ECLI:NL:RBDHA:2026:16294

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL26.15073
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen

Eiseres, van Turkse nationaliteit, diende op 2 december 2025 een asielaanvraag in Nederland in, mede namens haar minderjarige zoon. Uit Eurodac bleek dat zij op 6 oktober 2025 al een verzoek om internationale bescherming in Kroatië had ingediend. Nederland verzocht Kroatië om haar terug te nemen, wat werd aanvaard op basis van de Dublinverordening.

De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk is. Eiseres voerde aan dat zij en haar zoon in Kroatië traumatische ervaringen hadden met de politie, dat medische zorg vertraagd was verleend en dat zij vreest voor haar veiligheid en eerwraak in Turkije. Ook stelde zij dat overdracht aan Kroatië onevenredige hardheid zou betekenen en dat Nederland de aanvraag aan zich moest trekken.

De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eiseres niet voldoende bewijs leverde dat Kroatië haar internationale verplichtingen niet nakomt. Haar verklaringen en stukken boden onvoldoende onderbouwing van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Ook de familiebanden in Nederland en de stelling van onevenredige hardheid werden niet als bijzondere omstandigheden erkend.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter S.N. Abdoelkadir in aanwezigheid van griffier E.P.S. Wessels.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15073

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , [V-nummer] , eiseres

mede namens haar minderjarige kind
(gemachtigde: mr. M.R.F. Berte),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [naam 3] ).

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 18 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.15074, op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, gemachtigde van eiser, M. Sivridag als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiseres stelt de Turkse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum 1] . Zij heeft op 2 december 2025 haar asielaanvraag in Nederland ingediend, mede namens haar minderjarige zoontje [naam 2] (geboortedatum: [geboortedatum 2] ).
2. Uit Eurodac is gebleken dat eiseres op 6 oktober 2025 in Kroatië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 20 januari 2026 heeft Nederland aan Kroatië verzocht om eiseres terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Kroatië heeft dit verzoek op 29 januari 2026 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening.

Het bestreden besluit

3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) of artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiseres volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om haar asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beroepsgronden van eiseres
4. Eiseres voert aan dat door haar ervaringen met de politie in Kroatië een situatie in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM is ontstaan. Eiseres stelt dat de politie op haar en haar zoon is afgereden, waardoor haar zoon gewond is geraakt. Pas na anderhalve dag werd hem de noodzakelijke zorg geboden. Volgens eiseres hebben zij beiden een trauma opgelopen vanwege het handelen van de politie in Kroatië. Kroatië biedt geen veilige omgeving voor de behandeling van dit trauma. Bovendien wijst eiseres op het feit dat de ouders, drie broers en een zus van eiseres in Nederland wonen. Eiseres zou in Turkije gevaar lopen vanwege eerwraak en zij heeft het hard nodig om in de nabijheid van haar familie in Nederland te zijn. Tot slot voert eiseres aan dat overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt en dat verweerder haar asielaanvraag op basis van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening aan zich dient te trekken.
Beoordeling door de rechtbank
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in onder meer haar uitspraak van 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5635, bevestigd dat ten aanzien van Kroatië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
5.2.
Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Spanje zijn internationale verplichtingen tegenover eiseres zal nakomen en dat eiseres bij overdracht aan Spanje geen risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiseres om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan zij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië overleggen of verklaringen afleggen over eigen ervaringen met het asiel- en opvangsysteem in Kroatië. Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM op. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218). Maar ook als er niet ernstig hoeft te worden gevreesd voor systeemfouten in het asiel- en opvangsysteem in de verantwoordelijk lidstaat, geldt dat een vreemdeling slechts kan worden overgedragen als die overdracht geen reëel risico op schending van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM met zich brengt (zie punt 87 van het arrest Jawo).
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres niet in haar bewijslast geslaagd. Eiseres heeft in beroep geen landeninformatie overgelegd waaruit blijkt dat niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarnaast heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres ook met haar verklaringen over wat zij en haar zoon in Kroatië hebben meegemaakt, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij na overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM. Zo heeft eiseres in het gehoor verklaard dat de politie niet expres op hen is afgereden en dat haar zoon na anderhalve dag medische hulp heeft kunnen krijgen. Eiseres heeft met de door haar overgelegde stukken niet onderbouwd dat medische hulp acuut noodzakelijk was en dat zij als gevolg van deze ervaring een trauma hebben opgelopen. Er zijn geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij of haar zoon momenteel onder medisch-specialistische behandeling staat. De stelling dat een psychische behandeling door de GZA bij kinderen vanaf 4 jaar wordt aangeboden, doet hier niet aan af. Er is ook niet op andere wijze onderbouwd dat haar zoon het handelen van de Kroatische autoriteiten als traumatisch heeft ervaren en dat de gestelde noodzakelijke hulp voor haar of haar zoon niet in Kroatië geboden kan worden.
5.4.
Indien eiseres zich na overdracht aan Kroatië, onverhoopt, geconfronteerd zou zien met problemen (bijvoorbeeld bij het verkrijgen van opvang of zorg), geldt dat zij zich hierover dient te beklagen bij de Kroatische (desnoods hogere of rechterlijke) autoriteiten (vgl. het arrest van het EHRM van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308, in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk). Niet is gebleken dat klagen bij de Kroatische autoriteiten voor eiseres niet mogelijk was of bij voorbaat zinloos is. Ook ten aanzien van de stelling dat eiseres vreest voor haar ex-partner en dat hij haar makkelijk kan traceren in Kroatië, geldt dat niet aannemelijk is gemaakt dat de Kroatische autoriteiten geen bescherming kunnen of willen bieden.
Onevenredige hardheid
6. Op grond van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening in samenhang met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’) van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van onevenredige hardheid getuigt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4852, en 23 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5359, volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel - zoals de hierboven gestelde omstandigheden onder 5.3. en 5.4. - niet ook van betekenis kunnen zijn voor de beoordeling of er zich bijzondere, individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’) van de Vc. Deze gestelde omstandigheden kunnen dus op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiseres van een onevenredige hardheid getuigt. De omstandigheid dat eiseres bij haar in Nederland verblijvende familieleden wil zijn is begrijpelijk, maar betreft geen bijzondere, individuele omstandigheid die een overdracht aan Kroatië onevenredig hard zou maken. Verder heeft verweerder terecht overwogen dat de gestelde familieleden van eiseres in Nederland niet zijn aan te merken als gezinsleden in de zin van artikel 2, onder g, van de Dublinverordening. De gezinsbepalingen van de Dublinverordening zijn hiermee niet van toepassing. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
7. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.