ECLI:NL:RBDHA:2026:16877

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL25.55508
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 31, zesde lid, Vw 2000Art. 3.113, tweede lid, Vreemdelingenbesluit 2000Art. 16 ProcedurerichtlijnArt. 4, vijfde lid, Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid en onvoldoende risico op ernstige schade

Eiser, een Pakistaanse nationaliteit behorende tot de Urdu bevolkingsgroep, diende op 25 april 2022 een asielaanvraag in die door de minister op 16 oktober 2025 werd afgewezen. De rechtbank beoordeelde het beroep op 23 april 2026 en oordeelde dat de minister terecht de problemen met een persoon genaamd [persoon A] ongeloofwaardig achtte.

De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende documenten had overgelegd en geen goede verklaring gaf voor het ontbreken daarvan. Daarnaast vormden zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel, met tegenstrijdigheden over zijn vertrek uit Haripur, de aard van zijn verwondingen, beschermingsmogelijkheden en de motieven van [persoon A].

Verder werd geoordeeld dat eiser zijn asielaanvraag in Nederland tijdig had ingediend, waardoor het tegenwerpen van artikel 31, zesde lid, onder d van de Vreemdelingenwet 2000 niet standhield. De algemene situatie in Khyber Pakhtunkhwa bood geen verhoogd risico op ernstige schade voor eiser.

De rechtbank concludeerde dat de afwijzing van de asielaanvraag terecht was en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid en onvoldoende risico op ernstige schade.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.55508

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S. Bozkurt).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de problemen met [persoon A] terecht ongeloofwaardig geacht. Verder zijn de voorwaarden genoemd in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 zoals dat luidde tot 12 juni 2026 cumulatief en kan de minister aan eiser tegenwerpen dat hij niet eerder een asielaanvraag heeft ingediend. Tot slot betekent de algemene situatie in Khyber Pakhtunkhwa niet dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 25 april 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Arrest Ebilum
3. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in Ebilum [1] , het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom niet langer, wanneer zij het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid toetst, beoordelen of de minister zich ‘niet ten onrechte’ op een bepaald standpunt heeft gesteld.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Pakistaanse nationaliteit en behoort tot de Urdu bevolkingsgroep. Eiser heeft verklaard dat hij chatcontact had met het zusje, van zijn beste vriend. Toen zij een aantal dagen verdwenen was, zag haar familie de chatberichten tussen hem en haar en een andere jongen genaamd [persoon A]. [persoon A] bleek haar te hebben ontvoerd en is hiervoor gearresteerd. Na zijn vrijlating heeft [persoon A] het zusje van zijn beste vriend vermoord. Vervolgens hebben [persoon A] en zijn vrienden eiser aangevallen door op hem te schieten en hem met messen te steken. Eiser en zijn familie worden door [persoon A] bedreigd en vrezen te worden vermoord door [persoon A]. Hierdoor is eiser gevlucht in 2021.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst
2. problemen met [persoon A]
5.1.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De minister acht de problemen met [persoon A] niet geloofwaardig. Omdat het asielmotief niet met objectieve documenten is onderbouwd heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, c en d van de Vw 2000 zoals dat luidde tot 12 juni 2026. De minister werpt eiser tegen dat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven (artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw 2000). Verder vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel (artikel 31, zesde lid onder c, van de Vw 2000) en heeft hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft hij daarvoor geen goede verklaring (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000). De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.
De problemen met [persoon A]
6. Eiser betoogt dat de minister de problemen met [persoon A] ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft immers voldoende duidelijk verklaard over zijn vertrek uit Haripur, zijn verwondingen, de beschermingsmogelijkheden en over [persoon A]. Het ontbreken van documenten doet in dit geval geen afbreuk aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Eiser is vanuit Oekraïne gekomen en viel als derdelander onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (Richtlijn). De asielprocedure speelde daarom geen belangrijke rol.
Het ontbreken van documenten
6.1.
