ECLI:NL:RBDHA:2026:16229

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL26.17949 en NL26.17950
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vw 2000Art. 30b Vw 2000Art. 29 Vw 2000Art. 66a Vw 2000Art. 4 Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende geloofwaardigheid homoseksuele gerichtheid

Eiser, een Marokkaanse man die vanwege zijn homoseksuele gerichtheid asiel aanvraagt, vordert bescherming tegen terugkeer naar Marokko uit vrees voor vervolging. De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser onvoldoende geloofwaardig is bevonden, met name vanwege het ontbreken van onderbouwing van zijn seksuele gerichtheid en het niet tijdig indienen van de aanvraag.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening behandeld en oordeelt dat de minister de geloofwaardigheidsbeoordeling zorgvuldig en in overeenstemming met het Unierecht heeft uitgevoerd. De rechtbank stelt vast dat eiser geen verschoonbare reden heeft voor het late indienen van de aanvraag en dat hij onvoldoende bewijs heeft geleverd ter onderbouwing van zijn relatie en seksuele gerichtheid.

De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond. Tevens wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen, en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.17949 (beroep)
NL26.17950 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1997, van Marokkaanse nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 17 februari 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het besluit van 24 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. [1] Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op zijn beroep is beslist.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de minister en H. Ball-Ponne als tolk in de Marokkaans-Arabische taal deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vanwege zijn homoseksuele gerichtheid te vrezen heeft in Marokko. Toen eiser 17 jaar oud was kwam hij erachter dat hij op mannen viel en kreeg hij een relatie met [de persoon], met wie hij nu nog steeds samen is. Zij willen samen trouwen, maar dat kan niet in Marokko. Om problemen te voorkomen heeft eiser zijn relatie altijd geheimgehouden in Marokko en in Europa. Bij terugkeer vreest eiser gestraft te worden als zijn geaardheid bekend wordt.

