ECLI:NL:RBDHA:2026:17329

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
NL26.20523 en NL26.20526
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vw 2000Art. 12 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiseres, een jongvolwassen vrouw met de Somalische nationaliteit, diende op 28 september 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Portugal op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiseres betoogde dat het Dublingehoor niet zorgvuldig was, dat sprake was van mogelijke mensenhandel en misbruik, en dat verweerder ten onrechte een standaardvoornemen gebruikte.

De rechtbank oordeelde dat het Dublingehoor zorgvuldig was afgenomen en dat er geen aanwijzingen waren voor mensenhandel of misbruik die nader onderzoek vereisten. Ook werd geoordeeld dat het gebruik van een standaardvoornemen in deze procedure niet onzorgvuldig is, mits voldoende gemotiveerd, wat hier het geval was. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel werd bevestigd, waarbij de rechtbank oordeelde dat de situatie in Portugal geen zodanige tekortkomingen vertoont dat overdracht onaanvaardbaar is.

Verder stelde eiseres dat op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening Nederland de asielaanvraag had moeten behandelen vanwege haar kwetsbaarheid en familiebanden in Nederland. De rechtbank vond dat deze omstandigheden onvoldoende waren onderbouwd om overdracht aan Portugal als onevenredig hard te beschouwen.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag op 24 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.20523 (beroep) en NL26.20526 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres], eiseres en verzoekster (hierna: eiseres)

(gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Post).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Portugal verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Eiseres heeft ook gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat zij niet wordt overgedragen totdat op haar beroep is beslist.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, A. Khabote als tolk in de taal Arabisch en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag aan de hand van de beroepsgronden die eiseres heeft aangevoerd.
3. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Besluitvorming
4. Eiseres is geboren op [geboortedag] 2006 en heeft de Somalische nationaliteit. Eiseres heeft op 28 september 2025 asiel aangevraagd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit niet in behandeling genomen omdat Portugal verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
4.1.
Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 [1] . Daarin staat dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen als op grond van de Dublinverordening [2] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit EU-VIS [3] is gebleken dat eiseres een visum heeft gekregen van de Portugese autoriteiten. Dit visum was geldig van 1 augustus 2025 tot en met 14 september 2025. Op het moment van haar asielaanvraag was de geldigheid van dit visum minder dan zes maanden verlopen. Ook is gebleken dat eiseres heeft verklaard dat zij in augustus 2025 met het visum naar Portugal is gereisd, waarna zij verbleef in het Dublingebied. Eiseres heeft verder verklaard dat zij na aankomst in Portugal naar Nederland is gereisd om een asielaanvraag in te dienen. Volgens verweerder is Portugal daarom verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres, op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft Portugal op 18 november 2025 gevraagd om eiseres terug te nemen. Op 29 januari 2026 is Portugal hiermee akkoord gegaan.
Het standpunt van eiseres en de beoordeling door de rechtbank
Zorgvuldigheid Dublingehoor
5. Eiseres stelt dat zij in haar Dublingehoor heeft geprobeerd om aan verweerder duidelijk te maken dat zij op zoek was naar veiligheid en daarom onderweg was naar Nederland waar familieleden van haar wonen. Eiseres stelt erg jong te zijn en was helemaal niet op de hoogte van het bestaan van de Dublinregels. De mededeling tijdens het Dublingehoor dat eiseres mogelijk aan Portugal zou worden overgedragen kwam voor haar als een grote schok. Eiseres stelt dat tijdens het gehoor duidelijk werd dat zij na aankomst in Nederland ongeveer een maand in huis heeft verbleven bij een man. Volgens eiseres heeft verweerder daar ten onrechte geen enkele vraag over gesteld, terwijl genoegzaam bekend is dat alleenstaande vrouwen in een dergelijke situatie slachtoffer van mensenhandel en/of misbruik kunnen zijn. Er is volgens eiseres dan ook ten onrechte geen melding gedaan bij de AVIM [4] en/of COA [5] zoals gebruikelijk is bij dergelijke vermoedens. Eiseres stelt dat verweerder door het niet doorvragen niet alle mogelijk relevante omstandigheden in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan het licht heeft gebracht. Volgens eiseres ziet het Dublingehoor niet alleen op de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat, maar moet hierin ook informatie aan de orde komen op grond waarvan al dan niet tot een claim, of tot een overdrachtsbesluit wordt of kan worden gekomen. Verweerder is volgens eiseres aldus nalatig geweest en heeft niet alle relevante feiten en omstandigheden aan het licht gebracht, waardoor sprake is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.