De problemen met [persoon A] zijn niet volledig met objectieve documenten onderbouwd. De rechtbank is met de minister van oordeel dat eiser geen goede verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van deze documenten. Eiser heeft immers verklaard documenten te hebben en deze op te vragen bij onder meer zijn familie, maar hij heeft deze tot op heden niet ingediend. [2] De minister stelt terecht dat niet wordt ingezien dat eiser niet aan zijn ouders en/of broers kan vragen om documenten te sturen. Dat, zoals eiser op zitting heeft gesteld, zijn familie in Pakistan is verhuisd, is geen verschoonbare reden. Onduidelijk is immers hoe dit de familie belemmert in het verkrijgen van documenten. In dit kader heeft de minister terecht van belang geacht dat eiser al geruime tijd in Nederland is en dus ruim de tijd heeft gehad om de benodigde documenten te verzamelen. De stelling dat eiser enige tijd onder de Richtlijn viel en daarom geen asielaanvraag hoefde in te dienen heeft de minister terecht niet aangemerkt als een goede verklaring. Juist in die periode, waarin eiser beschikte over huisvesting en werk in Nederland, had eiser zijn familie in Pakistan kunnen vragen om documenten op te sturen. Daarnaast dateert de asielaanvraag van 30 mei 2022 en heeft eiser verklaard dat hij zich voor het doen van de aanvraag heeft georiënteerd over zijn mogelijkheden tot het aanmelden voor asiel. [3] De minister stelt dan ook terecht dat niet wordt ingezien dat eiser bij het doen van zijn asielaanvraag niet bewust is geweest van het belang van bewijsstukken om zijn asielaanvraag te onderbouwen. Gelet op het voorgaande heeft eiser onvoldoende inspanning verricht om de documenten te verkrijgen.
De verklaringen van eiser
6.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser over zijn problemen met [persoon A] geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Op hetgeen eiser hierover heeft aangevoerd zal de rechtbank hieronder ingaan.
Verklaringen over vertrek uit Haripur
7. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat hij wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard over zijn vertrek uit Haripur. Eiser heeft hierover duidelijk verklaard dat hij woonde in het dorp [naam dorp] dat in het district Haripur lag. Eiser heeft zijn dorp begin 2020 na de aanval door [persoon A] verlaten en is naar Lahore gegaan. Eiser is daarna eind 2020 naar de stad Haripur teruggegaan in verband met de aanvraag van zijn paspoort. Hij is toen teruggegaan naar het district Haripur, maar niet naar zijn dorp.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn vertrek uit Haripur. Eiser heeft in eerste instantie verklaard dat hij tot aan zijn vertrek uit Pakistan in 2021 in Haripur heeft gewoond. [4] Later verklaart eiser dat hij voor zijn vertrek uit Pakistan op 26 juli 2021, zes maanden in Lahore heeft verbleven en eind 2020 Haripur heeft verlaten voor Lahore. [5] Ook heeft eiser verklaard dat hij in februari 2020 uit Haripur is vertrokken naar Lahore. [6] Dit is bevestigd in de correcties en aanvullingen. Toen eiser geconfronteerd werd met de wisselende verklaringen, verklaarde eiser dat hij bedoelde dat zijn familie tot 2021 in Haripur is gebleven, maar dat hij in 2020 al is vertrokken. De minister stelt terecht dat dit niet wordt gevolgd, aangezien niet is gevraagd naar zijn familie. Dat eiser met zijn verklaringen heeft bedoeld dat hij zijn dorp heeft verlaten, verklaart evenmin de tegenstrijdigheid in zijn verklaringen. Immers dit ziet enkel op de tegenstrijdige verklaringen over het jaar 2020, maar verklaart niet waarom eiser eerst heeft verklaard in 2021 Haripur te hebben verlaten.
Verklaringen over de verwondingen
8. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat zijn verklaringen over hoe hij aan zijn verwondingen is gekomen tegenstrijdig zijn. Eiser heeft verklaard dat hij wel is beschoten maar niet door de schoten gewond is geraakt, maar door messteken. [7] In de correcties is hier enkel naar verwezen. De minister had eiser bovendien moeten confronteren met zijn gestelde tegenstrijdige verklaringen.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht gesteld dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over hoe hij gewond is geraakt. Eiser heeft namelijk tijdens het nader gehoor drie keer uit eigen beweging verklaard dat hij is beschoten en daardoor zijn nieren zijn beschadigd. [8] Later in het gehoor verklaarde eiser dat niet de kogels maar de messteken hebben gezorgd voor de nierklachten. [9] Toen [persoon A] en zijn vrienden door hadden dat eiser de kogels had ontweken, staken zij eiser neer. Hierdoor is wisselend verklaard over hoe eisers nier beschadigd is geraakt. Nu dit incident mede de reden van eisers vertrek is geweest, mag van eiser verwacht worden dat hij hier eenduidig over kan verklaren. . Dat eiser in de correcties heeft gesteld dat hij heeft bedoeld met een mes en niet met kogels te zijn geraakt acht de rechtbank met de minister terecht geen afdoende verklaring De minister wijst er in het bestreden besluit terecht op dat eiser meermaals uit eigen beweging heeft verklaard dat hij is beschoten en door kogels is geraakt.
