ECLI:NL:RBDHA:2026:16196

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
C/09/693689
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 3:109 BWArt. 3:119 lid 1 BWArt. 3:310 lid 1 BWArt. 3:317 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding wegens onrechtmatig beslag en vernietiging auto-onderdelen

Eisers, vennoten van een autosloopbedrijf, vorderden schadevergoeding van de Staat en een Stichting vanwege strafrechtelijk en conservatoir beslag op auto-onderdelen, die deels vernietigd en verkocht zijn. De Staat werd aangesproken voor het strafrechtelijk beslag, de Stichting voor het onrechtmatig conservatoir beslag.

De rechtbank oordeelde dat de vordering tegen de Staat verjaard was, omdat de verjaringstermijn van vijf jaar was verstreken zonder stuiting. Ten aanzien van de Stichting werd erkend dat het conservatoir beslag onterecht was gelegd, maar eisers hadden onvoldoende onderbouwd dat zij daardoor schade hadden geleden. Daarnaast konden zij niet aantonen rechthebbende te zijn van de in beslag genomen en vervreemde onderdelen.

Het hof had eerder vastgesteld dat de samenstellingsrapporten van de Stichting onvoldoende betrouwbaar waren en dat er onvoldoende bewijs was voor heling van de onderdelen door eisers. De rechtbank concludeerde dat de vernietiging en vervreemding van de onderdelen niet onrechtmatig jegens eisers was. De vorderingen werden daarom afgewezen en eisers werden veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af wegens verjaring en onvoldoende bewijs van rechthebbendheid op de in beslag genomen auto-onderdelen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaak-/rolnummer: C/09/693689 / HA ZA 25-943
Vonnis van 3 juni 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van

1.[eiser senior] te [woonplaats 1] ( [land] ),

hierna: [eiser senior]
2.
[eiser junior]te [woonplaats 2] ,
hierna: [eiser junior] ,
eisers,
advocaten: mr. D. Hwang en mr. M. Goedhart,
tegen

1.STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE) te Den Haag,

hierna te noemen: de Staat
advocaten: mr. C.M. Bitter en mr. M.I. Hazelhorst,
2.
STICHTING VbV (VERZEKERINGSBUREAU VOERTUIGCRIMINALITEIT)te Apeldoorn,
hierna te noemen: de Stichting,
advocaat: mr. R.R. Schuldink,
gedaagden.

1.Waar gaat deze zaak over?

1.1.
Eisers zijn de vennoten van [bedrijfsnaam 1] V.O.F. (hierna: [bedrijfsnaam 1] ).
1.2.
Nadat de politie in 2025 in een bedrijfspand een gestolen auto had aangetroffen, is [eiser senior] aangehouden op verdenking van heling en zijn auto-onderdelen in beslag genomen op grond van artikel 94 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De in beslag genomen auto-onderdelen zijn in de periode van 11 juni 2019 tot 1 oktober 2020 deels vernietigd en deels verkocht middels kavelverkoop.
1.3.
[eiser junior] is door de rechtbank Gelderland vrijgesproken van heling van auto-onderdelen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof) heeft [eiser senior] in hoger beroep veroordeeld wegens één geval van opzetheling, maar voor het overige vrijgesproken. Het hof heeft de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorraad auto-onderdelen. [bedrijfsnaam 1] en [eiser senior] hebben het Openbaar Ministerie verzocht om teruggave van de in beslag genomen voorwerpen. Daartoe heeft het Openbaar Ministerie ook besloten. Omdat teruggave niet meer mogelijk was, is de waarde uitbetaald die de voorwerpen bij verkoop hadden opgebracht.
1.4.
De Stichting heeft in 2016 ook conservatoir beslag gelegd op de in beslag genomen auto-onderdelen. Dit beslag is door de voorzieningenrechter in 2016 weer opgeheven, voor zover er geen strafvorderlijk beslag op de betreffende voorwerpen rustte. De Stichting heeft vervolgens in een bodemprocedure bij de rechtbank Gelderland gevorderd [bedrijfsnaam 1] en eisers te veroordelen tot betaling van schadevergoeding. Bij vonnis van 31 augustus 2022 heeft de rechtbank Gelderland de vordering van de Stichting afgewezen.
1.5.
In deze procedure vorderen eisers schadevergoeding van de Staat (in verband met het strafrechtelijke beslag en de vernietigde en verkochte voorraad) en van de Stichting (in verband met het onterechte conservatoir beslag). De rechtbank wijst de vorderingen af. De vordering tot schadevergoeding wegens de inbeslagname door de Staat is verjaard. Verder hebben eisers onvoldoende onderbouwd dat zij de rechthebbenden waren van de inbeslaggenomen auto-onderdelen die zijn vervreemd en vernietigd. De vervreemding en vernietiging van deze auto-onderdelen was daarom niet onrechtmatig, althans niet jegens eisers. Ook de vorderingen tegen de Stichting worden afgewezen. Het conservatoir beslag is wel ten onrechte door de Stichting gelegd, maar eisers hebben onvoldoende onderbouwd dat zij als gevolg daarvan schade hebben geleden. De andere gronden waarop de Stichting aansprakelijk werd gehouden zijn eveneens onvoldoende onderbouwd.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bevat de volgende stukken:
- de dagvaardingen van 20 oktober 2025, met producties K-1 tot en met K-31;
- de conclusie van antwoord van de Staat, met producties 1 tot en met 4;
- de conclusie van antwoord van de Stichting, met producties 1 tot en met 23;
- de akte overlegging nadere producties tevens akte vermeerdering van eis van eisers van 23 februari 2026, met producties K-32 en K-33.
2.2.
Op 5 maart 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. De advocaten van partijen hebben pleitnota’s voorgedragen. De zaak is aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te verkennen, waarna eisers de rechtbank zouden laten weten of alsnog een vonnis zou moeten worden gewezen.
2.3.
Bij brief van 21 april 2026 hebben eisers laten weten dat partijen er niet in waren geslaagd om een minnelijke regeling te treffen. Zij verzochten de rechtbank hen in de gelegenheid te stellen nader bewijs aan te leveren en hebben bij deze brief twee producties overgelegd. Gedaagden hebben bezwaar gemaakt tegen dit verzoek, althans tegen het voegen van de producties bij dit verzoek.
2.4.
Bij brief van 24 april 2026 heeft de griffier partijen laten weten dat de rechtbank het verzoek van eisers afwees en de zaak naar de rol van 24 juni 2026 zou verwijzen voor het wijzen van vonnis. Dit vonnis is bij vervroeging uitgesproken.

