Eisers hebben een mvv-aanvraag ingediend om bij hun zoon in Nederland te verblijven. De minister wees de aanvraag af omdat geen sprake zou zijn van een gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRMPro en onvoldoende afhankelijkheid was aangetoond.
Eisers maakten bezwaar tegen deze afwijzing en verzochten om een hoorzitting, die de minister niet heeft gehouden. De rechtbank oordeelt dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de procedure en dat de minister ten onrechte heeft afgezien van een hoorzitting.
De rechtbank stelt vast dat eisers bereidwillig en actief informatie hebben aangeleverd en dat op een hoorzitting meer duidelijkheid had kunnen ontstaan over de gezinssituatie en zorgmogelijkheden. Daarom is het beroep gegrond en wordt het besluit vernietigd.
De minister wordt opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten van €1.868,-.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de mvv-aanvraag wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.24454
V-nummers: [v-nummer 1]
[v-nummer 2]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
geboren op [geboortedag 1] 1954, eiser,
[eiseres],
geboren op [geboortedag 2] 1950, eiseres,
nationaliteit: staatloos,
samen hierna te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. J. Werner),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. A.R. Menschaart).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een mvv [1] voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] (hierna: referent)’.
1.1.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de afwijzing. Met een besluit van 25 juli 2025 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, bijgestaan door M. Cheibokh, tolk in de Arabische taal, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Vrijstelling van het griffierecht
2. Eisers hebben verzocht om vrijgesteld te worden van het griffierecht, omdat zij dat niet kunnen betalen. Dat verzoek is toegewezen met een brief van 5 juni 2025. De rechtbank ziet geen reden daarvan af te wijken en stelt eisers vrij van het betalen van het griffierecht.
Beoordeling van het beroep
3. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag van eisers terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eisers hebben aangevoerd.
4. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar gaat deze zaak over?
5. Eisers hebben een mvv-aanvraag ingediend om bij referent, hun zoon, in Nederland te kunnen verblijven. Zij wonen momenteel illegaal in de Verenigde Arabische Emiraten. Eiser heeft hartproblemen en een herseninfarct gehad. Eiseres heeft een gebroken rug en de ziekte Alzheimer.
6. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat geen sprake is van gezinsleven tussen eisers en referent, zoals bedoeld in artikel 8 vanPro het EVRM. Eisers hebben niet aangetoond dat sprake is van een bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eisers en referent.
Beroepsgronden
7. Eisers kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit. Daartoe voeren zij aan dat de minister hen in bezwaar ten onrechte niet heeft gehoord. Ook voeren zij aan dat er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie met referent die de normale banden overstijgt.
Hoorplicht
8. Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. [2] In veel gevallen is horen aangewezen, omdat een hoorzitting nu juist kan dienen om informatie boven tafel te krijgen, te zoeken naar oplossingen en een toelichting op de betrokken belangen te verkrijgen. Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. [3] Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan. Een relevante omstandigheid is onder meer de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.
9. De rechtbank is het met eisers eens dat de minister in dit geval niet heeft kunnen afzien van een hoorzitting. De minister heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat er redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar ongegrond was. De rechtbank vindt voor dit oordeel allereerst van belang dat eisers in bezwaar meerdere aanvullende stukken hebben overgelegd, zoals bankafschriften, een medisch rapport met de diagnose van eiseres, het paspoort van de broer van referent, een familiekaart, een geboorteakte en een bericht van de arts van eisers. Hieruit blijkt dat eisers bereidwillig en actief inspanningen hebben verricht om de benodigde informatie te verkrijgen. Op de zitting heeft de gemachtigde van eisers ook gesteld dat, afhankelijk van wat er op de hoorzitting zou zijn besproken, nog nadere stukken hadden kunnen worden overgelegd. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat bij uitstek op een hoorzitting meer duidelijkheid verschaft had kunnen worden over de vraag of de broer van referent in de Emiraten verblijft en eventueel voor eisers kan zorgen. Verder betrekt de rechtbank in haar oordeel dat eisers in hun bezwaarschrift expliciet hebben verzocht om gehoord te worden. Deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond, omdat in de bezwaarfase ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank zal de minister opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van acht weken. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen verdere bespreking.
11. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen. Deze proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden vastgesteld op € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. [4]
Beslissing
De rechtbank,
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Machtig tot voorlopig verblijf.
2.Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.