8.2.
Het klopt dat eiser de minister eiser tijdens het nader gehoor niet heeft gewezen op deze tegenstrijdigheid, maar eiser pas bij het voornemen met deze tegenstrijdigheid heeft geconfronteerd. Dit maakt echter niet dat eiser deze tegenstrijdigheid niet kan worden tegengeworpen. Uit artikel 16 van Pro de Procedurerichtlijn, geïmplementeerd in artikel 3.113, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 zoals dat luidde tot 12 juni 2026 volgt niet dat eiser enkel tegenstrijdigheden mogen worden tegengeworpen waarmee hij tijdens het nader gehoor is geconfronteerd. [10] De minister heeft eiser tijdens het gehoor met andere tegenstrijdigheden geconfronteerd. Vervolgens heeft eiser in de zienswijze de gelegenheid gehad om te reageren op de tegenstrijdigheden die hem in het voornemen zijn tegengeworpen. Daarmee is voldaan aan het vereiste uit artikel 16 van Pro de Procedurerichtlijn dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om uitleg te geven over tegenstrijdigheden in zijn verklaringen.
Verklaringen over de beschermingsmogelijkheden
9. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat zijn verklaringen over de beschermingsmogelijkheden ongerijmd zijn. Eiser heeft verklaard dat zijn moeder voor de overheid werkzaam was en daarom bescherming krijgt tegen [persoon A]. Bovendien was eiser het primaire doelwit van [persoon A] en daarom moest hij onderduiken. Later is zijn gezin ook vertrokken.
9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht gesteld dat eiser ongerijmd heeft verklaard over de beschermingsmogelijkheden. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij geen bescherming kan krijgen van de autoriteiten omdat de familie van [persoon A] veel connecties hebben. [11] Vervolgens verklaart eiser dat zijn moeder als wijkverpleegkundige wel twee politiemannen meekreeg als bescherming. [12] De minister stelt terecht dat niet wordt ingezien dat eiser geen bescherming kan krijgen, maar eisers moeder wel. De connecties en invloeden van de familie van [persoon A] zou immers ook de bescherming van eisers moeder moeten bemoeilijken. Dat de bescherming van eisers moeder door haar baas is geregeld, doet hier niet aan af aangezien de bescherming wordt geboden door de politie.
Verklaringen over periode van [persoon A] afwezigheid in het dorp
10. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de periode van [persoon A] afwezigheid in het dorp. Eiser weet namelijk dat [persoon A] een tijd na de moord op [persoon B] niet in het dorp aanwezig was, maar weer terug kwam en eiser heeft aangevallen. Aangezien het een chaotische periode was, kan eiser zich dat niet goed herinneren.
10.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de periode van [persoon A] afwezigheid in het dorp. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij twee weken na de moord van [persoon B] door [persoon A] en zijn vrienden is aangevallen. [13] Ook heeft hij verklaard dat de politie na de moord op [persoon B] naar [persoon A] zou hebben gezocht, maar dat er één maand geen teken van [persoon A] was in het dorp. [14] Dit staat haaks op de eerdere verklaring dat eiser in het dorp twee weken na de moord op [persoon B] is aangevallen door [persoon A]. De verklaring in de correcties en aanvullingen dat eiser denkt dat het toch meer dan twee weken na de moord op [persoon B] geweest is dat hij is aangevallen door [persoon A] neemt deze tegenstrijdigheid niet weg. Dat het een chaotische periode was en eiser daarom wisselend heeft verklaard, is ook geen verschoonbare reden. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij tot aan de aanval geen problemen heeft ondervonden. De minister stelt daarom terecht dat niet wordt ingezien dat deze periode chaotisch was voor eiser. De minister mag van eiser verwachten dat eiser consistent kan verklaren over deze omstandigheid, te meer omdat dit het begin was van zijn gestelde problemen met [persoon A]. De beroepsgrond slaagt niet.
