Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16421

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL25.51713
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vw 2000Art. 30b Vw 2000Art. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 46 lid 3 Richtlijn 2013/32/EUArt. 67 lid 3 Verordening 2024/1348
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank beveelt minister tot tijdige beslissing op opvolgende asielaanvraag Oekraïense asielzoeker

Eiser, een Oekraïense asielzoeker, diende op 17 februari 2023 een opvolgende asielaanvraag in. Verweerder, de minister van Asiel en Migratie, wees deze aanvraag op 21 oktober 2025 af. Kort voor de zitting op 16 juni 2026 trok verweerder dit besluit in, met het argument dat een nieuwe beoordeling pas mogelijk is na vaststelling van landgebonden beleid voor Oekraïne.

De rechtbank oordeelt dat deze intrekking zonder nieuwe beslissing misplaatst is en in strijd met zowel Unierechtelijke als nationaalrechtelijke verplichtingen. Verweerder kan niet door het uitstellen van een besluit de rechterlijke toetsing ontwijken. De rechtbank wijst erop dat dwangsommen in asielprocedures niet leiden tot snellere besluitvorming en dat eiser recht heeft op een tijdige en deugdelijke beoordeling.

De rechtbank beveelt verweerder binnen vier weken alsnog te beslissen op de asielaanvraag, ongeacht of landgebonden beleid is vastgesteld. Indien verweerder niet binnen deze termijn beslist, zal de rechtbank zelf voorzien in een bindende uitspraak over de toekenning van internationale bescherming, conform recente arresten van het Hof van Justitie van de EU.

De rechtbank houdt verdere beslissingen aan en wijst erop dat eiser in de gelegenheid wordt gesteld om tegen het nieuwe besluit beroep aan te tekenen. De uitspraak is gedaan door rechter S. van Lokven en griffier E.M.J. Clermonts op 18 juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank beveelt de minister binnen vier weken te beslissen op de opvolgende asielaanvraag en kondigt aan zelf te zullen voorzien bij uitblijven van een beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51713 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

geboren [geboortedatum] 1991, Oekraïense nationaliteit, eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.H.T. van Boxmeer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. S.H.J. Muijlkens).

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2025 heeft verweerder de (opvolgende) asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 juncto Pro artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000. In dit besluit is overwogen dat het op 24 februari 2020 vastgestelde terugkeerbesluit, waarin Oekraïne is aangemerkt als land van terugkeer, en het op diezelfde dag uitgevaardigde inreisverbod nog geldig zijn.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (zaaknummer NL25.51714).
Nadat de eerder op 7 april 2026 geplande zitting door de rechtbank op 1 april 2026 wegens onvoorziene omstandigheden is aangehouden, is partijen met de brief van 8 juni 2026 bericht dat de zitting is bepaald op 16 juni 2026.
Verweerder heeft bij brief van 12 juni 2026 medegedeeld dat het besluit van 21 oktober 2025 is ingetrokken.
De rechtbank heeft eiser op 15 juni 2026 om 09:59 uur verzocht om te reageren op het bericht van verweerder van 12 juni 2026.
Eiser heeft op 15 juni 2026 om 10:51 uur verzocht om het beroep om te zetten naar een beroep niet tijdig beslissen en een termijn van zes weken voor het nemen van een nieuw besluit te bepalen onder verbeurte van een dwangsom. Daarnaast heeft hij de rechtbank verzocht een proceskostenveroordeling uit te spreken. Eiser heeft zijn verzoek om een voorlopige voorziening op 15 juni 2026 ingetrokken.
De rechtbank heeft op 15 juni 2026 om 14:11 uur een bericht voor partijen in het dossier geplaatst en daarin medegedeeld dat de op 16 juni 2026 geplande zitting doorgaat en zowel de intrekking van het bestreden besluit, als het verzoek van eiser ter zitting zal worden besproken en afhankelijk van de reden voor de intrekking, de rechtbank zal onderzoeken
of in de zaak regie kan worden gevoerd met het oog op finale geschilbeslechting.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na de behandeling van de zaak heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting gesloten.
Op 17 juni 2026 heeft de rechtbank partijen bericht dat het onderzoek wordt heropend en dat de rechtbank een tussenuitspraak zal doen.

