ECLI:NL:RBDHA:2026:16224
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht aan Duitsland in Dublinprocedure
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om te voorkomen dat hij wordt overgedragen aan Duitsland, omdat hij vreest voor vervolging bij terugkeer naar Pakistan en Duitsland zijn asielverzoek heeft afgewezen. De minister heeft het verzoek tot voorlopige voorziening bestreden en aangevoerd dat er geen spoedeisend belang is en dat het beroep weinig kans van slagen heeft.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er wel sprake is van een spoedeisend belang vanwege de geplande overdracht op een concreet tijdstip. Vervolgens wordt beoordeeld of het beroep kansrijk is. De rechter stelt vast dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt ten aanzien van Duitsland en dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt. De enkele afwijzing van het asielverzoek door Duitsland is onvoldoende om systeemfouten aan te nemen die een risico op indirect refoulement rechtvaardigen.
De voorzieningenrechter verwijst naar recente jurisprudentie waarin is bepaald dat binnen een Dublinprocedure niet wordt getoetst aan het risico van indirect refoulement, tenzij sprake is van zwaarwegende systeemfouten. Omdat verzoeker deze niet heeft aangetoond, wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Dit betekent dat de overdracht aan Duitsland kan plaatsvinden en verzoeker geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen overdracht aan Duitsland wordt afgewezen, waardoor overdracht kan plaatsvinden.