Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16274

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL23.2290
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Vreemdelingenwet 2000Art. 6:19 AwbArt. 6:20 AwbArt. 8:64 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Somaliër wegens ongeloofwaardigheid en leeftijdsregistratie

Eiser, een Somalische nationaliteit dragende persoon, vroeg asiel aan in Nederland op 27 augustus 2021. Hij stelde te vluchten vanwege bedreigingen door Al-Shabaab, die zijn familie en hem wilden dwingen tot samenwerking. Verweerder achtte echter zowel het asielrelaas als de minderjarigheid van eiser ten tijde van de aanvraag ongeloofwaardig, mede vanwege een andere geboortedatum geregistreerd in Griekenland waar eiser eerder asiel had aangevraagd.

De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid was voorbereid en verklaarde het beroep gegrond voor zover het bestreden besluit de asielaanvraag afwees. De rechtbank beoordeelde vervolgens het aanvullende besluit, waarin verweerder vasthield aan de afwijzing en de Griekse leeftijdsregistratie. De rechtbank vond het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig vanwege tegenstrijdigheden tussen de verklaringen in Nederland en Griekenland en onvoldoende onderbouwing van de veiligheidsrisico's.

Ook de betwisting van de minderjarigheid faalde, omdat eiser geen concrete aanwijzingen gaf voor een andere geboortedatum dan die in Griekenland geregistreerd. De rechtbank concludeerde dat de afwijzing van de asielaanvraag rechtmatig was en veroordeelde verweerder in de proceskosten van eiser. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen werd niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard tegen het bestreden besluit en ongegrond tegen het aanvullende besluit; de afwijzing van de asielaanvraag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.2290

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. I.M. van Kuilenburg),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L. Verhaegh).

Procesverloop

Eiser heeft verweerder op 10 november 2022 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag). Op 25 januari 2023 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op deze asielaanvraag.
Bij besluit van 16 augustus 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder alsnog beslist op eisers asielaanvraag en deze aanvraag afgewezen. Wel is eiser bij het bestreden besluit in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het uitoefenen van gezinsleven met zijn dochter in Nederland.
Het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag is op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht tegen het bestreden besluit.
Op 26 september 2023 heeft eiser zijn beroepsgronden tegen het bestreden besluit ingediend. Op 19 december 2023 en 5 december 2024 heeft eiser de beroepsgronden aangevuld.
Bij brief van 16 december 2024 heeft verweerder – gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 18 juni 2024, ECLI:EU:C:2024:524 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992 – de rechtbank verzocht de behandeling van het beroep ter zitting aan te houden. Dat verzoek heeft de rechtbank toegewezen. Op 1 april 2025 heeft eiser een toestemmingsverklaring ondertekend ten behoeve van het onderzoek naar zijn asielaanvraag in Griekenland.
Verweerder heeft (delen van) het Griekse asieldossier van eiser toegevoegd aan het rechtbankdossier.
Op 24 oktober 2025 heeft verweerder een aanvullend besluit (het aanvullende besluit) genomen. Het beroep is op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede gericht tegen het aanvullende besluit.
Op 21 november 2025 heeft eiser een reactie ingediend op het aanvullende besluit.
Verweerder heeft op 3 december 2025 een verweerschrift ingediend.
Op 6 januari 2026 heeft verweerder opnieuw een deel van het Griekse asieldossier van eiser aan het rechtbankdossier toegevoegd.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Abdirahman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen een schriftelijke te geven op het op 6 januari 2026 overgelegde deel van het Griekse asieldossier.
Eiser heeft op 5 februari 2026 een reactie ingediend.
De rechtbank heeft op 16 februari 2026 het onderzoek met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb gesloten.
Op 11 mei 2026 heeft eiser gewezen op een recente uitspraak van de Afdeling. Omdat het onderzoek toen al was gesloten en heropening daarvan tot verdere vertraging van de al lang lopende beroepsprocedure zou leiden, betrekt de rechtbank het bericht van 11 mei 2026 van eiser niet bij de beoordeling van het beroep.