Overwegingen

1. Eiser, die de Oekraïense nationaliteit heeft, heeft op 11 februari 2020 een asielaanvraag ingediend. De afwijzing van deze aanvraag staat in rechte vast gelet op de uitspraak van de Afdeling van 28 december 2020.
2. Eiser heeft op 17 februari 2023 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft in het relaas van eiser drie zogenoemde ‘asielmotieven’ geduid:
-identiteit en nationaliteit;
-eiser wil niet in militaire dienst;
-de algemene situatie in Oekraïne.
Verweerder acht alle asielmotieven geloofwaardig, maar heeft in zijn besluit van 21 oktober 2025 beslist dat aan eiser geen internationale bescherming hoeft te worden verleend.
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat aan hem de vluchtelingenstatus, dan wel een subsidiaire beschermingsstatus moet worden verleend. Eiser heeft in beroep actuele informatie overgelegd over de algemene veiligheidssituatie in Oekraïne, en met name over mobilisatie en de gevolgen van dienstweigering. Eiser heeft tevens een ‘SUA Q&A’, gedateerd op 20 november 2025 en geldig tot en met 22 mei 2026, overgelegd waarin de vraag of ‘er sprake kan zijn van 15c als er geen landgebonden beleid is’ wordt beantwoord.
4. De rechtbank overweegt allereerst dat eiser niet valt onder de werkingssfeer van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, zodat verweerder een besluit moet nemen op het (opvolgende) verzoek om internationale bescherming.
5. Eiser heeft zijn opvolgende asielaanvraag op 17 februari 2023 ingediend. Door pas op 21 oktober 2025 op deze aanvraag te beslissen, heeft verweerder de maximaal toegestane beslistermijn fors overschreden.
6. Op 4 september 2023 [1] heeft de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een brief naar de Tweede Kamer gestuurd waarin onder meer het navolgende is vermeld:
“(…)
Op 28 februari 2022 is uw Kamer geïnformeerd over uw besluit een besluit- en vertrekmoratorium in te stellen voor asielzoekers met de Oekraïense nationaliteit voor de duur van een half jaar. Dit besluit- en vertrekmoratorium stond los van de inwerkingstelling van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) op 4 maart 2022 en was in de praktijk alleen van toepassing op personen met Oekraïense nationaliteit die niet onder de richtlijn vallen. Het besluitmoratorium is nadien nog twee keer met een halfjaar verlengd en liep af op 28 augustus 2023. In mijn brief van 16 maart 2023 heb ik aangegeven dat het na 4 maart 2023 niet meer mogelijk was het vertrekmoratorium te verlengen.
(…)
De situatie met betrekking tot Oekraïne is nog niet wezenlijk veranderd. Tegelijkertijd schrijft de Procedurerichtlijn voor dat de behandelingsprocedure ook tijdens een besluitmoratorium binnen 21 maanden na de indiening van het verzoek moet worden afgerond. Ik verwacht dat het aantal zaken waarin deze termijn wordt bereikt vanaf november 2023 zal gaan oplopen. In deze zaken zal dan een beslissing moeten worden genomen en een besluitmoratorium zal in de praktijk dus geen effect meer hebben.
Inmiddels zijn er in toenemende mate (openbare) bronnen beschikbaar gekomen die een beschrijving geven van de situatie in Oekraïne. Ik ben voornemens om die informatie te verzamelen en op basis daarvan een landenbeleid te formuleren voor Oekraïners die niet vallen onder de RTB.
Dit landenbeleid zal worden toegepast met ingang van 28 november 2023, dus precies 21 maanden nadat het besluitmoratorium voor de eerste keer werd ingesteld. Over de inhoud van dit landenbeleid zal ik uw Kamer vanzelfsprekend informeren. (…) Op basis van het voorgaande heb ik besloten het besluitmoratorium nog eenmaal met drie maanden te verlengen, tot 28 november 2023.
(…)”.
7. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat de minister de Tweede Kamer nadien nog in deze context over de situatie in Oekraïne heeft bericht. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting aangegeven niet over andere informatie te beschikken.