5.1.
Eiseres heeft op zitting verder aangevoerd dat zij in de gelegenheid had moeten worden gesteld door verweerder om aangifte van mensenhandel te doen gezien het Dublingehoor.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het Dublingehoor op voldoende zorgvuldige wijze afgenomen. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het verslag van het Dublingehoor blijkt dat verweerder meerdere vragen heeft gesteld aan eiseres over de man die haar heeft opgehaald en in de woning heeft geplaatst. Uit het verslag blijkt ook dat verweerder heeft gevraagd aan eiseres naar de contactgegevens van de man. De antwoorden van eiseres wijzen niet direct op een vermoeden van mensenhandel/smokkel danwel misbruik. Zo heeft eiseres verklaard dat ze in een woning is geplaatst en dat ze zich pas een maand later mocht melden. [6] Uit het enkele feit dat eiseres met een man heeft gereisd en zich pas na een maand mocht melden, kan niet op zichzelf worden afgeleid dat sprake is van vermoedens van mensenhandel en/of misbruik. Verweerder was dan ook niet gehouden om hier over door te vragen. Daarbij had het op de weg van eiseres gelegen om, indien dit anders lag, hierover te verklaren. Eiseres was namelijk ten tijde van het Dublingehoor volwassen.
6.1.
De rechtbank wijst voorts op de uitspraak van de Afdeling [7] van 25 februari 2021, waaruit volgt dat de vreemdeling in de Dublinprocedure niet in de gelegenheid hoeft te worden gesteld om aangifte te doen van mensenhandel. Verweerder komt namelijk in de Dublinprocedure niet toe aan de vraag of een vreemdeling in aanmerking komt voor een vergunning als bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000. [8] De aangifte van mensenhandel heeft immers geen invloed op de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van het asielverzoek en dat de vreemdeling in Nederland nog niet in de gelegenheid is gesteld om aangifte te doen, staat niet aan overdracht in de weg. [9] Het is de rechtbank verder niet gebleken dat eiseres inmiddels wel aangifte van mensenhandel heeft gedaan.
6.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Standaard voornemen
7. Eiseres voert verder aan dat verweerder ten onrechte gebruik heeft gemaakt van een standaardvoornemen. Volgens eiseres heeft verweerder ten onrechte geen beoordeling gemaakt in het voornemen van de door haar aangevoerde feiten en omstandigheden.
7.1.
Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 23 november 2023 [10] en 11 april 2025 [11] , is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat een standaardvoornemen in een Dublinprocedure niet betekent dat de besluitvorming onzorgvuldig is. Verweerder heeft in het voornemen alle voor zijn standpunten dragende overwegingen opgenomen. Het indienen van een zienswijze biedt eiseres vervolgens de mogelijkheid om op het voornemen te reageren. Eiseres heeft van deze mogelijkheid gebruikgemaakt. Verweerder heeft in het bestreden besluit vervolgens gemotiveerd waarom haar individuele omstandigheden niet aan overdracht aan Portugal in de weg staan.
7.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
8. Eiseres voert voorts aan dat ten aanzien van Portugal niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiseres naar de AIDA [12] -rapporten over Portugal , onder meer de meest recente update over 2024, van september 2025.