Het bestreden besluit

3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens de minister uit de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst; en
homoseksuele gerichtheid.
3.1.
De minister vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De minister vindt eisers gestelde homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen onvoldoende met documenten onderbouwd. Hij krijgt niet het voordeel van de twijfel [2] omdat hij geen hij geen goede verklaring heeft voor het ontbreken van relevante documenten. [3] Daarnaast vormen de verklaringen van eiser over dit asielmotief volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel. [4] Ook heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en hij heeft daar geen goede verklaring voor. [5] Verder kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. [6] Tot slot heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij voor wat betreft het geloofwaardig geachte asielmotief een vrees voor vervolging heeft [7] of een reëel risico op ernstige schade loopt [8] bij terugkeer naar Marokko. De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat hij kennelijk inconsequente en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd [9] , hij zijn asielaanvraag heeft ingediend om uitzetting uit te stellen of te verijdelen [10] en hij niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was [11] . De minister heeft aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd. [12]
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst voert eiser aan dat de door de minister gehanteerde geloofwaardigheidsbeoordeling zoals vastgelegd in Werkinstructie (WI) 2024/6 in strijd is met het Unierecht. Daarnaast heeft de minister ten onrechte niet het volledige referentiekader bij de beoordeling betrokken. Verder heeft de minister de aanvraag niet als kennelijk ongegrond mogen afwijzen omdat eiser een verschoonbare reden heeft voor het niet zo spoedig mogelijk indienen van zijn aanvraag. Tot slot heeft de minister geen terugkeerbesluit en inreisverbod mogen opleggen omdat het refoulementrisico niet deugdelijk is onderzocht.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag van eiser kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit waarom en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De geloofwaardigheidsbeoordeling in het algemeen
6. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de toepassing van de in WI 2024/6 neergelegde geloofwaardigheidsbeoordeling in iedere asielzaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheids-beoordeling. Wel zijn er situaties denkbaar waarin de toepassing van WI 2024/6 in een concrete zaak kan leiden tot een geloofwaardigheidsbeoordeling die in strijd is met artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 7.1-7.3 van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 10 juni 2025 [13] en maakt deze overwegingen de hare. Uit deze uitspraak volgt dat per individuele zaak moet worden beoordeeld of de verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling in lijn met het Unierecht is.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is in het specifieke geval van eiser niet gebleken dat de minister geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt. Anders dan eiser stelt, volgt uit het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank niet dat de minister vormvereisten stelt aan het te leveren bewijs. In het kader van de tegenwerping die ziet op het ontbreken van documenten stelt de rechtbank vast dat eiser op de zitting heeft verklaard dat hij wel over foto’s beschikt die zijn relatie met [de persoon] onderbouwen, maar dat hij deze niet heeft durven overleggen vanwege zijn vrees en de vrees van [de persoon]. Dat eiser deze documenten niet heeft overgelegd, komt voor zijn rekening. Verder blijkt niet dat de minister direct is overgegaan tot een geloofwaardigheidstoets zonder eerst de bewijsstukken, verklaringen en landeninformatie te betrekken, zoals eiser betoogt. Omdat eiser geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn asielmotief, heeft de minister gekeken naar de verklaringen van eiser, is vervolgens overgegaan tot een geloofwaardigheidsbeoordeling en heeft getoetst aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 (stap 2b van WI 2024/6). Omdat in dit geval niet aan alle voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 is voldaan, heeft de minister het asielmotief niet geloofwaardig gevonden.
Is het besluit zorgvuldig tot stand gekomen?
7. Eiser voert aan dat de minister zijn referentiekader niet volledig heeft betrokken bij de beoordeling. Zo heeft de minister ten onrechte niet meegewogen dat eiser nog in een vroeg stadium van zijn identiteitsontwikkeling zit. Dat eiser een lange relatie heeft gehad met [de persoon] verklaart dat hij gemakkelijker met zijn homoseksuele gevoelens om kon gaan. Ook dit heeft de minister niet erkend.
7.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de minister zijn referentiekader niet volledig bij de beoordeling heeft betrokken. De minister heeft het door eiser aangevoerde kader over de verschillende fasen van identiteitsontwikkeling niet hoeven betrekken. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser met dit kader niet heeft onderbouwd waaruit volgt dat van iemand in een vroeg stadium minder gevergd kan worden voor wat betreft de diepgang van de verklaringen. De link tussen de verschillende fasen en het vermogen om te verklaringen ontbreekt. Bovendien is dit kader niet het beoordelingskader wat de minister hanteert voor het beoordelen van asielaanvragen waarbij een lhbti-asielmotief is aangevoerd. Los daarvan is de rechtbank van oordeel dat in bestreden besluit voldoende is gemotiveerd waarom van eiser verwacht mocht worden dat hij over bepaalde zaken uitgebreider en persoonlijk had kunnen verklaren.
7.2.
Voor zover eiser stelt dat zijn relatie met [de persoon] verklaart waarom hij gemakkelijker met zijn homoseksuele gevoelens om kon gaan en dat zijn identiteitsontwikkeling daarom anders was, overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister eisers relatie met [de persoon] voldoende bij de besluitvorming betrokken. De minister heeft eiser tegengeworpen dat hij oppervlakkig en vaag heeft verklaard over zijn relatie met [de persoon]. Weliswaar is het navolgbaar dat de relatie met [de persoon] eiser heeft geholpen in het begrijpen en accepteren van zijn homoseksuele gevoelens, maar dat neemt niet weg dat van eiser mag worden verwacht dat hij over die relatie met meer diepgang kan verklaren. De minister heeft terecht in de beoordeling betrokken dat eiser een volwassen man is, die al twaalf jaar een relatie stelt te hebben met [de persoon]. Hoewel het moeilijk kan zijn voor iemand om over zijn seksuele gerichtheid te verklaren, mag de minister wel verwachten dat iemand enige onderbouwing geeft indien seksuele gerichtheid als asielmotief wordt aangevoerd. Daar is eiser niet in geslaagd. Zo heeft hij bijvoorbeeld geen foto’s, berichten of brieven overgelegd die zien op zijn gestelde relatie en heeft hij zelfs de achternaam van zijn gestelde partner niet kunnen geven.
7.3.
Eiser voert verder aan dat juist in een land waar homoseksualiteit niet wordt getolereerd, het in de praktijk niet mogelijk is om unieke ervaringen op te doen. De minister werpt echter niet tegen dat eiser geen unieke ervaringen heeft opgedaan, maar dat eiser onvoldoende authentiek, persoonlijk en gedetailleerd heeft verklaard. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Mocht de minister de asielaanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond?
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister de asielaanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond [14] . Voor zover eiser aanvoert dat hij eerst via een reguliere procedure in Portugal een uitweg heeft geprobeerd te vinden voor zijn problemen, heeft de minister dit niet als verschoonbare reden hoeven aanmerken voor het niet zo spoedig mogelijk indienen van de aanvraag. Van iemand die om internationale bescherming verzoekt, mag in beginsel worden verwacht dat hij zijn asielwens onmiddellijk na aankomst in Nederland kenbaar maakt. Daarbij heeft de minister terecht betrokken dat eiser in 2024 Nederland was ingereisd en toen al bij de vreemdelingenpolitie had aangegeven asiel aan te willen vragen. Los daarvan heeft eiser alleen een beroepsgrond ingediend tegen één van de kennelijk ongegrond gronden. De overige twee gronden heeft eiser niet betwist, namelijk dat hij verklaringen heeft afgelegd die als kennelijk inconsequent en tegenstrijdig zijn beoordeeld en dat hij zijn aanvraag enkel heeft ingediend om zijn uitzetting uit te stellen of te verijdelen. Dit laatste wordt bovendien door eiser in de zienswijze bevestigd [15] . De rechtbank is van oordeel dat de minister de afwijzing van de aanvraag als kennelijk ongegrond dan ook voldoende heeft onderbouwd. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Mocht de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod opleggen?
9. In het kader van de geloofwaardigheidsbeoordeling is door de minister tegengeworpen dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dat hij in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Eiser heeft hiertegen geen beroepsgronden ingediend. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom zijn seksuele gerichtheid ongeloofwaardig is geacht. Gelet op het voorgaande en dat wat de rechtbank in rechtsoverwegingen 6.1. tot en met 8. heeft overwogen, heeft de minister het refoulementrisico in het kader van het inreisverbod en het terugkeerbesluit voldoende onderzocht.

Conclusie en gevolgen

10. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank tot de conclusie dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.
11. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.17949:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.17950:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, f en h, van de Vw 2000.
2.Als bedoeld in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000.
3.Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
4.Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
5.Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.
6.Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.
7.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
8.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
9.Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.
10.Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000
11.Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000.
12.Artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
14.Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, f en h, van de Vw 2000.
15.Zienswijze van 20 maart 2026, p. 6