ECLI:NL:RBDHA:2026:16634

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL24.12007
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:85 AwbRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugkeerbesluit aan Turkmeense vreemdeling na tijdelijke bescherming Oekraïne

Eiseres, een Turkmeense vreemdeling die vanuit Oekraïne naar Nederland is gekomen vanwege de invasie, kreeg op 21 februari 2024 een terugkeerbesluit opgelegd dat haar verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) beëindigde per 4 maart 2024. Dit besluit werd ingetrokken en vervangen door een nieuw terugkeerbesluit van 1 augustus 2025, waarin ook de beëindiging van de tijdelijke bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 werd vermeld.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het ingetrokken besluit niet-ontvankelijk is, maar dat eiseres recht heeft op proceskostenvergoeding vanwege de prematuur genomen beslissing. Het beroep tegen het vervangende besluit is inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard. De rechtbank stelt vast dat de bevriezingsmaatregel slechts een feitelijke opschorting is en geen rechtmatig verblijf oplevert, waardoor het terugkeerbesluit na het einde van de RTB op 4 maart 2024 terecht is opgelegd.

Verder is de hoorplicht niet geschonden omdat eiseres schriftelijk heeft kunnen reageren op het voornemen. Het evenredigheidsbeginsel is niet van toepassing omdat de tijdelijke bescherming van rechtswege is geëindigd. Ten aanzien van het refoulementrisico concludeert de rechtbank dat de minister een geactualiseerde beoordeling heeft gemaakt en dat eiseres onvoldoende feiten heeft aangevoerd om een reëel risico op ernstige schendingen bij terugkeer aan te tonen.

De rechtbank verklaart het beroep tegen het besluit van 1 augustus 2025 ongegrond, waardoor het terugkeerbesluit in stand blijft en eiseres binnen de gestelde termijn moet terugkeren naar Turkmenistan. De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van €934,00 aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 1 augustus 2025 is ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.12007

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.H.T. van Boxmeer),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: P. Ozturk).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiseres op 1 augustus 2025 is opgelegd. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het terugkeerbesluit terecht heeft opgelegd. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1993 en heeft de Turkmeense nationaliteit. In Oekraïne had zij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiseres is als gevolg van deze invasie vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) [1] en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit. [2]
2.1.
Op 21 februari 2024 heeft de minister eiseres een terugkeerbesluit opgelegd en aan haar medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
2.2.
Op 1 augustus 2025 heeft de minister aan eiseres een vervangend terugkeerbesluit opgelegd en daarbij – mede door middel van het op 4 juni 2025 uitgebrachte voornemen – aan eiseres medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is geëindigd. In het terugkeerbesluit staat ook dat op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Het eerdere terugkeerbesluit van 21 februari 2024 was volgens de minister prematuur genomen, omdat eiseres op dat moment nog rechtmatig verblijf in Nederland had. De minister heeft het besluit van 21 februari 2024 ingetrokken. [3]
2.3.
Partijen zijn per brief van 9 oktober 2025 gevraagd of zij nog mondeling op een zitting willen worden gehoord. Beide partijen hebben de rechtbank medegedeeld toestemming te geven de zaak af te doen buiten zitting. De rechtbank daarom afgezien van een zitting en het onderzoek gesloten. [4]