3.De feiten

Partijen
3.1.
[eiser senior] en [eiser junior] zijn de vennoten van [bedrijfsnaam 1] . [bedrijfsnaam 1] houdt zich bezig met groothandel in autosloopmateriaal en handel in en reparatie van gebruikte personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s.
3.2.
De activiteiten van de Stichting bestaan uit het leveren van een bijdrage aan de beheersing van de schadelast die ontstaat door criminaliteit rond voertuigen, in het bijzonder de diefstal daarvan, en uit de behartiging van de collectieve belangen van de Nederlandse verzekeraars, de voertuigbranche, de leasemaatschappijen en verhuurbedrijven van voertuigen en andere partijen die door voertuigcriminaliteit worden benadeeld.
3.3.
De Stichting was de enige bestuurder van VbV Derden. VbV Derden is per 19 december 2024 uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel uitgeschreven en dus opgeheven.
Strafrechtelijk en civielrechtelijk traject
3.4.
Op 6 november 2015 heeft de politie in een loods van [bedrijfsnaam 1] een eerder die dag gestolen auto aangetroffen. De auto, een Volkswagen Caddy, bevond zich op de brug in de loods en was deels gestript. [eiser senior] is aangehouden op verdenking van heling. De loods is verzegeld met het oog op een latere doorzoeking.
3.5.
Tijdens de doorzoeking op 9 november 2015 zijn ruim 10.000 auto-onderdelen in beslag genomen op grond van artikel 94 Sv Pro, met het oog op waarheidsvinding. Tijdens een doorzoeking op 22 februari 2016 zijn op dezelfde grondslag nog eens 47 auto-onderdelen in beslag genomen. Al deze inbeslaggenomen onderdelen worden hierna gezamenlijk ‘de auto-onderdelen’ genoemd. De politie werd tijdens de doorzoekingen bijgestaan door medewerkers van VbV Derden.
3.6.
VbV Derden is aangewezen als bewaarder van de auto-onderdelen. Daartoe is op 1 december 2015 een bewaardersovereenkomst gesloten. De bewaardersovereenkomst is verlengd op 28 februari 2016, op 27 september 2016 en op 15 november 2016.
3.7.
Op 4 februari 2016 heeft de Stichting de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland verzocht om ten laste van [bedrijfsnaam 1] en eisers conservatoir beslag te mogen leggen. De voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland heeft dit bij beschikking van 4 februari 2016 toegestaan. Op 8 februari 2016 heeft de Stichting beslag gelegd op de auto-onderdelen.
3.8.
Op 7 maart 2016 heeft de Stichting [bedrijfsnaam 1] en eisers gedagvaard in een bodemprocedure. De Stichting heeft gevorderd [bedrijfsnaam 1] en eisers te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding. Zij heeft daaraan onrechtmatig handelen ten grondslag gelegd, onder meer bestaand uit de heling van gestolen voertuigonderdelen.
3.9.
Bij vonnis van 4 april 2016 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland op vordering van [bedrijfsnaam 1] en eisers het door de Stichting gelegde conservatoire beslag op hun handelswaar, bedrijfsinboedel en -inventaris opgeheven, voor zover er geen strafvorderlijk beslag op rustte. Naar aanleiding van dit vonnis zijn 426 stuks gereedschap en inventaris vanaf 19 april 2016 aan [bedrijfsnaam 1] ter beschikking gesteld en overgedragen.
3.10.
