2025:5548). Verweerder heeft echter niet gesteld dat hij voornemens is om dergelijk identiteitsonderzoek te verrichten terwijl hij de actuele bewaringsmaatregel ten uitvoer legt. De rechtbank stelt ook vast dat verweerder geen onderzoekshandelingen heeft verricht nadat de asielaanvraag van eiser is afgewezen en dat indien deze grond wel de voortduring van de maatregel zou rechtvaardigen verweerder, gelet op het tijdsverloop, dan heeft te gelden dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt.
30. De rechtbank concludeert dat de oplegging van de maatregel en de voortduring van de maatregel totdat op 19 juni 2026 de asielaanvraag is afgewezen, rechtmatig heeft voortgeduurd. Na 19 juni 2026 zijn beide in artikel 10, lid 4, van (de nieuwe Opvang-)richtlijn 2024/1346 genoemde gronden aan de maatregel op de asielgrond ontvallen. In beginsel mag de bewaring op de asielgrond zes maanden voortduren. Uit artikel 11, eerste lid, van (de nieuwe Opvang-)richtlijn 2024/1346 volgt echter dat een van de waarborgen voor verzoekers in bewaring is dat een verzoeker slechts in bewaring wordt gehouden voor een zo kort mogelijke termijn en slechts zo lang de in artikel 10, lid 4, genoemde redenen van toepassing zijn. Dit volgt ook uit artikel 59b, lid 2, Vw, waarin is bepaald dat de vreemdelingenbewaring zo kort mogelijk, uitsluitend zo lang de in het eerste lid genoemde gronden van toepassing zijn en niet langer dan zes maanden duurt. Dit betekent dat de voortduring van de tenuitvoerlegging van de maatregel onrechtmatig is geworden en de rechtbank dus verplicht is om de maatregel op te heffen en eiser in vrijheid te stellen.
31. In het geval van eiser heeft te gelden dat de maatregel met ingang van 20 juni 2026, dus één dag nadat verweerder zijn asielaanvraag heeft afgewezen als kennelijk ongegrond, onrechtmatig heeft voortgeduurd. De rechtbank zal eiser in aanmerking brengen voor schadevergoeding en voor het bepalen van de hoogte hiervan de standaardmatig toegekende bedragen hanteren.
32. De rechtbank zal ook een proceskostenveroordeling uitspreken en de gebruikelijke punten en bedragen hanteren en rekening houden met de omstandigheid dat een ’28 dagen-kennisgeving’ de procedure heeft ingeleid.
33. Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel;
- gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 960,- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M.M.F. Roijen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 26 juni 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.