Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister).
Procesverloop
Overwegingen
[geboortedag] 1993.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
De minister van Asiel en Migratie legde op 10 maart 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser, een Algerijnse vreemdeling, op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel duurde voort en de minister stelde de rechtbank op 5 juni 2026 in kennis van het voortduren, wat gelijkgesteld werd met een beroep van eiser.
De rechtbank had de maatregel reeds eerder getoetst in een uitspraak van 31 maart 2026 en oordeelde toen dat de maatregel rechtmatig was tot het sluiten van het onderzoek. Bij de beoordeling van het voortduren keek de rechtbank alleen naar de periode na dat moment. Eiser diende geen nieuwe gronden in, maar gaf aan op korte termijn te worden gepresenteerd bij de Algerijnse autoriteiten.
De rechtbank voerde een ambtshalve toetsing uit en concludeerde dat het voortduren van de bewaring niet onrechtmatig was. Er was zicht op uitzetting naar Algerije, ondanks het ontbreken van een laissez-passer, waarvoor de minister niet verantwoordelijk was. Eiser had onvoldoende meegewerkt aan het verkrijgen van documenten. De minister had voldoende inspanningen verricht, waaronder herhaalde rappelleringen en vertrekgesprekken.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.