Overwegingen

Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
1. De rechtbank stelt vast dat eiser geen belang meer heeft bij dit onderdeel van het beroep, omdat verweerder alsnog op de asielaanvraag heeft beslist. De destijds verstuurde ingebrekestelling is geldig. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en verweerder veroordelen in de proceskosten van eiser in verband met de indiening van het beroepschrift (zie onderdeel 11 van deze uitspraak).
Het beroep tegen het bestreden besluit en het aanvullende besluit
Inleiding
2. Eiser heeft de Somalische nationaliteit. Hij stelt te zijn geboren op [geboortedatum 1] . Verweerder gaat er op basis van een registratie in Griekenland van uit dat eiser op [geboortedatum 2] is geboren. Om die reden heeft verweerder in de Basis Voorziening Vreemdelingen [geboortedatum 2] als geboortedatum van eiser geregistreerd. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van 22 april 2024 (NL23.14799) het beroep van eiser daartegen niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. In die uitspraak overwoog de rechtbank onder meer dat eiser zijn leeftijd aan de orde kan stellen in de asielprocedure. De Afdeling heeft bij uitspraak van 24 februari 2025 (zaak 202403050/1/V2) de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
2.1.
Eiser heeft op 27 augustus 2021 asiel aangevraagd in Nederland. Eiser heeft Somalië volgens zijn verklaringen in Nederland verlaten vanwege – samengevat – de volgende redenen. Eisers werkte met zijn broer in de autogarage van zijn vader. Zijn vader kreeg daarnaast een baan als chauffeur van de Somalische minister van Religie. Daardoor werd de vader van eiser bedreigd door Al-Shabaab, die vond dat hij moest stoppen met deze werkzaamheden. Toen eisers vader dit deed en in de autogarage bleef werken, eiste Al-Shabaab dat hij explosieven op de auto’s van Somalische ambtenaren zou plaatsen. Dat weigerde eisers vader en om die reden heeft Al-Shabaab een aanslag gepleegd op de autogarage. Eisers broer kwam hierbij om het leven en hijzelf viel flauw. Zijn vader raakte gewond. Daarna richtte Al-Shabaab zich op eiser: zij belde eisers moeder met de mededeling dat hij zich moest aansluiten bij Al-Shabaab. Daarna is eiser Somalië ontvlucht.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft de volgende relevante elementen vastgesteld en beoordeeld:
1. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Eisers problemen met Al-Shabaab.
3.1.
Verweerder acht eisers Somalische nationaliteit, herkomst en naam geloofwaardig. Verweerder acht de door eiser opgegeven geboortedatum [geboortedatum 1] en daarmee eisers minderjarigheid ten tijde van de asielaanvraag echter niet geloofwaardig, onder meer omdat eiser door de Griekse autoriteiten met de geboortedatum [geboortedatum 2] is geregistreerd. Verweerder acht ook eisers gestelde problemen met Al-Shabaab niet geloofwaardig. Volgens verweerder doet zich geen asielgrond voor als bedoeld in artikel 29, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) voor. Verweerder heeft de asielaanvraag daarom afgewezen als ongegrond.
3.2.
Aan eiser is met ingang van 3 augustus 2023 wel een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend.
Het aanvullende besluit
4. Gelet op het arrest van het Hof van 18 juni 2024 heeft verweerder zich tot de Griekse autoriteiten gewend om de benodigde informatie uit te wisselen. Verweerder heeft in het verlenen van een verblijfsvergunning asiel aan eiser in Griekenland en in de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024 geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen over de problemen met Al-Shabaab of eisers leeftijd dan in het bestreden besluit. Integendeel, volgens verweerder blijkt uit het Griekse asieldossier dat eiser tegenover de Griekse autoriteiten heeft verklaard dat zijn problemen met Al-Shabaab zijn ontstaan omdat zijn broer een overheidsfunctie bekleedde en hij zelf had gesolliciteerd naar een overheidsfunctie. Dit is een wezenlijk ander asielrelaas dan het relaas dat eiser in Nederland naar voren heeft gebracht. De verklaring van eiser over de wijze waarop hij zijn leeftijd in Griekenland heeft opgegeven, wijkt af van de informatie van de Griekse autoriteiten.
