Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16594

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.20367
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17, eerste lid, DublinverordeningArt. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Letland

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Letland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 behandeld en beoordeelt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Letland. Eiser heeft onvoldoende concrete en recente aanwijzingen overlegd die aantonen dat Letland zijn internationale verplichtingen niet nakomt, zoals structurele tekortkomingen in de asielprocedure of opvangvoorzieningen die een schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro opleveren.

Ook het beroep van eiser op het arrest Tarakhel en zijn status als bijzonder kwetsbare asielzoeker is onvoldoende onderbouwd. Medische stukken tonen wel klachten, maar niet dat hij zonder aanvullende garanties geen adequate zorg in Letland zal ontvangen. De minister hoefde daarom geen aanvullende garanties te vragen.

Verder is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de minister op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de aanvraag aan zich had moeten trekken wegens bijzondere omstandigheden. De medische documenten tonen geen actieve behandeling door een medisch specialist of een reëel risico op ernstige achteruitgang van de gezondheid. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aanvraag blijft niet in behandeling.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20367

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A.W. IJland),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. R. van Dooren).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Letland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, I.A.I. Abdelfattah als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk heeft en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening (Dvo). Op grond van de Dvo neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Letland een verzoek om terugname gedaan. Letland heeft dit verzoek aanvaard.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel en het arrest Tarakhel

5. Eiser stelt dat de minister niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Letland. Hiertoe voert eiser aan dat er aanknopingspunten bestaan dat de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Letland systeemfouten bevatten die ertoe leiden dat hij terecht kan komen in een situatie die de drempel van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest bereikt. Zo ontbreekt effectieve rechtsbijstand in de beroepsfase, bestaat een reëel risico dat eiser na overdracht gedetineerd zal worden en is sprake van pushbacks waar ook Dublinclaimanten slachtoffer van kunnen worden. Ook doet eiser een beroep op het arrest Tarakhel [2] . Hij behoort namelijk tot een bijzonder kwetsbare groep, namelijk Soedanese of zwarte asielzoekers. Ter onderbouwing van zijn standpunten verwijst eiser naar zijn motiveringen in zijn zienswijze.
6. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van de lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit voor Letland bevestigd in de uitspraak van 20 december 2023 [3] . Dit oordeel is herhaald door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, op 28 april 2026 [4] en door zittingsplaats Arnhem op 19 mei 2026 [5] . Dit betekent dat de minister in beginsel ervan mag uitgaan dat Letland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Letland niet in strijd zal zijn met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Letland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Letse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Letland overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Letland. Van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo).
7. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat ten aanzien van Letland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Hetgeen eiser aanvoert over de omstandigheden in Letland is onvoldoende om te spreken over structurele tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Letland. Eiser heeft deze verklaringen niet onderbouwd met recente landeninformatie of andere documenten. Verder hebben de Letse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser zullen behandelen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Als eiser toch problemen ondervindt, mag van hem worden verwacht dat hij klaagt bij de Letse autoriteiten. Er is niet gebleken dat eiser dit heeft geprobeerd of dat dit voor hem niet mogelijk zal zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
8. De rechtbank is verder van oordeel dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd waarom hij als bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakhel moet worden aangemerkt. Uit de door eiser overgelegde medische stukken blijkt dat sprake is van medische klachten, maar eiser heeft niet (met stukken) aannemelijk gemaakt dat hij zonder aanvullende garanties geen afdoende zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen in Letland. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden de medische voorzieningen in Letland van voldoende kwaliteit geacht te zijn en dat deze voorzieningen ook ter beschikking staan aan Dublinclaimanten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn situatie niet het geval is. De minister was daarom niet gehouden aanvullende garanties aan Letland te vragen. De beroepsgrond slaat niet.
Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening en arrest C.K.
9. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo aan zich te trekken. Hiertoe voert eiser aan dat hij lijdt aan een ernstige mentale aandoening en dat de overdracht op zichzelf een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand zal inhouden. Eiser heeft al eerder een afspraakkaart van een afspraak bij de POH-GGZ overgelegd en hij had op 20 maart 2026 een afspraak bij de psycholoog. In de beroepsfase heeft eiser nog zijn medisch journaal en een afspraakkaart voor een afspraak bij de POH-GGZ op 17 juni 2026 overgelegd. Ook verklaart eiser dat hij nog in afwachting is voor een afspraak met een tweedelijns GGZ-specialist. Onder verwijzing naar het vorenstaande doet eiser ook een beroep op het arrest C.K. [6]
10. Paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht. De minister gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt.
11. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij de aanvraag niet onverplicht aan zich had hoeven trekken omdat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Letland onevenredig hard is. Zoals eerder al is overwogen, worden de medische voorzieningen in Letland op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van voldoende kwaliteit geacht te zijn en dat deze voorzieningen ook ter beschikking staan aan Dublinclaimanten. De beroepsgrond slaagt niet.
12. Ten aanzien van het arrest C.K. overweegt de rechtbank dat uit de Werkinstructie 2021/3 [7] volgt dat geen BMA-onderzoek zal worden opgestart als de vreemdeling niet onder actieve behandeling staat van een medische specialist. Enkel een uittreksel van bijvoorbeeld het GZA of een bewijs van een toekomstige afspraak bij een medisch specialist is onvoldoende. De uitzondering hiertoe wordt in de werkinstructie als volgt omschreven:

Wanneer de vreemdeling recent een suïcide poging heeft gedaan, die alleen is onderbouwd middels een patiëntendossier van de huisarts of bijvoorbeeld een verslag van een intakegesprek bij GGZ, waarin dit wordt aangegeven, is dit voldoende om een advies te vragen aan het BMA. De voorwaarde dat de vreemdeling onder actieve medische behandeling moet staan vervalt in dit geval.

13. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat eiser onder actieve behandeling staat van een medisch specialist. De door eiser overgelegde (medische) stukken zijn onvoldoende, omdat dit enkel een uittreksel van het GZA en afspraakkaarten van het GZA zijn. Uit het medisch journaal van eiser blijkt ook niet dat sprake is van een reëel of verhoogd suïciderisico. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank ook geen aanknopingspunten dat de minister gehouden was een BMA-advies aan te vragen. Uit de overgelegde medische documenten blijkt ook niet dat overdracht in het geval van eiser zal leiden tot een ernstige en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheid van eiser, als bedoeld in het arrest C.K. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 juni 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Arrest van het EHRM van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland, nr. 29217/12, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
6.ECLI:EU:C:2017:127.
7.WI 2021/3 BMA advies tijdens de Dublinprocedure n.a.v. arrest C.K.