AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit weigering verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wegens motiveringsgebrek
Eiseres, een Eritrese vrouw behorend tot de Tigrinja bevolkingsgroep, diende op 25 april 2024 een asielaanvraag in die door de minister op 1 oktober 2025 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Zij voerde aan dat zij vanwege haar leeftijd, gezondheidsproblemen en het onveilige grensgebied met Ethiopië een reëel risico liep op ernstige schade door willekeurig geweld.
De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Eritrea, mede gelet op eerdere jurisprudentie en het feit dat er momenteel geen gewapend conflict is in de regio Tigray. Wel stelde de rechtbank vast dat de minister niet had gemotiveerd waarom aan eiseres geen reguliere verblijfsvergunning werd verleend op grond van artikel 8 EVRMPro, ondanks dat eiseres een beroep deed op haar gezinsleven met meerderjarige kinderen en broer in Nederland.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit vanwege dit motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat de minister in het verweerschrift het gebrek had hersteld door te stellen dat eiseres onvoldoende had toegelicht waarom haar familiebanden een verblijfsrecht rechtvaardigen. De rechtbank veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten van €1.868 aan eiseres.
De uitspraak benadrukt het belang van een deugdelijke motivering bij het weigeren van verblijfsvergunningen op grond van artikel 8 EVRMPro en bevestigt dat enkel contact met familieleden onvoldoende is om een verblijfsrecht te rechtvaardigen zonder concrete afhankelijkheidsrelatie.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48853
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. S.A.S. Jansen),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. M.M. Luik).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een reëel risico loopt op ernstige schade, als gevolg van willekeurig geweld. Wel is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat, omdat de minister niet heeft gemotiveerd waarom aan eiseres geen reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 vanPro het EVRM is verleend. Het beroep is daarom ten aanzien van dat punt gegrond. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, omdat de minister het motiveringsgebrek in het verweerschrift heeft hersteld. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 25 april 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres heeft de Eritrese nationaliteit en behoort tot de Tigrinja bevolkingsgroep. Het gaat slecht met haar gezondheid. Eiseres wil niet terugkeren naar Eritrea, omdat ze daar niemand heeft die voor haar kan zorgen. Daarnaast woonde ze in het grensgebied met Ethiopië en omdat daar beschietingen zijn is het daar niet veilig.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister het volgende asielmotief:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst.
4.1.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig zijn. Op grond hiervan kan eiseres echter niet aangemerkt worden als vluchteling en loopt zij ook geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Eritrea. Daarnaast werpt de minister eiseres tegen dat zij niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiseres krijgt wel uitstel van vertrek om medische redenen.
Loopt eiseres bij terugkeer naar Eritrea een reëel risico op ernstige schade, als gevolg van willekeurig geweld?
5. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat zij bij terugkeer naar Eritrea geen reëel risico loopt op ernstige schade, als gevolg van willekeurig geweld. [1] Volgens eiseres staat het vast dat zij uit Eritrea afkomstig is en dichtbij de grens met Ethiopië heeft gewoond. Hoewel eiseres erkent dat er een vredesovereenkomst is gesloten tussen Eritrea en Ethiopië, voert zij aan dat er in het grensgebied nog steeds sprake is van gewapende conflicten. Ze verwijst daarbij onder meer naar het rapport van Human Rights Watch en andere openbare bronnen waaruit blijkt dat Eritrese groepen nog steeds delen van de Ethiopische regio Tigray bezetten en dat daar ernstige misstanden plaatsvinden. [2] Volgens eiseres lopen de spanningen weer op en bereiden beide landen zich voor op een nieuwe oorlog. [3] Daarnaast voert eiseres aan dat zij persoonlijk een verhoogde kans loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld, gezien haar 73-jarige leeftijd, haar gezondheidsproblemen en het feit dat ze geen familie meer in Eritrea heeft op wie ze kan terugvallen. Tot slot voert eiseres aan dat de minister geen rekening heeft gehouden met de correcties en aanvullingen van het nader gehoor, waarin zij heeft aangegeven dat er tijdens de oorlog vaker raketaanvallen hebben plaatsgevonden.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Eritrea een reëel risico loopt op ernstige schade, als gevolg van willekeurig geweld. De rechtbank verwijst in dit verband allereerst naar het oordeel van de meervoudige kamer van deze zittingsplaats in de uitspraak van 17 juni 2025. [4] In die uitspraak is geoordeeld dat in de Ethiopische regio Tigray geen sprake is van een situatie waarin de vreemdeling alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico op ernstige schade loopt, omdat niet is gebleken dat in Tigray op dit moment sprake is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. [5] Hoewel eiseres niet afkomstig is uit Ethiopië, ziet haar betoog op dit grensgebied met Tigray en verwijzen haar bronnen naar deze regio. De rechtbank ziet geen reden om in deze zaak tot een ander oordeel te komen. Daarbij is van belang dat in die uitspraak is betrokken dat Ethiopië op 24 maart 2022 een staakt-het-vuren heeft aangekondigd en dat het Eritrese leger daarop nauwelijks offensieve militaire operaties uitvoert. [6] Daarnaast heeft de minister op de zitting terecht gesteld dat eiseres vooral vreest voor een mogelijke toekomstige escalatie, en dat haar bronnen voornamelijk spanningen laten zien, maar niet dat er op dit moment sprake is van een gewapend conflict. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres niet valt onder de reikwijdte van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub drie, van de Vw 2000 en komt daarom niet toe aan de beoordeling van de individuele omstandigheden van eiseres. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom eiseres geen reguliere verblijfsvergunning krijgt in de zin van artikel 8 vanPro het EVRM?
