ECLI:NL:RBDHA:2026:16294
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen
Eiseres, van Turkse nationaliteit, diende op 2 december 2025 een asielaanvraag in Nederland in, mede namens haar minderjarige zoon. Uit Eurodac bleek dat zij op 6 oktober 2025 al een verzoek om internationale bescherming in Kroatië had ingediend. Nederland verzocht Kroatië om haar terug te nemen, wat werd aanvaard op basis van de Dublinverordening.
De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk is. Eiseres voerde aan dat zij en haar zoon in Kroatië traumatische ervaringen hadden met de politie, dat medische zorg vertraagd was verleend en dat zij vreest voor haar veiligheid en eerwraak in Turkije. Ook stelde zij dat overdracht aan Kroatië onevenredige hardheid zou betekenen en dat Nederland de aanvraag aan zich moest trekken.
De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eiseres niet voldoende bewijs leverde dat Kroatië haar internationale verplichtingen niet nakomt. Haar verklaringen en stukken boden onvoldoende onderbouwing van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Ook de familiebanden in Nederland en de stelling van onevenredige hardheid werden niet als bijzondere omstandigheden erkend.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter S.N. Abdoelkadir in aanwezigheid van griffier E.P.S. Wessels.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.