Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16855

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL25.26615
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schending hoorplicht bij afwijzing visum kort verblijf door minister

Eisers, beiden met de Marokkaanse nationaliteit, vroegen een visum kort verblijf aan om Nederland te bezoeken. De minister wees de aanvraag af vanwege onvoldoende aantoonbare sociale en economische binding met Marokko en twijfels over het voornemen om tijdig terug te keren.

Eisers maakten bezwaar tegen deze afwijzing, maar de minister verklaarde het bezwaar ongegrond zonder een hoorzitting te houden. De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het horen, omdat er onduidelijkheden bestonden over de economische en sociale binding van eisers met Marokko die door een hoorzitting mogelijk opgehelderd hadden kunnen worden.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en beveelt de minister binnen zes weken een nieuw besluit te nemen na het houden van een hoorzitting. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eisers.

Deze uitspraak benadrukt het belang van de hoorplicht in bezwaarprocedures en dat een minister niet zonder meer mag afzien van een hoorzitting als er twijfel bestaat over de aangevoerde gronden.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van het visum wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht en de minister moet een nieuw besluit nemen na hoorzitting.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26615
V-nummers: [v-nummer 1], [v-nummer 2] en [v-nummer 3]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eisers], eisers,

(gemachtigde: mr. Š. Petković),
en

de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (hierna: de minister)

(gemachtigde: mr. A.R.S. Maas).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers voor een visum kort verblijf. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister ten onrechte geen hoorzitting heeft gehouden in de bezwaarfase. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond. Dit betekent dat de minister alsnog moet horen en daarna een nieuwe beslissing moet nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Op 5 december 2024 hebben eisers een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf.
2.2.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 17 december 2024 afgewezen.
2.3.
Met het bestreden besluit van 27 mei 2025 heeft de minister het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
2.4.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: een kantoorgenoot van de gemachtigde van eisers, mr. L. Hu, en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eisers zijn geboren op [geboortedag 1] 1990 en [geboortedag 2] 2001 en hebben beiden de Marokkaanse nationaliteit. Samen hebben zij een minderjarige zoon die geboren is op [geboortedag 3] 2023. Eisers wilden oorspronkelijk Nederland bezoeken voor de bruiloft van de nicht van eiseres, maar het visum hiervoor werd afgewezen. Nu willen zij alsnog graag naar Nederland komen om familie te zien.
4. Volgens de minister hebben eisers het doel en de omstandigheden van hun voorgenomen verblijf niet aangetoond. Daarbij bestaat er bij de minister redelijke twijfel over het voornemen van eisers om het grondgebied te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Eisers hebben onvoldoende sociale binding met het land van herkomst omdat zij niet zodanig gebonden zijn aan de in Marokko woonachtige gestelde familieleden door bijvoorbeeld een zorgplicht voor familieleden. Eisers hebben ook onvoldoende economische binding met Marokko. Eiseres heeft geen werk of inkomen. Eiser heeft verklaard dat hij een bedrijf heeft in het verhuren van voertuigen, waarvan hij voor de helft eigenaar is. Maar omdat uit de bankverklaringen en de bankafschriften niet blijkt waar de hoge stortingen op zijn rekening vandaan komen, kan door de minister niet worden aangenomen dat deze stortingen het gevolg zijn van inkomsten gegenereerd uit werk.
De hoorplicht
5.1.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling [1] dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. [2] Het horen in bezwaar vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit. [3]
5.2.
De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat hij van horen heeft kunnen afzien omdat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is. Op grond van wat in de bezwaarprocedure is aangevoerd over de sociale en economische binding van eisers met Marokko en de daaruit af te leiden conclusie dat een tijdige terugkeer naar dat land onvoldoende gewaarborgd is, is meteen duidelijk dat het bezwaar niet kan leiden tot een andere uitkomst dan die van het primaire besluit. Een hoorzitting zal in dit geval niet tot een ander oordeel leiden. Hierdoor zal immers niets veranderen aan sociale en economische binding van de eisers met Marokko en de bevindingen met betrekking tot het reisdoel. Daarom is op grond van artikel 7:3, onder b, van de Awb [4] afgezien van het horen als bedoeld in artikel 7:2 van Pro de Awb.
5.3.
De rechtbank overweegt dat eisers bij de aanvraag de volgende stukken hebben overgelegd ter onderbouwing van hun binding met Marokko:
  • een uittreksel van de onderneming van eiser van de Kamer van Koophandel van Marokko;
  • een verklaring van eiser dat hij voor de helft eigenaar is van het bedrijf ‘[bedrijf 1]’;
  • diverse verhuurovereenkomsten;
  • twee betalingsbewijzen van [bedrijf 2];
  • twee betalingsbewijzen van DHS;
  • diverse facturen, en;
  • fiscale en financiële stukken van referente over de periode 2021 tot en met 2024.
5.4.
Op 8 maart 2025 hebben eisers de (aanvullende) vragenlijst van de minister ingevuld waarna de minister de afwijzing van de aanvraag met het bestreden besluit in stand heeft gelaten, omdat eiser niet in staat is gebleken de onduidelijkheden wat betreft zijn eigen onderneming, en dus de economische binding, weg te nemen.
5.5.
De rechtbank volgt eisers in hun standpunt en komt tot het oordeel dat de minister het bezwaar van eisers ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard en ten onrechte van het horen heeft afgezien. De minister heeft namelijk ten onrechte geconcludeerd dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kon leiden dan in het primaire besluit. De minister heeft in bezwaar een vragenlijst aan eisers gestuurd die met name zag op de sociale binding van eisers met Marokko. De minister gaat pas in het bestreden besluit in op de door eisers bij de aanvraag overgelegde financiële stukken en daaruit blijkt dat bij de minister op meerdere punten onduidelijkheid bestaat over de bedrijfsvoering van het bedrijf van eiser en dat eiser deze onduidelijkheden bijvoorbeeld had kunnen wegnemen door het overleggen van facturen en zakelijke bankafschriften. Ook heeft de minister vragen over de datering en ondertekening van documenten en de bedragen van financiële transacties. De minister heeft in bezwaar wel vragen gesteld aan eisers over hun sociale binding, maar niet over de economische binding terwijl er voor de minister blijkbaar nog wel onduidelijkheden zijn over de bedrijfsvoering van eiser. De minister heeft het horen daarom niet achterwege kunnen laten.
5.6.
De minister had het bezwaar dan ook niet kennelijk-ongegrond mogen verklaren. De minister had juist door middel van een hoorzitting duidelijkheid kunnen verkrijgen over de economische en sociale binding van eisers met Marokko.

Conclusie en gevolgen

6.1.
Het beroep is gegrond omdat de minister de hoorplicht heeft geschonden. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:2 van Pro de Awb en als gevolg van het niet horen in de bezwaarfase ook in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 27 mei 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194, - aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2.Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
3.Uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.
4.Algemene wet bestuursrecht.