6. Eiseres betoogt dat er sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 vanPro het EVRM tussen haar, haar meerderjarige kinderen en haar broer (met zijn gezin) die allemaal in Nederland wonen. Eiseres voert daartoe aan dat zij regelmatig (telefonisch) contact met hen heeft en dat de minister onvoldoende heeft doorgevraagd naar dit gezinsleven.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres in het nader gehoor en in de zienswijze omstandigheden heeft genoemd die gaan over een mogelijk gezinsleven met haar meerderjarige kinderen en haar broer in Nederland. Hierdoor heeft eiseres impliciet verzocht om toetsing van artikel 8 vanPro het EVRM. De rechtbank stelt vast dat de minister ten onrechte heeft nagelaten om in het bestreden besluit te motiveren waarom aan eiseres geen reguliere verblijfsvergunning wordt verleend, nu eiseres een beroep heeft gedaan op artikel 8 vanPro het EVRM. [7] De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. Dat de motivering op dit punt gebrekkig is, is door de minister in beroep ook erkend. De beroepsgrond slaagt dan ook en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit ten aanzien van dit punt.
6.2.
De rechtbank ziet echter aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De reden daarvoor is dat de minister in het verweerschrift het motiveringsgebrek heeft hersteld. De minister stelt zich in het verweerschrift namelijk terecht op het standpunt dat eiseres weliswaar heeft verklaard dat twee van haar meerderjarige kinderen en haar broer in Nederland wonen en dat zij daarvan gegevens heeft verstrekt, maar dat zij niet heeft toegelicht waarom deze aanwezigheid reden zou moeten zijn om haar een verblijf op grond van artikel 8 vanPro het EVRM toe te staan. Om familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 vanPro het EVRM aan te nemen tussen eiseres en haar meerderjarige kinderen en broer, moet sprake zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Eiseres heeft in de procedure, in de beroepsfase en ook tijdens de zitting geen concrete omstandigheden genoemd waaruit een dergelijke afhankelijkheidsrelatie blijkt. Het enkele contact dat zij met haar familie onderhoudt, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank volgt eiseres daarnaast niet in haar betoog dat de minister onvoldoende zou hebben doorgevraagd. Uit het nader gehoor blijkt namelijk dat uitgebreid is gesproken over haar familiebanden. [8] Eiseres heeft zelf verklaard dat zij haar kinderen ongeveer één keer per maand spreekt en haar broer slechts bij een kerkbezoek ziet. [9]
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 vanPro de Awb. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit ten aanzien van de weigering om aan eiseres een verblijfsvergunning regulier te verlenen op grond van artikel 8 vanPro het EVRM, omdat de minister ten onrechte heeft nagelaten dit te motiveren. De rechtbank laat uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de minister het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank veroordeelt de minister daarom in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde rechtmatig verleende rechtsbijstand vast op €1.868 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van €934 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit ten aanzien van de weigering om aan eiseres een verblijfsvergunning regulier te verlenen op grond van artikel 8 vanPro het EVRM;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
veroordeelt de minister tot betaling van €1.868 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.In de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn.
2.Human Rights Watch, World Report 2025: Eritrea; Nova.News: ‘UN: Eritrean troops should withdraw from Ethiopia’s Tigray region, guilty of abuses’, d.d. 2 maart 2025; Eritrea Focus: ‘UN warns of Eritrean troops’ continued abuses in Tigray amid impunity, cites ‘lack of political will’ on rights violation in Eritrea’, d.d. 3 maart 2025; Addis Standard: ‘UN warns of Eritrean troops’ continued abuses in Tigray amid impunity, cites ‘lack of political will’ on rights violation in Eritrea’, d.d. 28 februari 2025.
3.‘Stop the Next Ethiopia-Eritrea War Before It Begins’, d.d. 12 maart 2025; Reuters: Ethiopia’s Abiy rules out war with Eritrea over Red Sea access’, d.d. 20 maart 2025; Ethiopian Tribune: ‘Ethiopia, Eritrea, and Tigray are sleepwalking into war’, 29 maart 2025; Horn Review: Ethiopia’s Tigray Conflict: A Complex Web of Regional Tensions and Strategic Interests’, d.d. 15 maart 2025.