ECLI:NL:RBDHA:2026:16944

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL26.33356
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 lid 3 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling met zicht op uitzetting Marokko

De vreemdeling, met Marokkaanse nationaliteit, is op 24 april 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten zonder zitting.

De rechtbank heeft eerder op 6 mei 2026 de rechtmatigheid van de maatregel tot dat moment bevestigd. De beoordeling richt zich daarom op de periode na 6 mei 2026. De vreemdeling betoogt dat het zicht op uitzetting niet deugdelijk is beoordeeld omdat de Marokkaanse autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de laissez-passer aanvraag.

De rechtbank volgt dit niet en stelt dat het lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten doorgaans tijd kost, zeker zonder identiteitsdocumenten. De vreemdeling heeft onvoldoende meegewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en terugkeer, wat blijkt uit het vertrekgesprek van 1 juni 2026. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat het lp-traject zal mislukken. De rechtbank oordeelt dat het voortduren van de maatregel rechtmatig is en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33356

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 24 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 22 juni 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2002 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 6 mei 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 6 mei 2026, rechtmatig was. [2] Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 6 mei 2026.
4. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting niet deugdelijk beoordeeld kan worden. Vanuit de Marokkaanse autoriteiten is er nog geen antwoord gekomen op de lp-aanvraag. Informatie over de afgifte van lp's aan ongedocumenteerde Marokkanen ontbreekt, zodat het zicht op uitzetting een louter (vage) aanname is.
5. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Er zijn geen aanknopingspunten dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Marokko in het algemeen, [3] of in het bijzonder van eiser, is komen te ontbreken. De op 29 april 2026 ingediend lp-aanvraag is nog in behandeling bij de Marokkaanse autoriteiten. Met een lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten is in het algemeen de nodige tijd gemoeid, zeker als een vreemdeling, zoals in het geval van eiser, geen enkel document over zijn identiteit en nationaliteit overlegt. De rechtbank wijst erop dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en het lp-traject. Niet is gebleken dat eiser dat voldoende doet. Zo blijkt uit het verslag van het vertrekgesprek van 1 juni 2026 dat eiser niets heeft gedaan om mee te werken aan de vaststelling van zijn identiteit en zijn terugkeer, omdat hij niet wil terugkeren naar Marokko. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat het lp-traject op niets zal uitlopen en dat er voor hem uiteindelijk geen lp zal worden afgegeven. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 22 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
3.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269, van 8 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3033 en van 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.