Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 behandeld en verklaart het ongegrond.
Eiseres stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege ernstige tekortkomingen in Kroatië, waaronder overvolle opvangcentra en ontoereikende juridische bijstand, en verwees naar persoonlijke traumatische ervaringen. De rechtbank oordeelt dat deze stellingen onvoldoende onderbouwd zijn en dat eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigen dat Kroatië als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangemerkt.
Verder voerde eiseres aan dat haar medische situatie en die van haar kinderen een overdracht onverantwoord maken en dat de minister een BMA-advies had moeten inwinnen. De rechtbank stelt dat de medische stukken geen objectief bewijs leveren van een reëel en onomkeerbaar risico bij overdracht. Ook de persoonlijke bedreigingen door haar ex-partner en de belangen van haar minderjarige kinderen leiden niet tot een andere uitkomst.
De rechtbank concludeert dat de minister terecht geen nader onderzoek heeft verricht en dat het beroep ongegrond is. De asielaanvraag hoeft niet in behandeling te worden genomen en eiseres wordt terecht overgedragen aan Kroatië. Proceskosten worden niet toegekend.