ECLI:NL:RBDHA:2026:17329
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiseres, een jongvolwassen vrouw met de Somalische nationaliteit, diende op 28 september 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Portugal op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiseres betoogde dat het Dublingehoor niet zorgvuldig was, dat sprake was van mogelijke mensenhandel en misbruik, en dat verweerder ten onrechte een standaardvoornemen gebruikte.
De rechtbank oordeelde dat het Dublingehoor zorgvuldig was afgenomen en dat er geen aanwijzingen waren voor mensenhandel of misbruik die nader onderzoek vereisten. Ook werd geoordeeld dat het gebruik van een standaardvoornemen in deze procedure niet onzorgvuldig is, mits voldoende gemotiveerd, wat hier het geval was. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel werd bevestigd, waarbij de rechtbank oordeelde dat de situatie in Portugal geen zodanige tekortkomingen vertoont dat overdracht onaanvaardbaar is.
Verder stelde eiseres dat op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening Nederland de asielaanvraag had moeten behandelen vanwege haar kwetsbaarheid en familiebanden in Nederland. De rechtbank vond dat deze omstandigheden onvoldoende waren onderbouwd om overdracht aan Portugal als onevenredig hard te beschouwen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag op 24 juni 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.