Beroepsgronden
5. Eiser heeft betoogd dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door de Griekse autoriteiten verleende subsidiaire bescherming en evenmin met de presumptie van minderjarigheid en de vereisten die gelden voor de weerlegging daarvan.
5.1.
Over de problemen met Al-Shabaab heeft eiser gesteld dat ten onrechte geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft plaatsgevonden. Hij betoogt dat zijn stelling dat Al-Shabaab wel degelijk actief is in [locatie] ten onrechte als onvoldoende onderbouwd terzijde is geschoven. Daartoe heeft eiser gewezen op het Algemeen Ambtsbericht Somalië van juni 2023, waaronder de daarin opgenomen kaart van het controlegebied van Al-Shabaab per 16 juni 2023 (blz. 91), alsmede op de kaart per 31 juli 2025. Volgens eiser blijkt hieruit dat Al-Shabaab al jarenlang een lange arm heeft in [locatie] en deze gebruikt om gewelddadige aanslagen en aanvallen te plegen. Over de tegenwerping van verweerder dat Al-Shabaab eiser twee weken na de aanslag met rust heeft gelaten, stelt eiser dat hij ondergedoken zat, dat het bovendien slechts een kort tijdsbestek betreft en dat Al-Shabaab een lange adem heeft. Daarnaast heeft eiser gesteld dat verweerder de algemene veiligheidssituatie in [locatie] onvoldoende heeft beoordeeld en dat volgens hem sprake is van individuele factoren die ertoe leiden dat hij vanwege het willekeurige geweld in [locatie] een verhoogd risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.2.
Eiser heeft verder het standpunt van verweerder omtrent zijn leeftijd betwist en gesteld dat verweerder, ook in het aanvullende besluit, de presumptie van minderjarigheid niet heeft ontzenuwd. Hiertoe heeft eiser met name gewezen op:
(a) de wijziging van zijn geboortedatum in de basisregistratie personen (brp) en op zijn verblijfsdocument naar [geboortedatum 1] , onder verwijzing naar de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4980) over het beoordelingskader voor verzoeken tot wijziging van identiteitsgegevens in de brp;
(b) gebreken in het Griekse asielsysteem, waaronder de volgens eiser chaotische wijze waarop interviews worden afgenomen en de inzet van een Somalische tolk naar het Engels in zijn geval;
(c) de overgelegde nationaliteitsverklaring en het Somalische paspoort. In dit verband heeft eiser gewezen op informatie waaruit volgens hem blijkt dat documenten die zijn afgegeven door de Somalische ambassade in Brussel niet onbetrouwbaar zijn.
5.3.
In zijn reactie van 5 februari 2026 erkent eiser dat er, volgens hem op detailniveau, verschillen zijn tussen de verklaringen die hij in Nederland heeft afgelegd en de verklaringen die zijn opgenomen in het Griekse dossier. Volgens eiser zijn deze verschillen te verklaren door de wijze waarop het gehoor in Griekenland heeft plaatsgevonden. Daarbij acht eiser van belang dat hij destijds nog zeer jong was en zich in een stressvolle en kwetsbare situatie bevond.
Het oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat het bestreden besluit, bezien in het licht van de rechtspraak van het Hof en de Afdeling, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. De rechtbank ziet dat ook zo. Dit betekent dat het bestreden besluit de afwijzing van eisers asielaanvraag niet zelfstandig kan dragen.
6.1.
Gelet hierop zal de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren voor zover daarbij eisers asielaanvraag is afgewezen. De rechtbank zal verweerder daarnaast veroordelen in de proceskosten van eiser in verband met de daartegen aangevoerde beroepsgronden (zie onderdeel 11 van deze uitspraak). De rechtbank zal hierna beoordelen of het aanvullende besluit de afwijzing van eisers asielaanvraag kan dragen. Verweerder handhaaft daarin zijn standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en blijft uitgaan van de Griekse leeftijdsregistratie. Eiser kan zich daarmee niet verenigen.
7. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het bestreden besluit en het aanvullende besluit aan de hand van de daartegen aangevoerde beroepsgronden.
8. Ten aanzien van de problemen van eiser met Al-Shabaab, het tweede relevante element, overweegt de rechtbank het volgende.
8.1.
Uit het Griekse asieldossier blijkt dat eiser in Griekenland heeft verklaard dat hij vreest voor Al-Shabaab omdat hij in Somalië heeft gesolliciteerd naar een overheidsfunctie en zijn broer voor de overheid werkt, terwijl eiser in Nederland stelt dat hij en zijn broer in de garage van hun vader werkten en dat eiser vreest voor Al-Shabaab omdat zij hem willen rekruteren. Eiser heeft dit niet betwist. Weliswaar stelt hij dat de Griekse asielprocedure ernstige gebreken vertoont, maar hij betwist niet dat hij in Griekenland verklaringen heeft afgelegd die in essentie de strekking hebben die volgt uit het Griekse asieldossier. Eisers stelling dat zijn verklaringen in Griekenland te maken hebben met zijn leeftijd destijds en zijn kwetsbaarheid, heeft eiser niet geconcretiseerd. Verweerder merkt terecht op dat eiser in Griekenland een wezenlijk (en niet slechts op ondergeschikte punten) ander asielrelaas naar voren heeft gebracht dan in Nederland en verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat dit ernstig afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers verklaringen, ook in Nederland. Uit het Griekse asielbesluit blijkt overigens dat eiser daar de subsidiaire beschermingsstatus is verleend vanwege het niveau van willekeurig geweld in [locatie] . Zijn asielrelaas, inhoudende dat hij persoonlijk door Al-Shabaab wordt gezocht omdat hij aanwijzingen niet opvolgde en werd aangenomen in een overheidsfunctie, hebben de Griekse autoriteiten grotendeels ongeloofwaardig geacht. Eiser is in Griekenland ook niet erkend als vluchteling.
8.2.
Ten aanzien van het door eiser in Nederland naar voren gebrachte asielrelaas overweegt de rechtbank dat verweerder het asielrelaas op basis van een aanzienlijk aantal argumenten ongeloofwaardig acht. Deze tegenwerpingen houden onder meer in dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn vader daadwerkelijk werkzaam is geweest als chauffeur van de minister van Religie en dat eiser algemeen, oppervlakkig en wisselend heeft verklaard over diens werkzaamheden.
8.2.1.
Verweerder werpt eiser daarnaast tegen dat zijn verklaringen over de handelwijze van Al-Shabaab onlogisch zijn, bijvoorbeeld ten aanzien van de wijze waarop zijn vader zou zijn benaderd. Indien Al-Shabaab eisers vader had willen gebruiken om aanslagen op ambtenaren te plegen, valt immers niet in te zien waarom zij hem eerst zouden dwingen te stoppen met zijn werkzaamheden als chauffeur van de minister, om vervolgens van hem te verlangen dat hij vanuit de autogarage explosieven op auto’s van ambtenaren zou plaatsen, terwijl dit vanuit zijn functie als chauffeur mogelijk eenvoudiger had gekund.
8.2.2.
Evenmin valt volgens verweerder in te zien waarom eisers vader, indien hij daadwerkelijk over goede connecties beschikte en was opgeklommen tot chauffeur van de minister van Religie, geen hulp heeft gezocht bij de Somalische autoriteiten. De verklaring van eiser dat het op voorhand niet mogelijk was om hulp in te schakelen, acht verweerder onvoldoende onderbouwd.
8.2.3.
Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende overtuigend heeft verklaard over wat hij tijdens de aanval op de autogarage heeft gehoord en gezien. Ook acht verweerder het niet geloofwaardig dat eiser, terwijl Al-Shabaab hem volgens zijn verklaringen “heel graag” wilde rekruteren, in de twee weken na de aanslag geen problemen heeft ondervonden.
