ECLI:NL:RBDHA:2026:16924

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
2005853\ RL EXPL 25-23149
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 7:634 BWArt. 6:89 BWArt. 6:119 BWArt. 236 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering opbouw wettelijke vakantie-uren tijdens slapend dienstverband

De zaak betreft een geschil tussen een voormalig werknemer en haar werkgever over de opbouw van wettelijke vakantie-uren tijdens een slapend dienstverband na langdurige arbeidsongeschiktheid.

De werknemer vorderde betaling van vakantie-uren opgebouwd vanaf het moment dat de loondoorbetalingsverplichting stopte, stellende dat het toepasselijke wetsartikel in strijd is met Europese regelgeving. De werkgever verweerde zich met een beroep op gezag van gewijsde van een eerdere uitspraak waarin alle verlofaanspraken tot het einde van het dienstverband waren vastgesteld.

De kantonrechter oordeelde dat de eerdere uitspraak bindend is en dat de vordering feitelijk over dezelfde rechtsbetrekking gaat, zodat deze niet opnieuw kan worden behandeld. Daarnaast werd een nieuwe grondslag die tijdens de mondelinge behandeling werd ingebracht buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde.

De vordering werd afgewezen en de werknemer werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot betaling van vakantie-uren opgebouwd tijdens het slapend dienstverband wordt afgewezen vanwege gezag van gewijsde en schending van de goede procesorde.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
esp/c
Zaaknummer: 12005853 \ RL EXPL 25-23149
Vonnis van 28 mei 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres],
gemachtigde: FNV (voorheen mr. J. Aberkrom, thans mr. W.A. van Mourik),
tegen
de stichting STICHTING HOGER BEROEPS ONDERWIJS HAAGLANDEN,
gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,
gedaagde partij,
hierna te noemen: HHS,
gemachtigde: mr. M. de Vries.