Verklaringen over de motieven van [persoon A]
11. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat hij ongerijmd heeft verklaard over de motieven van [persoon A]. Volgens [persoon A] is eiser namelijk betrokken bij de aangifte tegen [persoon A]. Eiser vreest hierdoor voor eerwraak.
11.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser ongerijmd heeft verklaard over de motieven van [persoon A]. Eiser verklaart dat hij denkt dat [persoon A] hem wil vermoorden omdat het een eerkwestie is. [15] Eiser heeft verder verklaard dat [persoon A] uit eigen beweging [persoon B] heeft gedood. Niet is gebleken dat [persoon A] eiser hiervan de schuld geeft. Verder heeft eiser verklaard dat de gesprekken tussen hem en [persoon B] enkel gingen over dagelijkse onderwerpen en het alleen vriendschappelijk was. [16] Bovendien heeft eiser niet zelf aangifte gedaan, maar is hij meegegaan met de familie van [persoon B]. [17] Eiser heeft ook verklaard dat het de familie van [persoon B] is geweest die [persoon A] als straf voor de ontvoering in de gevangenis liet plaatsen. [18] De minister stelt daarom terecht dat niet wordt ingezien dat [persoon A] enkel door eisers aanwezigheid bij het indienen van de aangifte, hem hiervan beschuldigt en hem zelfs wil vermoorden.
Het moment van het indienen van de aanvraag
12. Eiser voert aan dat artikel 31, zesde lid, onder d van de Vw 2000 zoals dat luidde tot 12 juni 2026 ten onrechte is tegengeworpen. Eiser heeft na aankomst in Nederland zich gemeld voor bescherming op grond van de Richtlijn en heeft tegelijkertijd een asielaanvraag ingediend. Wat eiser voor binnenkomst in Nederland heeft gedaan, doet niet ter zake. Verder betoogt eiser dat de minister artikel 31, zesde lid, onder a en e van de Vw 2000 zoals dat luidde tot 12 juni 2026 niet is tegengeworpen en daar zijn ten onrechte geen consequenties aan verbonden.
12.1
De minister stelt dat eiser niet zo spoedig mogelijk zijn asielaanvraag heeft ingediend. Eiser heeft in maart 2022 Oekraïne verlaten en is twee of drie maanden later in Nederland aangekomen. Hij is eerst nog in Polen, Duitsland, Frankrijk, Spanje en Portugal geweest. Daar is geen asielverzoek gedaan. Gelet op de door eiser gestelde vrees voor zijn leven bij terugkeer naar Pakistan, mag van hem worden verwacht dat hij vanwege de tijdelijkheid van zijn verblijfsstatus zo spoedig mogelijk asiel had aangevraagd na binnenkomst in Europa. Ook wordt hierdoor niet ingezien dat eiser eerst maandenlang verschillende landen is getrokken. Dat eiser zich aan het oriënteren was waar hij zich kon melden voor bescherming, wordt niet gevolgd en is geen verschoonbare reden.
12.2
De beroepsgrond slaagt. Uit artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d van de Vw 2000 zoals dat luidde tot 12 juni 2026 volgt dat de vreemdeling het voordeel van de twijfel wordt gegeven als de vreemdeling de aanvraag zo spoedig mogelijk heeft ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten. Dit is nader uitgewerkt in paragraaf C2/4.3.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000. Hierin staat dat van een spoedige aanvraag sprake is als de asielaanvraag binnen 48 uur na binnenkomst is ingediend. De rechtbank volgt eiser dan ook in zijn betoog dat enkel ter zake doet of hij in Nederland zo spoedig mogelijk zijn aanvraag heeft ingediend. De minister heeft eiser enkel tegengeworpen dat hij niet elders in Europa zo spoedig mogelijk een asielaanvraag heeft ingediend. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de tijdigheid van het in Nederland gedane asielverzoek niet ter discussie staat. Hier zijn ook geen aanknopingspunten voor te vinden in het dossier. Dit betekent dat de minister artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 zoals dat luidde tot 12 juni 2026 niet heeft kunnen tegenwerpen.
