ECLI:NL:RBDHA:2026:17138
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beëindiging tijdelijke bescherming en terugkeerbesluit derdelander Oekraïne
Eiser, een Marokkaanse derdelander die rechtmatig in Oekraïne verbleef en vanwege de inval in Oekraïne tijdelijke bescherming in Nederland kreeg, werd geconfronteerd met een besluit van verweerder om zijn tijdelijke bescherming na 4 maart 2024 te beëindigen en hem te verplichten Nederland te verlaten.
Na prejudiciële vragen aan het HvJ EU en daaropvolgende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en rechtbanken, werd het eerdere besluit vervangen door een nieuw terugkeerbesluit. Eiser betwistte dit besluit onder meer met een beroep op het vertrouwensbeginsel en het recht op familie- en privéleven volgens artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde dat de tijdelijke bescherming van derdelanders Oekraïne eerder mag eindigen dan die van Oekraïners, mits niet vóór 4 maart 2024, en dat het vervangend besluit aan de richtlijnvereisten voldoet. De bevriezingsmaatregel werd als feitelijke opschorting beoordeeld, niet als rechtmatig verblijf, waardoor het vertrouwensbeginsel niet werd geschonden.
Verder vond de rechtbank geen onderbouwing voor eisers stelling dat terugkeer naar Marokko onmogelijk is en zag zij geen strijd met het non-refoulementbeginsel. Ook was er geen bewijs van een beschermenswaardig familie- of privéleven in Nederland. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, het terugkeerbesluit bleef in stand en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen het beëindigen van de tijdelijke bescherming en het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft in stand.