8.2.4.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich gelet op deze onderbouwde tegenwerpingen en het gegeven dat eiser in Griekenland een wezenlijk ander asielrelaas naar voren heeft gebracht, in samenhang beschouwd, niet ten onrechte op het standpunt dat eisers verklaringen over de problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig zijn. Dat eiser niet “in het hoofd van Al-Shabaab” kan kijken, is op zichzelf juist, maar neemt niet weg dat verweerder de verklaringen van eiser onlogisch en onaannemelijk heeft mogen achten. Eisers op zichzelf juiste stelling dat Al-Shabaab wel degelijk ook opereert in [locatie] kan daar niet aan afdoen.
8.2.5.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het Griekse dossier. Eiser heeft in Griekenland een wezenlijk ander relaas naar voren gebracht dan in Nederland. Dat verklaringen niet volledig juist zijn vertaald of opgenomen in het Griekse asieldossier, acht de rechtbank op zichzelf voorstelbaar en kan overigens ook in Nederland voorkomen. Dit betekent echter niet dat aan die verklaringen in het geheel geen waarde kan worden gehecht, ook omdat eiser niet heeft geconcretiseerd wat hij in Griekenland wel of niet heeft verklaard.
8.3.
Eiser heeft niet gesteld dat ten tijde van het bestreden besluit, het aanvullende besluit of het sluiten van het onderzoek in [locatie] sprake was van een situatie waarin iedereen enkel vanwege zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade door willekeurig geweld. Wel betoogt hij dat de algemene veiligheidssituatie in [locatie] slechter is dan verweerder aanneemt.
8.3.1.
Uit de overgelegde kaarten van de controlegebieden van (onder meer) de Somalische overheid en Al-Shabaab volgt niet dat de algemene veiligheidssituatie in [locatie] zodanig is dat verweerder ten onrechte uitgaat van een lagere gradatie van willekeurig geweld in [locatie] . Ook heeft verweerder terecht gesteld dat niet is gebleken dat de algemene veiligheidssituatie in [locatie] wezenlijk is gewijzigd ten opzichte van wat in het landgebonden asielbeleid over Somalië is neergelegd. Daarbij heeft verweerder niet ten onrechte van belang geacht dat Al-Shabaab nog steeds niet aan de macht is in [locatie] , dat niet is gebleken van substantieel meer burgerslachtoffers of incidenten dan ten tijde van de totstandkoming van het beleid en dat het aantal dodelijke slachtoffers van willekeurige geweld in [locatie] beduidend lager is dan in andere regio’s van Somalië.
8.4.
Voor zover eiser, onder verwijzing naar relevante landeninformatie, heeft betoogd dat hij valt onder het risicoprofiel “personen die werken bij, of door Al-Shabaab geassocieerd worden met, de overheid […]”, overweegt de rechtbank dat dit betoog reeds faalt omdat verweerder het asielrelaas van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig acht. Verder heeft eiser niet toegelicht waarom hij bij terugkeer naar [locatie] een groter risico zou lopen om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld dan anderen.
8.5.
De slotsom is dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat zich geen asielgrond voordoet als bedoeld in artikel 29, eerste of tweede lid, van de Vw. Uit het voorgaande volgt ook dat verweerder het Griekse asieldossier in het aanvullende besluit voldoende bij zijn beoordeling heeft betrokken. De hiertegen aangevoerde beroepsgronden slagen niet.
9. Ten aanzien van de geboortedatum [geboortedatum 2] , die is geregistreerd in Griekenland en die ook verweerder aanhoudt, overweegt de rechtbank het volgende.
9.1.