1.De procedure

1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
- de dagvaarding van 1 december 2025;
- de conclusie van antwoord;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de door beide partijen in het geding gebrachte producties.
1.2.
Op 22 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij zijn verschenen: [eiseres], bijgestaan door mr. Van Mourik, en namens HHS, [naam] (voorzitter van het college van bestuur), bijgestaan door mr. M. de Vries. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. Een schikking tussen partijen is niet bereikt.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
HHS bestuurt een onderwijsinstelling die hbo-opleidingen aanbiedt.
2.2.
[eiseres] is op 28 januari 2013 in dienst getreden bij HHS. De laatste functie die zij vervulde, is die van opleidingsmanager ad interim, met een maandsalaris van € 7.227,86 bruto.
2.3.
Op 29 januari 2018 heeft [eiseres] zich ziek gemeld. Vanaf 27 januari 2020 heeft [eiseres] een uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijke arbeidsongeschikten (een WGA-uitkering) ontvangen.
2.4.
Bij verzoekschrift van 2 december 2022 heeft HHS de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden wegens primair langdurige arbeidsongeschiktheid (b-grond), subsidiair een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en meer subsidiair andere omstandigheden (h-grond) met, als de kantonrechter een transitievergoeding toekent, toewijzing van het door de HHS als zodanig berekende bedrag met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.
2.5.
Bij beschikking van 10 februari 2023 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 mei 2023 ontbonden op de b-grond en HHS veroordeeld een transitievergoeding te betalen van € 19.706,25 (bruto) en de proceskosten. Daarbij heeft de kantonrechter overwogen dat geen sprake meer is van een opzegverbod omdat de arbeidsongeschiktheid ten minste twee jaren heeft geduurd en niet te verwachten is dat [eiseres] binnen 26 weken zodanig hersteld is dat zij haar werkzaamheden (in aangepaste vorm) weer kan verrichten of in een andere passende functie kan worden herplaatst. De billijke vergoeding is afgewezen omdat de HHS geen ernstig verwijt kan worden gemaakt.
2.6.
Tegen deze beschikking is door [eiseres] hoger beroep ingesteld.
2.7.
Het Gerechtshof Den Haag is in zijn beschikking van 26 maart 2024 tot de slotsom gekomen dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat herstel van [eiseres] binnen 26 weken voor het verrichten van het eigen werk (al dan niet in aangepaste vorm) niet te verwachten is en dat om dezelfde reden herplaatsing in een andere passende niet in de rede ligt. Het hof is vervolgens tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst gekomen per 1 juni 2023. Daarnaast is HHS tot betaling van een (hogere) transitievergoeding van € 29.941,25 (bruto) en de proceskosten veroordeeld.
2.8.
Tussen partijen is vervolgens een geschil ontstaan over de eindafrekening. Bij dagvaarding van 22 mei 2024 heeft [eiseres] gevorderd dat HHS wordt veroordeeld tot betaling van door haar genoemde bedragen ter zake van de eindafrekening van vakantiedagen, vakantiegeld, eindejaarsuitkering, vermeerderd met wettelijke verhoging, rente en (proces)kosten. In reconventie heeft HHS gevorderd dat [eiseres] wordt veroordeeld tot betaling van bedragen in verband met door HHS onverschuldigd betaalde verlofuren, te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten.
2.9.
De kantonrechter heeft in haar vonnis van 19 december 2024 het saldo van door [eiseres] opgebouwde en nog niet door HHS uitbetaalde verlofuren per einde dienstverband vastgesteld en het tarief waartegen deze verlofuren moeten worden uitbetaald. HHS is veroordeeld een bedrag van € 7.063,21 (bruto) ter zake van de eindafrekening van vakantiedagen aan [eiseres] te betalen vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en wettelijke rente. Daarnaast is HHS veroordeeld tot betaling van bedragen voor vakantiegeld, eindejaarsuitkering, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro en wettelijke rente en (proces)kosten. De reconventionele vordering van HHS is afgewezen en HHS is in de kosten veroordeeld.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert – samengevat – HHS bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van:
a. een bedrag van € 33.790,88 (bruto) ter zake van de eindafrekening van vakantiedagen;
b. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro van 50% over hiervoor genoemde post;
c. een bedrag van € 1.366,37 (excl. BTW) ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;
d. de wettelijke rente over alle gevorderde bedragen;
e. de proceskosten.
3.2.