9. De rechtbank stelt in dit kader voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielverzoeken hun internationale verplichtingen zullen nakomen. Dit wordt ook wel het interstatelijk vertrouwensbeginsel genoemd. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiseres aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertonen dat zij bij overdracht aan Portugal een reëel risico loopt op behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM [13] of artikel 4 van Pro het Handvest. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals bedoeld in het arrest Jawo. [14]
9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres hierin niet geslaagd. Uit de door eiseres aangehaalde AIDA-rapporten volgt dat er problemen zijn met toegang tot opvangvoorzieningen, er sprake is van procedurele tekortkomingen en asielzoekers in het algemeen worden geconfronteerd met de nodige moeilijkheden. Uit deze rapporten blijkt echter niet dat de algemene situatie voor Dublinterugkeerders in Portugal zo slecht is dat zij structureel, op grote schaal en voor langere periodes het reële risico lopen dat zij daadwerkelijk geen toegang hebben tot fundamentele behoeften. Hierbij is van belang, zoals verweerder terecht heeft gesteld in het bestreden besluit, dat eiseres niet eerder asiel in Portugal heeft aangevraagd en dus ook geen ervaring heeft met de asielprocedure in dat land. Bovendien hebben de Portugese autoriteiten met het claimakkoord van 29 januari 2026 gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiseres in behandeling zullen nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Het ligt op de weg van eiseres om bij eventuele tekortkomingen te klagen bij de Portugese autoriteiten. Niet is gebleken dat dit voor haar niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
9.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
10. Eiseres voert vervolgens aan dat verweerder de asielaanvraag aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Eiseres stelt dat zij een jongvolwassen Somalische vrouw is en dit haar kwetsbaar maakt. Volgens eiseres krijgen alleenstaande Somalische vrouwen snel een asielvergunning, gezien het beleid van verweerder. Dit laat volgens eiseres haar kwetsbaarheid zien. Verder stelt eiseres dat zij in Nederland familieleden heeft. Zo heeft zij zeven familieleden meegenomen naar de zitting, waarvan zij het grootste deel pas in Nederland heeft ontmoet. Eiseres stelt vervolgens dat zij in Nederland en onderweg naar Nederland mogelijk slachtoffer is geworden van mensenhandel en misbruik, en dat zij medische problemen heeft waarvoor zij in Nederland wordt behandeld.
11. De rechtbank stelt in dit kader voorop dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening een bevoegdheid geeft om onverplicht een asielverzoek in behandeling te nemen. Verweerder heeft met betrekking tot deze bevoegdheid beleid gemaakt. In paragraaf C2/5 van de Vc 2000 [15] staat dat verweerder hiervan terughoudend gebruik maakt als Nederland daartoe, op grond van de in de Dublinverordening neergelegde criteria, niet verplicht is. Verweerder gebruikt de bevoegdheid in ieder geval als “bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.” Vanwege de ruime mate van bestuurlijke vrijheid die verweerder heeft om deze hardheidsclausule toe te passen, toetst de rechtbank deze beslissing terughoudend.
11.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat in het geval van eiseres geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Portugal getuigt van onevenredige hardheid. De rechtbank volgt het standpunt van eiseres niet dat, vanwege het feit dat uit het beleid van verweerder volgt dat alleenstaande Somalische vrouwen sneller een asielvergunning krijgen eiseres daarom ook als kwetsbaar moet worden aangemerkt. Eiseres zal immers niet hoeven terugkeren naar Somalië, maar zal worden overgedragen aan Portugal. Wat betreft de familie van eiseres in Nederland begrijpt de rechtbank dat het voor haar van grote betekenis is dat zij hier familie heeft en inmiddels meerdere familieleden heeft teruggevonden. Eiseres heeft echter niet onderbouwd dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie met deze familieleden, dan wel van een zodanig hechte band dat een overdracht aan Portugal in haar geval als onevenredig hard moet worden beschouwd. Eiseres heeft verder niet nader onderbouwd dat zij slachtoffer is geworden van mensenhandel en misbruik, en dat sprake is van medische problematiek waarvoor zij alleen in Nederland zou kunnen worden behandeld.
11.2.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Gelet hierop is er geen aanleiding om een voorlopige
voorziening te treffen. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank, in zaaknummer NL26.20523:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in zaaknummer NL26.20526:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid
van mr. A.S. Hayas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, voor zover het de hoofdzaak betreft, kan
een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het
hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak
is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat
de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een
tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige
voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Het visuminformatiesysteem van de Europese Unie.
4.De Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.
5.Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
6.Pagina 5 van het verslag van het Dublingehoor.
7.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.Vreemdelingenbesluit 2000.
12.Asylum Information Database.
13.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
14.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 in de zaak C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218.
15.Vreemdelingencirculaire 2000.