8. De rechtbank heeft verweerder ter zitting gevraagd waarom op 12 juni 2026 is overgegaan tot het intrekken van het bestreden besluit dat op 21 oktober 2025 is genomen omdat de mededeling over de intrekking niet is toegelicht. Verweerder heeft daarop aangegeven dat aanleiding bestaat om opnieuw te beoordelen of sprake is van een zogenoemde ‘15c-situatie’ en dat deze beoordeling pas kan worden verricht als er landgebonden beleid is vastgesteld. Verweerder heeft verder toegelicht dat verwacht wordt dat dit landgebonden beleid binnen enkele weken wordt vastgesteld en dat niet bekend is of op korte termijn een algemeen en/of thematisch ambtsbericht wordt uitgebracht.
9. De rechtbank overweegt dat het zonder enige toelichting intrekken van een besluit kort voor de zitting waar de rechtmatigheid van dat besluit en het daartegen gerichte beroep worden behandeld om meerdere redenen storend is. Verweerder kan het bovendien niet zijn ontgaan dat deze rechtbank en zittingsplaats recent meermalen heeft geoordeeld dat ongemotiveerde intrekkingsbesluiten die kort voor de zitting worden genomen, worden gekwalificeerd als het misbruik maken van bevoegdheid en deze intrekkingsbesluiten daarom pleegt te vernietigen als de beroepen in die procedures worden gehandhaafd.
10. De rechtbank overweegt voorts dat het zonder meer intrekken van het besluit zonder een nieuw besluit te nemen of mede te delen wanneer dit zal gebeuren, misplaatst is omdat verweerder
wéétdat de beslistermijn ruimschoots is verstreken en
wéétdat hij moet beslissen op de asielaanvraag van eiser. Door eenvoudigweg niet te beslissen of door eenvoudigweg eerder genomen besluiten in te trekken en daardoor een rechterlijke controle van zijn besluit te vermijden, handelt verweerder in strijd met zijn -Unierechtelijke en nationaalrechtelijke- verplichtingen. Verweerder is niet bevoegd om een nieuw besluitmoratorium in te stellen, maar meent kennelijk door feitelijk niet te beslissen deze verplichtingen voor zich uit te kunnen schuiven. De rechtbank overweegt in aanvulling hierop dat deze handelwijze onbehoorlijk is jegens eiser die recht heeft op een tijdige en deugdelijke beoordeling van zijn asielaanvraag. Dat eiser een opvolgende asielaanvraag heeft ingediend, betekent niet dat voor verweerder een andere beslistermijn of minder verstrekkende verplichtingen gelden.
11. Eiser heeft verzocht om zijn beroep tegen het ingetrokken bestreden besluit aan te merken als een zogenoemd ‘beroep niet tijdig’ en verweerder onder verbeurte van een dwangsom een termijn van zes weken te geven om alsnog op zijn asielaanvraag van 17 februari 2023 te beslissen.
12. De rechtbank ziet aanleiding om in deze procedure niet over te gaan tot het bepalen van de door eiser voorgestelde beslistermijn voor verweerder met toekenning van een dwangsom indien niet wordt voldaan aan de opdracht om binnen deze termijn opnieuw te beslissen op de asielaanvraag van eiser. Verweerder heeft het besluit ingetrokken zonder aan te geven wanneer opnieuw op de asielaanvraag wordt beslist en verweerder kan thans ook niet aangeven wanneer landgebonden beleid voor Oekraïne wordt vastgesteld. De rechtbank sluit niet uit dat verweerder niet zal voldoen aan een opdracht van de rechtbank om binnen een bepaalde termijn opnieuw te beslissen en het verbeuren van dwangsommen voor lief zal nemen. De praktijk leert dat het bepalen van een dwangsom om besluiten te nemen in asielprocedures bepaald niet leidt tot snellere beslissingen en in veel gevallen zelfs niet leidt tot besluitvorming, terwijl de rechtszoekende geen enkel ander middel heeft om besluitvorming af te dwingen.
13. De rechtbank is gelet op artikel 47 van Pro het Handvest verplicht om een doeltreffende voorziening in rechte te bieden en zal daarom overgaan tot een andere wijze van geschilbeslechting.