[eiseres] legt aan haar vordering – samengevat – het volgende ten grondslag. Zij maakt aanspraak op wettelijke vakantiedagen opgebouwd in de periode van 30 januari 2020 tot aan het einde van het dienstverband op 1 juni 2023. Artikel 7:634 lid 1 BW Pro dat bepaalt dat slechts wettelijke vakantiedagen worden opgebouwd over de periode dat een werknemer aanspraak heeft op loon is in strijd met artikel 7 lid 1 van Pro de Richtlijn 2003/88/EG (de Richtlijn), met artikel 31 lid 2 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) en met vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Uitgaande van een verlofopbouw van 160 uur per jaar heeft zij tussen 30 januari 2020 en 1 juni 2024 534,39 vakantie-uren opgebouwd. Deze uren gewaardeerd tegen een uurloon van € 63,23 leidt tot een bedrag van € 33.790,88 (bruto). Daarnaast maakt [eiseres] aanspraak op de wettelijke verhoging van 50% ex 7:625 BW jo artikel 18c van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WMM) en de wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro.
3.3.
HHS voert verweer. HHS concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
3.4.
HHS voert – samengevat – het volgende aan. In het vonnis van 19 december 2024 zijn de verlofuren van [eiseres] tot einde dienstverband al aan de orde gesteld en heeft de kantonrechter daar al een oordeel over gegeven. Dit vonnis heeft kracht van gewijsde en bindt partijen zodat deze vraag niet nogmaals aan de rechter kan worden voorgelegd. [eiseres] heeft in haar dagvaarding van 22 mei 2024 erkend dat zij geen vakantie-uren heeft opgebouwd over de jaren 2022 en 2023. [eiseres] had haar vordering eerder kunnen instellen. Zij had ook eerder aan HHS kenbaar kunnen maken aanspraak te maken op opbouw van vakantie-uren. [eiseres] heeft haar rechten verwerkt om uitbetaling van opgebouwde vakantie-uren vanaf het derde ziektejaar te vorderen. HHS mocht er op vertrouwen dat zij dit niet meer aan de orde zou stellen. Ook heeft zij de klachtplicht van artikel 6:89 BW Pro geschonden. HHS beroept zich op artikel 7:634 BW Pro en stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van strijd met Richtlijn of Handvest. HHS meent dat [eiseres] haar met deze procedure nodeloos op kosten jaagt en verzoekt haar te veroordelen in de proceskosten en ingeval van toewijzing van de vordering rekening te houden met door HHS nodeloos gemaakte proceskosten.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het meest verstrekkende verweer van HHS bestaat uit het beroep op de kracht en het gezag van gewijsde van het vonnis van 19 december 2024. In dat vonnis is volgens HHS al beslist over door [eiseres] opgebouwde vakantieaanspraken tot het einde van het dienstverband. Dezelfde vraag kan in deze procedure niet nogmaals aan de orde worden gesteld. Volgens [eiseres] heeft de kantonrechter zich in die eerdere zaak niet uitgelaten over de opbouw van wettelijke verlofuren na afloop van de loondoorbetalingsverplichting. Dat betekent dat de onderhavige vordering zelfstandig dient te worden beoordeeld en niet kan worden afgewezen op grond van een eerdere uitspraak, aldus [eiseres].
De kantonrechter is van oordeel dat de vordering van [eiseres] betrekking heeft op wat in de eerdere procedure aan de orde is geweest en waar de kantonrechter zich toen al over heeft uitgesproken, zodat de vordering moet worden afgewezen. Daartoe is het volgende redengevend.
4.2.
In artikel 236 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. De ratio van het leerstuk van gezag van gewijsde komt erop neer dat aan geschillen tussen partijen over dezelfde rechtsbetrekking eens een einde moet komen.
Het gezag van gewijsde staat eraan in de weg dat dezelfde vordering opnieuw wordt ingesteld, ook als er nieuw bewijsmateriaal beschikbaar is (HR 14 oktober 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC3786) of de grondslag nader is onderbouwd met aanvullende feiten (HR 13 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000). Voor een geslaagd beroep op het gezag van gewijsde is niet vereist dat in de volgende procedure hetzelfde wordt gevorderd als in de eerste procedure. Het gaat erom dat de beslissing in de eerste procedure in de weg staat aan een nieuw oordeel over de rechtsbetrekking dat in de latere procedure wordt gevraagd, in die zin dat dit nieuwe oordeel zou kunnen leiden tot een vonnis dat zich naar zijn uitkomst niet met het eerdere vonnis verdraagt (HR 18 september 1992, NJ 1992/747). Het gezag van gewijsde komt toe aan alle beslissingen die noodzakelijk zijn om de rechtsverhouding tussen partijen te bepalen en de in het dictum neergelegde uitspraak dragen (HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8514).
4.3.
Vast staat dat het vonnis van de kantonrechter van 19 december 2024 in kracht van gewijsde is gegaan. De beslissingen in dat vonnis die noodzakelijk zijn om de rechtsverhouding tussen partijen te bepalen en de in het dictum neergelegde uitspraak dragen, hebben daarmee tussen partijen gezag van gewijsde.
4.4.
In het vonnis van 19 december 2024 is de door [eiseres] in die procedure ingestelde vordering – voor zover hier van belang – als volgt (in 3.1 aanhef en onder a) verwoord:
“[eiseres] vordert (…) de HHS te veroordelen tot betaling van een bedrag (…) ter zake van de eindafrekening van vakantiedagen.”De kern van het geschil tussen partijen is door de kantonrechter (in 4.2) genoemd:
“de discussie over het verschil in saldo van verlofuren van [eiseres] per einde dienstverband.”De kantonrechter heeft (in 4.3) overwogen dat:
“[u]it het overzicht van de HHS volgt dat [eiseres] per 27 januari 2020 (de datum waarop de loondoorbetalingsverplichting van de HHS stopte) een verlof saldo had van 539,32 uren.”Omdat [eiseres] geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat dit niet correct zou zijn, is de kantonrechter – zo heeft zij in 4.3 toegelicht – uitgegaan van de juistheid van dit verlofsaldo. Vervolgens heeft de kantonrechter beoordeeld of deze uren alle voor vergoeding in aanmerkingen komen en tegen welk uurloon. Dat heeft geleid tot de beslissing dat (in 5. onder 1.) de HHS is veroordeeld om aan [eiseres] te betalen
“een bedrag van € 7.063,21 bruto ter zake van de eindafrekening van vakantiedagen.”
4.5.
Het vonnis van 19 december 2024 kan niet anders worden begrepen dan dat daarin alle verlofaanspraken van Nanninga op HHS tot het einde van het dienstverband (dat wil zeggen: tot 1 juni 2023) zijn vastgesteld. Het gaat immers in de beoordeling over aanspraken per
einde dienstverbanden in de beslissing over een
eindafrekeningvan vakantiedagen. Dat bestrijkt de gehele periode dat het dienstverband heeft geduurd tot het einde per 1 juni 2023. Dat partijen er in die procedure vanuit zijn gegaan dat er geen verlof is opgebouwd na het verstrijken van de loondoorbetalingsperiode van 104 weken is daarbij niet van belang. Van belang is dat de verlofaanspraken voor de gehele periode tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op 1 juni 2023 zijn vastgesteld in het vonnis van 19 december 2024.
Daarmee is er geen ruimte meer om voor een bepaald tijdvak binnen die gehele periode, te weten: de periode van 27 januari 2020 tot 1 juni 2023, nogmaals een vordering tot vaststelling van verlofdagen in te stellen. Een nieuw oordeel over de eindafrekening vakantiedagen, zou tot een nieuwe eindafrekening (kunnen) leiden die zich naar zijn uitkomst niet met de eindafrekening uit het vonnis van 19 december 2024 kan verdragen. Dat zou dan tot de onwenselijke situatie leiden dat er met betrekking tot de dezelfde rechtsbetrekking twee vonnissen met twee (verschillende) eindafrekeningen naast elkaar bestaan. Wanneer [eiseres] van mening was dat zij ook vakantieaanspraken heeft opgebouwd in de periode van 27 januari 2020 tot 1 juni 2023 dan had zij die in de procedure die geleid heeft tot het vonnis van 19 december 2024 kunnen vorderen en/of van dit vonnis tijdig in beroep moeten komen.
4.6.
Ter zitting heeft [eiseres] naar voren gebracht dat er geen sprake was van een ‘klassiek’ slapend dienstverband maar dat er – zo begrijpt de kantonrechter, tijdens het slapende dienstverband – re-integratieactiviteiten door haar zijn ondernomen en dat HHS, al dan niet in verband daarmee, haar verplichtte verlofuren te registreren. HHS heeft bezwaargemaakt tegen deze nieuwe grondslag, heeft zowel de re-integratieactiviteiten als de registratie van verlof betwist en heeft er daarbij op gewezen dat de rechters in alle eerdere procedures steeds hebben vastgesteld dat er geen re-integratie heeft plaatsgevonden ook niet na de 104-wekenperiode.
4.7.
De kantonrechter overweegt dat deze nieuwe grondslag niet in de dagvaarding genoemd is en daarin ook niet impliciet aan de orde is gesteld. In eerdere procedures tussen partijen is de vraag of re-integratie (voor en na het einde van 104-wekenperiode) heeft plaatsgevonden aan de orde geweest en is daarover geoordeeld. In deze procedure heeft [eiseres] aan re-integratie of aan het opbouwen of opnemen van verlof, geen woord besteed tot de mondelinge behandeling. Met HHS is de kantonrechter het eens dat dat te laat is. Door [eiseres] is niet toegelicht waarom dit beroep zo laat in de procedure gedaan is. [eiseres] had zich in de dagvaarding op deze grondslag kunnen beroepen. Door dit pas op de mondelinge behandeling aan de orde te stellen, heeft [eiseres] HHS de mogelijkheid ontnomen om hierop deugdelijk voorbereid te reageren. Daarmee komt de kantonrechter tot het oordeel dat [eiseres] in strijd met de goede procesorde (artikel 130 Rv Pro) heeft gehandeld en blijft deze grondslag buiten beschouwing
4.8.
Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat in het vonnis van 19 december 2024 al is beslist over de verlofaanspraken van [eiseres] tot het einde van haar dienstverband en dat die beslissing partijen bindt zodat de vorderingen van [eiseres] in deze procedure zullen worden afgewezen.
4.9.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kantonrechter ziet geen aanleiding andere kosten dan die hieronder genoemd ten laste van [eiseres] te brengen.
De proceskosten van HHS worden begroot op:
- salaris gemachtigde
1.732,00
(2 punten × € 866,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.876,00
4.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af;
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.876,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.W. Schippers en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.