Uit het Griekse asieldossier volgt niet dat eiser in Griekenland tevens met een andere geboortedatum dan [geboortedatum 2] is geregistreerd, dat zijn geboortedatum op zijn verzoek is gewijzigd, dat hij in Griekenland een minderjarige leeftijd heeft opgegeven of dat hij een kopie van een Somalisch paspoort heeft verstrekt. Uit het Griekse dossier volgt dan ook op geen enkele wijze de gang van zaken die eiser ter verklaring van de leeftijdsregistratie in Griekenland naar voren heeft gebracht. De rechtbank onderschrijft voorts het standpunt van verweerder dat eiser in Nederland vaag en tegenstrijdig heeft verklaard over zijn leeftijdsregistratie (aanvullend besluit, blz. 4).
9.1.1.
De verwijzing van eiser naar gebreken in het Griekse asielsysteem slaagt reeds gelet op het voorgaande niet. Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eiser een waarschijnlijk niet bevoegd opgemaakte en afgegeven geboorteakte en identiteitsbevestiging heeft overgelegd.
9.2.
Het voorgaande, in samenhang bezien, betekent dat eiser zijn verklaring dat hij in Griekenland ook een andere geboortedatum dan [geboortedatum 2] heeft opgegeven niet aannemelijk heeft gemaakt met concrete aanknopingspunten. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het aanvullende besluit deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij niet van de door eiser in Nederland opgegeven geboortedatum is uitgegaan.
9.2.1.
Eiser heeft weliswaar een door Bureau Documenten positief beoordeelde nationaliteitsverklaring en een Somalisch paspoort overgelegd, verstrekt door de Somalische ambassade in Brussel, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd waarom hij die stukken niet doorslaggevend acht. Daartoe heeft verweerder gesteld dat de Somalische ambassade in Brussel paspoorten afgeeft waarbij in de praktijk kan worden volstaan met een nationaliteitsverklaring, die wordt verstrekt op basis van een interview op de ambassade. Dit betekent dat de nationaliteitsverklaring die ten grondslag ligt aan de afgifte van het paspoort naar alle waarschijnlijkheid enkel is afgegeven op basis van eisers eigen verklaringen, en verweerder heeft die verklaringen niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht.
9.2.2.
Verweerder heeft daarnaast terecht gesteld dat Somalische documenten in Nederland niet worden erkend vanwege het ontbreken van een centraal gezag in Somalië. De rechtbank verwijst in dit verband naar de vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 25 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1057).
9.2.3.
Tot slot heeft verweerder terecht gesteld dat, anders dan eiser heeft betoogd, niet is gebleken dat de gemeente Oss de door eiser opgegeven geboortedatum heeft geregistreerd omdat buiten redelijke twijfel zou zijn dat de gegevens op de nationaliteitsverklaring en het Somalische paspoort juist zijn. Verweerder heeft, gelet op het voorgaande, in het aanvullende besluit deugdelijk gemotiveerd waarom hij niet aannemelijk acht dat eiser ten tijde van zijn inreis in Nederland minderjarig was.
9.3.
Ook de hiertegen door eiser aangevoerde beroepsgronden slagen niet. Dit betekent dat verweerder heeft mogen uitgaan van de leeftijd die is geregistreerd door de Griekse autoriteiten.
Uitkomst
10. Gelet op het voorgaande is de afwijzing van eisers asielaanvraag, zoals neergelegd in het bestreden besluit en het aanvullende besluit in samenhang bezien, rechtmatig. De rechtbank ziet hierin aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven. Het beroep is ongegrond voor zover dat is gericht tegen het aanvullende besluit.
Proceskosten
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Het bedrag van deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.401,00 voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit en 1 punt voor het indienen van de beroepsgronden tegen het bestreden besluit, met een waarde per punt van € 934,00 en wegingsfactor 0,5 voor het beroepschrift en wegingsfactor 1 voor de beroepsgronden). Voor het verschijnen ter zitting wordt geen vergoeding toegekend, omdat verweerder voor de zitting de onrechtmatigheid van het bestreden besluit heeft erkend en een rechtmatig aanvullend besluit heeft genomen, zodat de zitting niet heeft bijgedragen aan de gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit;
- verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij eisers asielaanvraag is afgewezen;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;
- verklaart het beroep ongegrond voor zover het is gericht tegen het aanvullende besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.401,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.