12.3
Dit betekent echter niet dat de asielaanvraag van eiser voor toewijzing in aanmerking komt. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie volgt namelijk dat de voorwaarden genoemd in artikel 4, vijfde lid van de Kwalificatierichtlijn zoals dat luidde tot 12 juni 2026 cumulatieve voorwaarden zijn. [19] Het niet voldoen aan één van die voorwaarden zou kunnen volstaan om een vreemdeling niet het voordeel van de twijfel te geven ten aanzien van verklaringen waarvoor bewijsmiddelen ontbreken en om het asielmotief ongeloofwaardig te achten. Dit neemt niet weg dat de minister, een asielaanvraag altijd op individuele basis moet beoordelen, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval en rekening houdt met alle relevante feiten. [20] De minister heeft ter zitting toegelicht dat de tegenwerpingen van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d van de Vw 2000 zoals dat luidde tot 12 juni 2026 (het niet zo spoedig mogelijk indienen van de aanvraag) niet dragend is voor de afwijzing van de asielaanvraag. Het belangrijkste is dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 zoals dat luidde tot 12 juni 2026). Daar komt bij dat de minister eiser terecht heeft tegengeworpen dat hij geen hij zonder goede verklaring geen documenten heeft overgelegd (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d van de Vw 2000 zoals dat luidde tot 12 juni 2026). Dit is voldoende om eiser niet het voordeel van de twijfel te geven en zijn asielmotief geloofwaardig te achten. De minister heeft, anders dan eiser betoogt, dan ook gevolgen hoeven te verbinden aan het feit dat de minister artikel 31, zesde lid, onder a en e van de Vw 2000 zoals dat luidde tot 12 juni 2026 niet heeft tegengeworpen
Algemene situatie
13. Eiser voert verder aan dat gelet op de situatie in Khyber Pakhtunkhwa waar sprake is van willekeurig geweld hij niet kan terugkeren naar Pakistan. Bovendien is eiser sinds 2021 weg uit Pakistan en is inmiddels verwesterd. Dit blijkt uit zijn uiterlijk, gedrag en waarden en normen.
13.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat eiser in het algemeen geen reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. Uit het Algemeen Ambtsbericht Pakistan van het ministerie van Buitenlandse Zaken van juli 2024 blijkt dat ongeveer 75 procent van het totale aantal terroristische aanvallen in Khyber Pakhtunkhwa was gericht tegen veiligheidspersoneel en ordehandhavingsdiensten, voornamelijk het leger en de politie. Bij deze aanvallen vielen echter ook burgerslachtoffers. [21] Voor de provincie Khyber Pakhtunkhwa is aangenomen dat er sprake is van willekeurig geweld in de zin van een gewapend conflict, maar daarbij wordt voor deze provincie aangenomen dat de mate en intensiteit van het willekeurig geweld dermate laag is dat de kans om hier slachtoffer te worden zeer gering is. [22] Gelet op eisers omstandigheden is er geen verhoogd risico ten opzichte van andere burgers om slachtoffer te worden van willekeurig geweld in Khyber Pakhtunkhwa. Eiser heeft niet aan de hand van zijn persoonlijke omstandigheden aannemelijk gemaakt dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

Conclusie en gevolgen

14. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58.
2.P. 24 en 25 van het nader gehoor.
3.Zie p. 9 van het nader gehoor.
4.Zie p. 4 van het nader gehoor.
5.Zie p. 5 van het nader gehoor.
6.Zie p. 5 van het nader gehoor.
7.Pagina 25 en 26 nader gehoor.
8.P. 3, 15 en 24 van het nader gehoor.
9.P. 25 en 26 van het nader gehoor.
10.ABRvS 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:182.
11.P. 18 en 19 van het nader gehoor.
12.P. 16, 27, 29 en 30 van het nader gehoor.
13.P. 15 van het nader gehoor.
14.P. 24 van het nader gehoor.
15.P. 18 van het nader gehoor.
16.P. 20 van het nader gehoor.
17.P. 15, 18 en 22 van het nader gehoor.
18.P. 23 van het nader gehoor.
19.Zie onder meer het arrest van 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:13, onder 38.
20.Zie ook: Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149 en Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 8 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16613.
21.Zie p. 26 van het Algemeen Ambtsbericht Pakistan van juli 2024.
22.Paragraaf C7/27.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).