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid
3. De rechtbank beschouwt het terugkeerbesluit van 1 augustus 2025 als vervangend besluit van het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank zal het terugkeerbesluit van 1 augustus 2025 daarom inhoudelijk beoordelen.
3.1.
Nu de minister het besluit van 21 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiseres geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep voor zover dat gericht is tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaren. Eiseres heeft wel recht op vergoeding van haar proceskosten, omdat het besluit prematuur is genomen. [5] De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 5.1.
De gronden van eiseres en het oordeel van de rechtbank
Prematuur terugkeerbesluit
4. Eiseres voert aan dat haar geen terugkeerbesluit kan worden opgelegd en verwijst daarvoor naar het arrest Kaduna en Abkez. [6] Gelet op het arrest en de Terugkeerrichtlijn kan er geen terugkeerbesluit worden opgelegd aan een vreemdeling die nog rechtmatig verblijf heeft op het grondgebied van een lidstaat, ook als het einde van dat rechtmatig verblijf in de toekomst is gelegen en de rechtsgevolgen op een later moment optreden. In dat kader wijst ze ook op het arrest Westerwaldkreis van 5 juni 2021. [7] Op het moment van het opleggen van het terugkeerbesluit van 1 augustus 2025 viel eiseres nog onder de bevriezingsmaatregel en was haar dus toegestaan om in Nederland te verblijven.
4.1.
De rechtbank overweegt dat uit het arrest Kaduna en Abkez volgt dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB, en de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. Uit het arrest volgt verder dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat die bescherming binnenkort zal eindigen en de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort.
4.2.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht stelt dat de omstandigheid dat eiseres tot 4 september 2025 viel onder de bevriezingsmaatregel niet in de weg staat aan het opleggen van het terugkeerbesluit. De bevriezingsmaatregel kan namelijk niet anders worden gekwalificeerd dan een feitelijke opschorting van de rechten die voortvloeien uit de RTB, en dus niet als rechtmatig verblijf. Zoals volgt uit het Kaduna en Abkez arrest is de tijdelijke bescherming op grond van de RTB vanaf 4 maart 2024 beëindigd. Het bestreden besluit is na die datum opgelegd, waardoor het niet in strijd met de Terugkeerrichtlijn is genomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Hoorplicht
4.3.
Eiseres voert verder aan dat haar hoorplicht is geschonden. Er moet volgens haar naar alle relevante naar feiten en omstandigheden worden gekeken ten aanzien van opleggen van terugkeerbesluit.
4.4.
Dit betoogt slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Uit de jurisprudentie van het Hof, waaronder de arresten Mukarubega [8] en Boudjlida [9] volgt dat het recht om te worden gehoord, het recht omvat om, voordat een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, het standpunt hieromtrent kenbaar te maken. Eiseres heeft deze gelegenheid gehad doordat zij binnen vier werken een schriftelijke reactie heeft kunnen geven op het voornemen tot het opleggen van het besluit van 1 augustus 2025. Vooralsnog valt niet in te zien waarom eiseres in deze schriftelijke reactie niet alle relevante informatie over de vaststelling dat haar verblijf illegaal is geworden en over haar persoonlijke situatie naar voren heeft kunnen brengen of waarom eiseres (daarnaast) ook in persoon gehoord had moeten worden.
Evenredigheidsbeginsel
4.5.
Eiseres voert voorts aan dat sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel, wat de minister verplicht was toe te passen.
4.6.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat aan het evenredigheidsbeginsel niet wordt toegekomen omdat de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 van rechtswege af is gelopen. [10] Daarom is voor een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel in een individueel geval geen plaats. Gelet hierop heeft de minister terecht gesteld dat de op een betrokkene toegespitste beoordeling niet verder gaat dan de beoordeling of terecht is vastgesteld dat de tot dan toe genoten tijdelijke bescherming was gebaseerd op het gegeven dat de derdelander beschikte over een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning en daarnaast niet op een andere grond aanspraak kan worden gemaakt op tijdelijke bescherming. De beroepsgrond slaagt niet.
Beoordeling van het risico op refoulement
4.7.
Eiseres voert aan dat uit het arrest Ararat [11] en de conclusie bij het arrest Adrar [12] volgt dat ook in een reguliere procedure zoals onderhavige het refoulementsbeginsel moet worden getoetst. Eiseres vindt dat de minister zonder nadere motivering over het risico dat zij heeft aangevoerd en het enkel doorverwijzen naar het indienen van een asielaanvraag, niet opnieuw een terugkeerbesluit aan haar kon opleggen.
4.8.
De rechtbank overweegt ten aanzien van het beginsel van non-refoulement dat het Hof in het arrest Ararat heeft geoordeeld dat artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn de bevoegde nationale autoriteit verplicht om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De rechtbank vindt voor dit toetsingskader ook aansluiting bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 september 2025. [13] Hieruit volgt dat de minister op basis van wat een vreemdeling aanvoert en op basis van het dossier en informatie over het land van herkomst een geactualiseerde refoulementbeoordeling moet maken. Dat betekent dat hij er zich van moet vergewissen dat de betrokken vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).
4.9.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister een dergelijke geactualiseerde refoulementbeoordeling gemaakt. In het voornemen stelt de minister zich op het standpunt dat niet is gebleken van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiseres bij terugkeer naar Turkmenistan een reëel risico loopt te worden onderworpen aan de doodstraf, foltering of menselijke of vernederende behandelingen. Eiseres heeft in haar zienswijze aangevoerd dat zij vrees bij terugkeer naar Turkmenistan heeft vanwege de slechte positie van vrouwen. Zij verwijst naar een bron van Amnesty en Human Rights Watch waaruit dit zou blijken. De minister heeft in zich het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres hiermee onvoldoende heeft onderbouwd waarom zij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Turkmenistan. De rechtbank kan de minister hierin volgen. De enkele stelling van eiseres dat zij vrees heeft vanwege de positie van vrouwen onder verwijzing naar twee bronnen, mocht de minister onvoldoende vinden om haar vrees aannemelijk te maken. Hiermee is immers niet gebleken van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiseres bij terugkeer naar Turkmenistan een reëel risico loopt te worden onderworpen aan de doodstraf, folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen. Dat eiseres stelt dat de minister voor zijn motivering enkel heeft doorverwezen naar het indienen van een asielaanvraag, volgt de rechtbank gelet op het voorgaande niet. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep, voor zover dat is gerecht tegen het ingetrokken besluit van 21 februari 2024, is niet-ontvankelijk. Het beroep dat gericht is tegen het besluit 1 augustus 2025 is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft. Eiseres moet daarom binnen de gestelde termijn terugkeren naar Turkmenistan.
5.1.
Omdat de niet-ontvankelijkheid van het beroep gericht tegen het besluit van 21 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, krijgt eiseres vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
5.2.
Bij uitspraak van 5 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de zaken NL24.12010 de voorziening getroffen dat eiseres moet worden bepaald alsof de rechten van de RTB nog van haar op toepassing zijn. Met deze uitspraak vervalt deze voorziening van rechtswege op grond van artikel 8:85, tweede lid, van de Awb.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 augustus 2025 ongegrond; en
- veroordeelt de minister tot betaling van €934,00 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
31 maart 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze
partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de
behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de
indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822.
3.Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna en Abkez) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1829) en vervangen met het bestreden besluit van 28 juli 2025 onder verwijzing naar artikel 6:19, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Op grond van artikel 8:57 van Pro de Awb.
5.Volgt uit het Kaduna en Abkez arrest van het Hof (ECLI:EU:C:2024:1038).
6.Zie voetnoot 3.
7.ECLI:EU:C:2021:432.
8.Arrest van 5 november 2014, ECLI:EU:C:2014:2336.
9.Arrest van 11 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2431.
10.Zie ook ECLI:NL:RVS:2024:32, r.o. 10 t/m 10.3.
11.ECLI:EU:C:2024:892.
12.ECLI:EU:C:2025:647.
13.ECLI:NL:RVS:2025:4178, r.o. 13.3.