Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16852

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL26.31457
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie legde op 10 maart 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser, een Algerijnse vreemdeling, op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel duurde voort en de minister stelde de rechtbank op 5 juni 2026 in kennis van het voortduren, wat gelijkgesteld werd met een beroep van eiser.

De rechtbank had de maatregel reeds eerder getoetst in een uitspraak van 31 maart 2026 en oordeelde toen dat de maatregel rechtmatig was tot het sluiten van het onderzoek. Bij de beoordeling van het voortduren keek de rechtbank alleen naar de periode na dat moment. Eiser diende geen nieuwe gronden in, maar gaf aan op korte termijn te worden gepresenteerd bij de Algerijnse autoriteiten.

De rechtbank voerde een ambtshalve toetsing uit en concludeerde dat het voortduren van de bewaring niet onrechtmatig was. Er was zicht op uitzetting naar Algerije, ondanks het ontbreken van een laissez-passer, waarvoor de minister niet verantwoordelijk was. Eiser had onvoldoende meegewerkt aan het verkrijgen van documenten. De minister had voldoende inspanningen verricht, waaronder herhaalde rappelleringen en vertrekgesprekken.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.31457

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H. Loth),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister).

Procesverloop

De minister heeft op 10 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De minister heeft de rechtbank op 5 juni 2026 in kennis gesteld van het voortduren van de maatregel van bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op
[geboortedag] 1993.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 31 maart 2026 (in de zaak NL26.14071) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden van het beroep heeft ingediend. Wel heeft eiser aangegeven dat hij op dit moment geen opmerkingen heeft nu eiser op korte termijn, op 10 juni 2026, in persoon zal worden gepresenteerd bij de Algerijnse autoriteiten. De rechtbank is echter gehouden om het voorduren van de bewaring ook ambtshalve te toetsen. [1]
4.1.
De rechtbank ziet ambtshalve toetsend ook geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geworden. Daarbij betrekt zij het volgende. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Algerije [2] in het algemeen niet ontbreekt. De omstandigheid dat er gedurende de vrijheidsbeneming nog geen laissez-passer is verstrekt kan de minister niet worden verweten. Daarbij merkt de rechtbank op dat de minister afhankelijk is van de Algerijnse autoriteiten en daar in beperkte mate invloed op kan uitoefenen. Bovendien rust er op eiser een verplichting op actief en volledig mee te werken aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit. Niet is gebleken dat eiser gedurende de inbewaringstelling inspanningen heeft verricht om aan documenten te komen die de afgifte van een laissez-passer zouden kunnen bevorderen. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan eisers uitzetting. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure de minister op 2 april 2026, 23 april 2026 en 15 mei 2026 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten. Daarnaast zijn er op 13 april 2026 en op 13 mei 2026 vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Ook stond er op 10 juni 2026 om 13:00 een presentatie gepland bij de Algerijnse autoriteiten. Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat er in het geval van eiser geen zicht op uitzetting bestaat of dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie het arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022 in de zaak C, B en X tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-704/20 en C-39/21, ECLI:EU:C:2022:858, en van 4 september 2025 in de zaak GB tegen de Minister van Asiel en Migratie, C-313/25 PPU (Adrar), ECLI:EU:C:2025:647.
2.Zie de uitspraken van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892 en 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.