14. De rechtbank overweegt dat het relaas van eiser integraal geloofwaardig is geacht. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de procedure aan te houden in afwachting van het arrest van het Hof dat zal worden gewezen naar aanleiding van de prejudiciële vragen die deze rechtbank en zittingsplaats op 7 januari 2025 heeft gesteld over -kort gezegd- de geloofwaardigheidsbeoordeling ((ECLI:NL:RBDHA:2025:136, C-7/25 en ECLI:NL:RBDHA:2025:139, C-8/25). De rechtbank overweegt voorts dat geen aanleiding bestaat om verweerder op te dragen om eiser aanvullend te horen.
15. De rechtbank zal het intrekkingsbesluit in deze procedure niet vernietigen, maar verweerder opdragen om opnieuw te beslissen op de asielaanvraag die eiser op 17 februari 2023 heeft ingediend. De rechtbank bepaalt hiervoor een termijn van vier weken gelet op de reeds ontstane overschrijding van de beslistermijn en gelet op de omstandigheid dat niet gebleken is van enige noodzaak om eiser voorafgaand aan het nemen van dat besluit aanvullend te horen. Ook indien binnen vier weken geen landgebonden beleid Oekraïne is vastgesteld, acht de rechtbank verweerder zeer wel in staat om te beoordelen of het geloofwaardig geachte relaas noopt tot het verlenen van internationale bescherming en een mogelijk afwijzend besluit draagkrachtig te motiveren. De rechtbank merkt hierbij op dat er voldoende (openbare) bronnen beschikbaar zijn die een beschrijving geven van de situatie in Oekraïne en wijst in dit verband op de door eiser in beroep overgelegde stukken. Eiser zal in de gelegenheid worden gesteld om beroepsgronden aan te voeren tegen het nieuw te nemen besluit en de rechtbank zal daarvoor na bekendmaking van het nieuw te nemen besluit een termijn bepalen.
16. De rechtbank deelt partijen mee dat indien verweerder binnen de door de rechtbank bepaalde termijn van vier weken geen beslissing neemt op de asielaanvraag, de rechtbank voornemens is om zelf te voorzien door te beoordelen of aan eiser internationale bescherming moet worden verleend. In voorkomend geval zal de rechtbank daarover een bindende uitspraak doen zoals bedoeld in de arresten van het Hof van 4 juni 2026 in de zaken C-198/25 (Quotal, ECLI:EU:C:2026:447) en C-440/25 (Ebilum, ECLI:EU:C:2026:448). In die arresten heeft het Hof (onder meer) het navolgende voor recht verklaard:
(…)
Artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking
van de internationale bescherming, gelezen in het licht van artikel 47 van Pro het Handvest van
de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat ten eerste die bepaling een rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid verleent om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van dat verzoek overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging van de verzoeker of het reële risico voor hem op ernstige schade bij terugkeer naar zijn land van herkomst, alsmede over de gegrondheid van dat verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht, en ten tweede de lidstaten deze bevoegdheid niet mogen beperken.
(…)
17. De rechtbank wijst in dit verband op artikel 67, derde lid, van Verordening 2024/1348, dat een op dit punt vergelijkbare bepaling kent over het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, zodat de bovengenoemde arresten ook betekenis hebben voor rechterlijke uitspraken vanaf 12 juni 2026.
18. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt verweerder op binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak een beslissing te nemen op de asielaanvraag die eiser op 17 februari 2023 heeft ingediend;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Clermonts, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 18 juni 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2022-2023, 19 637, nr. 3163, 36045 Vreemdelingenbeleid Situatie in Oekraïne.