ECLI:NL:RBDHA:2026:17070

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
NL26.18484 en NL26.18485
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 17 DublinverordeningArt. 20 DublinverordeningArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië

Eiser, met de Jordaanse nationaliteit, verzet zich tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De minister baseert dit op de Dublinverordening, waarbij Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser betoogt dat Kroatië niet verantwoordelijk kan zijn vanwege structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, waaronder mishandeling en push-backs door Kroatische autoriteiten. Tevens stelt hij dat de discretionaire bevoegdheid van de minister op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening niet juist is toegepast.

De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij Kroatië geacht wordt haar internationale verplichtingen na te komen. Er is onvoldoende bewijs dat Kroatië structurele tekortkomingen vertoont die een reëel risico voor eiser opleveren. Ook is het claimakkoord geldig en is er geen aanleiding om af te wijken van de overdracht. De discretionaire bevoegdheid is naar het oordeel van de rechtbank terecht niet toegepast.

Het beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat Kroatië verantwoordelijk is en het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.18484 en NL26.18485
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 1 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Jordaanse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 2001 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser stelt allereerst dat het feitelijk onjuist is dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden aangenomen dat Kroatië zichzelf verantwoordelijk acht. Kroatië staat bekend om het op grote schaal toepassen van push-backs. Eiser stelt mishandeld te zijn door de Kroatische autoriteiten. Hij is door hen in een ruimte gestopt en hem is opvang onthouden. Volgens eiser kan verweerder onder deze omstandigheden niet het standpunt volhouden dat eiser moet aantonen dat asielzoekers structureel op die manier worden behandeld in Kroatië. Eiser stelt dat het claimakkoord op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening doet vermoeden dat eisers asielverzoek niet inhoudelijk zal worden beoordeeld in Kroatië. Tot slot stelt eiser dat verweerder ondeugdelijk gemotiveerd heeft dat er geen toepassing wordt gegeven aan de discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan dat lidstaten bij de behandeling van asielverzoeken hun internationale verplichtingen zullen nakomen. Dit wordt ook wel het interstatelijk vertrouwensbeginsel genoemd. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertonen dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM [2] of artikel 4 van Pro het Handvest. [3] Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. [4]
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. Uit de uitspraak van de Afdeling [5] van 9 oktober 2024 [6] , die daarna meerdere keren is bevestigd [7] , volgt dat verweerder nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. In de uitspraak van de Afdeling is aan bod gekomen dat er geen gedocumenteerde gevallen zijn van pushbacks van Dublinclaimanten, dat er geen obstakels zijn voor Dublinclaimanten om toegang te krijgen tot de asielprocedure en dat zij doorgaans ook feitelijke toegang krijgen tot opvang.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een geldig claimakkoord. Door het claimverzoek te accepteren op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening heeft Kroatië erkend dat zij moet vaststellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Het is vervolgens aan Kroatië om eventueel verder te kijken en te bepalen of een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van eisers asielaanvraag. Dit betekent niet dat de Kroatische autoriteiten de asielaanvraag van eiser niet inhoudelijk in behandeling zullen nemen als zij daartoe op grond van de Dublinverordening gehouden zijn of dat eiser geen herhaalde asielaanvraag kan indienen. Zoals hiervoor is vastgesteld dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, kan er eveneens vanuit worden gegaan dat Kroatië de asielaanvraag van eiser behandelt in lijn met Europese richtlijnen en internationale verdragen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het in zijn geval niet mogelijk zal zijn om zo nodig een nieuwe aanvraag in te dienen.
5.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de gestelde ervaringen van eiser in Kroatië niet leiden tot de conclusie dat sprake is van structurele tekortkomingen. Indien eiser in Kroatië toch wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, in de opvang of anderszins, kan hij hierover klagen bij de Kroatische (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen bij de Kroatische autoriteiten voor eiser niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is. Ook is niet gebleken dat eiser een klacht heeft ingediend over de gestelde slechte behandeling door de Kroatische autoriteiten die hij tijdens een eerder verblijf in Kroatië zou hebben meegemaakt.
6. De rechtbank stelt voorop dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening een bevoegdheid geeft om onverplicht een asielverzoek in behandeling te nemen. Verweerder heeft met betrekking tot deze bevoegdheid beleid gemaakt. In paragraaf C2/5 van de Vc 2000 [8] staat dat verweerder hiervan terughoudend gebruik maakt als Nederland daartoe, op grond van de in de Dublinverordening neergelegde criteria, niet verplicht is. Verweerder gebruikt de bevoegdheid in ieder geval als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Vanwege de ruime mate van bestuurlijke vrijheid die verweerder heeft om deze hardheidsclausule toe te passen, toetst de rechtbank deze beslissing terughoudend.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder gehouden was om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid die volgt uit artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Verweerder heeft in dit geval in redelijkheid mogen beslissen dat er geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Kroatië. Eiser heeft zijn ervaringen in Kroatië niet met stukken onderbouwd. Verder heeft verweerder de ervaringen van eiser ook betrokken bij zijn beoordeling over het interstatelijk vertrouwensbeginsel en daarin ook daarom geen aanleiding hoeven zien om de aanvraag met toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [9] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
4.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 in de zaak C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.Zoals in de uitspraken van de Afdeling van 19 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4664, 10 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5076, 6 maart 2025 ECLI:NL:RVS:2025:919 en 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3901.
8.Vreemdelingencirculaire 2000.
9.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.