Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17131

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL26.3339
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 KwalificatieverordeningArt. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRMArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering 15c-beoordeling Jemen

Eiser, een Jemenitische asielzoeker, diende op 20 juli 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister wees deze aanvraag tweemaal af als kennelijk ongegrond, waarbij de rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in eerdere procedures al oordeelden dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat in bepaalde Jemenitische provincies geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatieverordening.

In de huidige procedure betwist de rechtbank opnieuw de motivering van de minister. De minister baseert zich op het beleid dat Al Mahra en Hadramaut vrijwel gevrijwaard zijn van gevechtshandelingen en dat de humanitaire situatie in deze provincies niet wordt beïnvloed door oorlogsmethoden. De rechtbank oordeelt dat deze motivering onvoldoende is omdat niet is onderbouwd dat deze provincies zelfvoorzienend zijn en niet indirect worden beïnvloed door het conflict in omliggende gebieden.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser. De overige beroepsgronden worden niet behandeld vanwege het gegrond verklaren van het beroep op de motiveringsgrond.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de 15c-beoordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3339

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft namelijk niet deugdelijk gemotiveerd dat in de provincies Al Mahra en Hadramaut, Jemen, geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c van de Kwalificatieverordening [1] (artikel 15c). Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 20 juli 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
2.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 12 november 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond. Bij uitspraak van 13 december 2024 [2] heeft de rechtbank het daartegen door eiser ingestelde beroep gegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 juli 2025 [3] heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
2.2.
De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 14 januari 2026 opnieuw afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. M.E. Buijsse als waarnemer van de gemachtigde van eiser, A. Karim als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2003 in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE), waar hij altijd heeft gewoond. Zijn stiefvader heeft tegen de Houthi’s gezegd dat hij werkt voor de inlichtingendienst van de VAE, waarna er een arrestatiebevel tegen hem is uitgevaardigd. Eiser vreest ook dat hij bij terugkeer naar Jemen gedwongen zal worden gerekruteerd door de Houthi’s. Ook vreest hij dat de Houthi’s hem zullen beschuldigen van spionage, omdat hij in de VAE heeft gewoond. Verder vreest hij voor de algemene onveilige situatie in Jemen.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. problemen met de Houthi’s en het hieruit komende arrestatiebevel.
4.1.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De problemen met de Houthi’s en het hieruit komende arrestatiebevel acht de minister niet geloofwaardig. Die beoordeling staat met de uitspraken van de rechtbank en de Afdeling in de eerdere procedure in rechte vast.
4.2.
Dat eiser uit Jemen komt, betekent volgens de minister niet dat hij vluchteling is. De asielmotieven zijn niet te herleiden tot één van de (vervolgings)gronden van het Vluchtelingenverdrag. Eiser loopt volgens de minister ook geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Jemen. Aangezien eiser geen herkomstgebied heeft in Jemen, mag van hem verwacht worden dat hij zich vestigt in de provincies Al Mahra, Hadramaut of Socotra, waar geen sprake is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Met de beleidswijziging van 17 oktober 2025 inzake de beoordeling van artikel 15c ten aanzien van Jemen, zoals neergelegd in paragraaf C7/19.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), is volgens de minister voldaan aan de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 [4] . In de bijlage ‘15c beoordeling Jemen’ van 18 juni 2025 bij de Kamerbrief van de minister van 8 oktober 2025 is volgens de minister de beoordeling van artikel 15c voor de verschillende provincies uitgebreid uiteengezet, evenals de wijze waarop de humanitaire situatie daarbij is betrokken. De minister wijst er ook op dat de Afdeling in de uitspraak van 16 juli 2025, rechtsoverweging 4.2 heeft overwogen dat humanitaire omstandigheden niet doorslaggevend of bepalend zijn in de globale beoordeling van artikel 15c. Volgens de minister is niet aannemelijk dat handelingen die indirect gevolgen hebben voor de humanitaire situatie en globaal betrokken moeten worden, tot een fundamenteel andere weging leiden. De minister acht verder de vrees van eiser voor gedwongen rekrutering en voor beschuldiging van spionage niet aannemelijk. De minister concludeert dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser zich niet tijdig heeft gemeld voor asiel.
Artikel 15c van de Kwalificatieverordening
