Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16588

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.20536
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 DublinverordeningVreemdelingencirculaireECLI:NL:RVS:2022:3630ECLI:C:EU:2019:218ECLI:NL:RVS:2023:16
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen verlenging overdrachtstermijn Dublin Duitsland wegens onderduiken

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie tot verlenging van de overdrachtstermijn aan Duitsland op grond van de Dublinverordening. De minister verlengde de termijn tot achttien maanden vanwege het onderduiken van eiseres, die niet beschikbaar was voor overdracht.

De rechtbank heeft het dossier en de zitting op 9 juni 2026 behandeld. Eiseres stelde dat zij niet was geïnformeerd over de overdracht en dat zij niet doelbewust onderdook, maar slechts tijdelijk de opvang verliet vanwege mentale problemen. De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende had voldaan aan zijn informatieplicht, onder meer door een vertrekgesprek, sms-bericht en het achterlaten van overdrachtsgegevens.

Verder concludeerde de rechtbank dat eiseres doelbewust buiten bereik van de autoriteiten bleef, zoals vereist volgens het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de EU. Haar vertrek zonder melding en verblijf op een treinstation zonder contact met autoriteiten vormde voldoende grond voor de verlenging van de overdrachtstermijn.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter I. Helmich op 15 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn aan Duitsland wordt ongegrond verklaard wegens doelbewust onderduiken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20536

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres,

mede namens haar minderjarige dochter
[minderjarige], V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. L.I. Siers),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. R. van Dooren).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit tot het verlengen van de overdrachtstermijn aan Duitsland. De minister heeft met het bestreden besluit (de brief van 7 april 2026) de overdrachtstermijn tot achttien maanden verlengd.
1.1
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. F. van Bussel als waarnemer van haar gemachtigde. Als tolk is verschenen I. Welde Selase. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

2. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit tot het verlengen van de overdrachtstermijn. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk heeft en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Eiseres voert aan dat uit paragraaf C1/2.6 van de Vreemdelingencirculaire volgt dat een vreemdeling in kennis gesteld dient te worden over de verplichting om mee te werken aan een overdracht en wat de volgen zijn van het niet meewerken hieraan. Eiseres stelt dat zij niet is geïnformeerd over de geplande overdracht en de gevolgen van niet meewerken. In het dossier bevinden zich dan ook geen stukken waaruit volgt dat eiseres is geïnformeerd. Het verschaffen van deze informatie is een voorwaarde voor het verlengen van de uiterste overdrachtsdatum, waaraan in dit geval dus niet is voldaan volgens eiseres. Ook eiseres haar gemachtigde is niet van tevoren op de hoogte gesteld van de geplande overdracht.
5. De rechtbank oordeelt dat uit het dossier niet blijkt dat de minister heeft gehandeld in strijd met zijn informatieplicht. In het vertrekgesprek op 1 april 2026 is aan eiseres toegelicht dat van haar wordt verwacht dat zij in de bus van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) stapt op de dag van de overdracht en wat de gevolgen zijn als zij dit niet doet. Verder is in dit gesprek vermeld dat DTenV een overdracht zal inplannen en eiseres zal informeren wanneer de overdrachtsgegevens bekend zijn. Uit een uitdraai van het systeem van DTenV blijkt dat eiseres vervolgens op 2 april 2026 per sms is geïnformeerd over de geplande overdracht. Op 6 april 2026 is een notitie opgenomen dat eiseres niet te bereiken is via haar telefoon en dat eiseres de regievoerder mogelijk heeft geblokkeerd. De overdrachtsgegevens zijn bij de receptie van het COA neergelegd en zullen worden overhandigd als eiseres verschijnt op haar meldplicht. Na het missen van haar meldplicht is geconstateerd dat eiseres met onbekende bestemming (mob) is vertrokken en zijn de overdrachtsgegevens alsnog op het bed van eiseres gelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de bevindingen van DTenV. Gelet op het vorenstaande heeft de minister zich voldoende ingespannen om de overdrachtsgegevens aan eiseres bekend te maken. Eiseres diende zich beschikbaar te houden en heeft dit niet gedaan. De omstandigheid dat eiseres niet is geïnformeerd over de geplande overdracht komt dan ook niet voor rekening van de minister. De beroepsgrond slaat niet.
6. Verder stelt eiseres zich op het standpunt dat de overdrachtstermijn met het bestreden besluit ten onrechte is verlengd en dat zij niet mob is vertrokken, zoals de minister stelt. In de beroepsgronden voert eiseres aan dat zij – evenals haar gemachtigde – niet op de hoogte was van de geplande overdracht waardoor zij niet doelbewust buiten het bereik van de autoriteiten is gebleven om overdracht te voorkomen. Dit is wel een voorwaarde van het arrest Jawo. Eiseres geeft aan dat zij de opvang slechts een paar dagen heeft verlaten omdat zij en haar dochter het mentaal zwaar hadden. Zij hadden tijd voor zichzelf nodig. In deze dagen is zij haar telefoon kwijtgeraakt waardoor zij de sms van de regievoerder over de geplande overdracht niet heeft ontvangen. Daarbij is het besluit tot het verlengen van de overdrachtstermijn genomen vóór de geplande overdracht, waardoor nog niet vaststond dat de overdracht daadwerkelijk is voorkomen door eiseres.
7. De rechtbank overweegt als volgt. De minister heeft met het bestreden besluit de overdrachtstermijn verlengd overeenkomstig artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening vanwege onderduiken. In de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 december 2022 [1] is overwogen dat uit het arrest Jawo [2] van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening zo uitgelegd moet worden dat een betrokkene onderduikt wanneer deze persoon doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht om deze overdracht te voorkomen. Dat is in ieder geval het geval wanneer die overdracht niet kan worden uitgevoerd, omdat de betrokkene de hem toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen, op voorwaarde dat hij werd geïnformeerd over zijn verplichtingen. De betrokkene behoudt de mogelijkheid om aan te tonen dat er geldige redenen waren om de autoriteiten niet in te lichten over zijn afwezigheid en dat hij niet de bedoeling had om zich te onttrekken aan die autoriteiten. [3]
8. Allereerst heeft de rechtbank in overweging 5 geoordeeld dat de minister zich voldoende heeft ingespannen om de overdrachtsgegevens aan eiseres kenbaar te maken. Dat eiseres stelt dat zij niet op de hoogte was van de geplande overdracht, komt niet voor rekening van de minister. Het lag ook niet op de weg van de minister om de gemachtigde van eiseres te contacteren naar aanleiding van de mob-melding. De rechtbank overweegt dat eiseres op 8 oktober 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning (M35-H) heeft ondertekend. Hiermee verklaart zij bekend te zijn met de verplichting om (wijzigingen in) haar woon- of verblijfplaats zo spoedig mogelijk aan de minister door te geven. Eiseres is op 7 april 2026 uit het COA vertrokken zonder de minister hiervan op de hoogte te brengen. Eiseres is daarom mob gemeld. DTenV heeft voor deze vaststelling een kamercontrole uitgevoerd met als uitkomst dat in de kamer van eiseres geen spullen van haar zijn aangetroffen en haar kamergenoot verklaarde dat eiseres al een aantal dagen weg was. Daarbij heeft eiseres ter zitting verklaard dat zij sinds haar vertrek van het COA op een treinstation heeft verbleven, maar zij heeft dit niet gemeld bij de minister, COA of DTenV. De verklaringen van eiseres dat zij het mentaal zwaar had, zijn geen rechtvaardiging hiervoor en geven de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen uit het dossier. Uit de Vreemdelingencirculaire volgt dat de gemachtigde van een vreemdeling uiterlijk 36 uur voorafgaand aan de geplande overdracht op de hoogte moet worden gesteld. Eiseres is op 7 april 2026 mob vertrokken en op diezelfde dag is de overdracht geannuleerd. Aangezien deze overdracht stond gepland op 9 april 2026, is het verklaarbaar dat de gemachtigde van eiseres nog niet op de hoogte was gesteld van de geplande overdracht toen deze werd geannuleerd. Gelet op het vorenstaande is de mob-melding voldoende onderbouwd en bestaan voldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat eiseres in ieder geval vanaf 7 april 2026 is ondergedoken om de overdracht doelbewust te voorkomen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de overdrachtstermijn terecht heeft verlengd. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 juni 2026

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

2.ECLI:C:EU:2019:218.