ECLI:NL:RBDHA:2026:16634
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugkeerbesluit aan Turkmeense vreemdeling na tijdelijke bescherming Oekraïne
Eiseres, een Turkmeense vreemdeling die vanuit Oekraïne naar Nederland is gekomen vanwege de invasie, kreeg op 21 februari 2024 een terugkeerbesluit opgelegd dat haar verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) beëindigde per 4 maart 2024. Dit besluit werd ingetrokken en vervangen door een nieuw terugkeerbesluit van 1 augustus 2025, waarin ook de beëindiging van de tijdelijke bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 werd vermeld.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het ingetrokken besluit niet-ontvankelijk is, maar dat eiseres recht heeft op proceskostenvergoeding vanwege de prematuur genomen beslissing. Het beroep tegen het vervangende besluit is inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard. De rechtbank stelt vast dat de bevriezingsmaatregel slechts een feitelijke opschorting is en geen rechtmatig verblijf oplevert, waardoor het terugkeerbesluit na het einde van de RTB op 4 maart 2024 terecht is opgelegd.
Verder is de hoorplicht niet geschonden omdat eiseres schriftelijk heeft kunnen reageren op het voornemen. Het evenredigheidsbeginsel is niet van toepassing omdat de tijdelijke bescherming van rechtswege is geëindigd. Ten aanzien van het refoulementrisico concludeert de rechtbank dat de minister een geactualiseerde beoordeling heeft gemaakt en dat eiseres onvoldoende feiten heeft aangevoerd om een reëel risico op ernstige schendingen bij terugkeer aan te tonen.
De rechtbank verklaart het beroep tegen het besluit van 1 augustus 2025 ongegrond, waardoor het terugkeerbesluit in stand blijft en eiseres binnen de gestelde termijn moet terugkeren naar Turkmenistan. De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van €934,00 aan eiseres.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 1 augustus 2025 is ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.