5. Eiser voert aan dat het beleid van de minister over de gradaties van willekeurig geweld in Jemen onvoldoende is gemotiveerd. Dat betekent ook dat de minister geen binnenlands vestigingsalternatief kan tegenwerpen. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 25 november 2025 [5] . Eiser verwijst ook naar de brief van VluchtelingenWerk Nederland ‘Jemen – vestigingsalternatief Al-Mahra en Hadramaut’ van 5 januari 2026. Hieruit blijkt onder andere dat UNHCR en UK Home Office van mening zijn dat een binnenlands vestigingsalternatief in Jemen waarschijnlijk geen redelijke optie is. Uit de brief blijkt ook dat er sinds 30 december 2025 in Jemen een ongekende escalatie van spanningen is opgetreden nadat STC-troepen begin december de controle over Hadramaut en Al Mahra hadden overgenomen. Eiser heeft op de zitting nog aangevoerd dat de minister de humanitaire omstandigheden ook had moeten betrekken in het kader van de afzonderlijke beoordeling van het risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting is gebleken dat eiser de redenering van de minister dat hij geen herkomstgebied heeft in Jemen en dat daarom verwacht wordt dat hij naar één van de veiligste provincies gaat, op zich niet betwist. Op de zitting heeft de minister Socotra als mogelijke provincie van terugkeer laten vallen, omdat dit eiland mogelijk heel lastig te bereizen is. Het geschil beperkt zich dus tot de vraag of eiser kan terugkeren naar de provincie Hadramaut of Al Mahra.
7. In de eerdere procedure van eiser is artikel 15c ook aan de orde geweest. In de uitspraak van 28 juli 2025 verwijst de Afdeling naar de uitspraak van 16 juli 2025 [6] , waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat de minister de beoordeling in het beleid in paragraaf C7/19.4.2 van de Vc 2000 of in Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15c, niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Bij deze beoordeling zijn namelijk niet alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking genomen. Gelet op deze uitspraak, onder 4.2, 6 en 6.1, had de rechtbank terecht overwogen dat de minister niet deugdelijk had gemotiveerd hoe hij de slechte humanitaire situatie in Jemen in combinatie met de andere door betrokkene overgelegde informatie over het actuele geweldsniveau en andere relevante omstandigheden weegt in de beoordeling in het kader van artikel 15c.
8. De rechtbank oordeelt dat de minister het beleid voor Jemen, meer specifiek dat in de provincies Al Mahra en Hadramaut geen sprake is een situatie zoals bedoeld in artikel 15c, nog altijd niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Zij licht dit als volgt toe.
8.1.
In de bijlage bij de Kamerbrief, p. 3 is toegelicht dat Al Mahra en Hadramaut (vrijwel) gevrijwaard waren van gevechtshandelingen en gewelddadigheden. Daaruit wordt de conclusie getrokken dat in deze provincies geen sprake is van een gewapend conflict. Vervolgens staat er over de humanitaire omstandigheden het volgende: ‘Ook de humanitaire situatie in deze delen van Jemen is meegenomen in de beoordeling. De humanitaire situatie in geheel Jemen is weliswaar precair, maar blijkens het ambtsbericht wordt deze situatie in de provincies Al Mahra, Hadramaut en Socotra niet beïnvloed of aangewakkerd door de gehanteerde oorlogsmethoden. Om deze reden worden deze provincies buiten beschouwing gelaten in de 15c beoordeling.’
8.2.
De rechtbank acht deze motivering onvoldoende. In het Algemeen ambtsbericht Jemen van april 2025 staat niet dat de humanitaire situatie in Al Mahra en Hadramaut niet wordt beïnvloed of aangewakkerd door de gehanteerde oorlogsmethoden. De minister heeft op de zitting toegelicht dat bedoeld is dat volgens het Algemeen ambtsbericht in deze provincies geen sprake is van een gewapend conflict, en dat daaruit voortvloeit dat de humanitaire situatie dus niet door een gewapend conflict beïnvloed kan zijn. Deze visie lijkt er echter van uit te gaan dat de provincies geheel op zichzelf staan. Dat volgt de rechtbank niet, omdat niet is onderbouwd dat deze provincies volledig zelfvoorzienend zijn, bijvoorbeeld op het terrein van voedselvoorziening. Dat betekent dat de toevoer en doorvoer van voedsel ook kan worden beïnvloed door gewapende conflicten in omliggende provincies. Ook in provincies waar het geweld minder hevig is, kan de humanitaire situatie dus het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld. De rechtbank heeft in de uitspraak van 11 mei 2026 [7] bijvoorbeeld gewezen op de invloed van escalatie in de Rode Zee op de voedselvoorziening en de gevolgen van de door strijdende partijen gebruikte oorlogsmethoden op de toegang tot water en voedsel. De rechtbank ziet niet in waarom deze informatie (en andere informatie over de humanitaire omstandigheden als gevolg van het handelen van de strijdende partijen) bij de beoordeling van de provincies Al Mahra en Hadramaut niet betrokken zou hoeven worden. De minister heeft dus onvoldoende gemotiveerd dat Al Mahra en Hadramaut buiten beschouwing kunnen worden gelaten in de 15c beoordeling, enkel omdat in die provincies geen sprake zou zijn van een gewapend conflict. En daarmee heeft de minister ook niet deugdelijk gemotiveerd dat in de provincies Al Mahra en Hadramaut geen sprake is een situatie zoals bedoeld in artikel 15c.
9. Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond is. Het beleid dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt is niet deugdelijk gemotiveerd. Dat betekent dat de minister een nieuwe beoordeling over artikel 15c moet maken. De rechtbank ziet geen aanleiding om de huidige veiligheidssituatie in Al Mahra en Hadramaut te bespreken. De minister moet namelijk opnieuw de actuele situatie beoordelen als hij een nieuw besluit neemt. Omdat het beroep gegrond is, hoeven de overige beroepsgronden in het kader van artikel 15c, over de vrees voor rekrutering en verdenking van spionage, en de op de zitting aangevoerde beroepsgrond over het betrekken van de humanitaire omstandigheden in het kader van artikel 3 van Pro het EVRM, ook niet besproken te worden.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
10.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
10.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 14 januari 2026;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 24 juni 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.