Bij vonnis van 29 mei 2019 heeft de rechtbank Gelderland [eiser senior] veroordeeld wegens opzetheling en gewoonteheling en een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van 48 maanden en de verbeurdverklaring uitgesproken van de onder hem en [bedrijfsnaam 1] in beslag genomen voorraad. Bij vonnis van dezelfde datum heeft de rechtbank Gelderland [eiser junior] vrijgesproken van opzetheling en gewoonteheling.
3.11.
De auto-onderdelen zijn in de periode van 11 juni 2019 tot 1 oktober 2020 deels vernietigd en deels verkocht middels kavelverkoop. De auto-onderdelen zijn via een veiling te koop aangeboden aan gecertificeerde opkopers.
3.12.
Bij e-mail van 14 juli 2022 heeft de advocaat-generaal van het ressortsparket Arnhem-Leeuwarden aan de advocaat van eisers geschreven dat er geen e-mailwisseling of machtiging is gevonden waaruit toestemming tot vervreemden of vernietiging van de auto-onderdelen blijkt en dat de officier van justitie in eerste aanleg zich niet meer kon herinneren of dit is besproken met ‘de vbv’.
3.13.
Bij arrest van 15 augustus 2022 heeft het hof [eiser senior] veroordeeld wegens één geval van opzetheling, hem een taakstraf opgelegd van 100 uren en een vordering van een benadeelde partij toegewezen voor een bedrag van € 1.447,25. Het hof heeft bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven auto-onderdelen. Het hof heeft verder overwogen:
‘Het hof komt tot een ander oordeel. Uiteindelijk heeft het openbaar ministerie de heling van 24 auto’s ten laste gelegd, die geïdentificeerd zouden zijn aan de hand van een uniek onderdeel of onderdelen. Uit het proces-verbaal bevindingen van het LIV van 3 december 2018 blijkt dat van tenminste 5 auto’s dat identificerende onderdeel niet bij het LIV is aangetroffen bij het bedoelde VIN. Verder blijkt dat de aanwijspijlen van het identificerende onderdeel bij een aantal auto’s bij een verkeerd onderdeel is geplaatst, onterecht bij een onderdeel is geplaatst of in een eerder stadium bij een andere auto als identificerend onderdeel is aangemerkt. Ook een groot aantal van de niet-unieke onderdelen bleek onterecht in samenstellingsrapporten terecht te zijn gekomen. De lijsten zijn na betwisting door de verdediging verschillende keren aangepast, ook ten aanzien van de (cruciale) identificerende onderdelen. Hoewel het hof niet twijfelt aan de vereiste kennis en kundigheid van het VbV en het hof van oordeel is dat het bij een onderzoek naar ruim 10.000 onderdelen fouten en vergissingen kunnen voorkomen, gaat het bij het onderzoek naar de tenlastegelegde voertuigen om relatief gezien veel (cruciale) fouten. Dit alles in samenhang gezien maakt dat het hof van oordeel is dat de VbV samenstellingsrapporten onvoldoende betrouwbaar zijn om de onderdelen met zekerheid aan de in de ten laste gelegde genoemde gestolen auto’s te kunnen koppelen en dat de rapporten daarom uitgesloten dienen te worden van het bewijs. Onderzoek naar of bij de grootste leverancier van de gestolen onderdelen is achterwege gebleven, zodat het hof ook daar geen aanknopingspunten ziet voor het bewijs.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er onvoldoende
wettigbewijs is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de heling van de 23 in de tenlastelegging onder feit 2 genoemde auto’s en spreekt verdachte daarvan vrij.
(…)
Tijdens de doorzoeking van de loods van verdachte op 9 november 2015 is een groot aantal onderdelen aangetroffen, die afkomstig bleken te zijn van gestolen auto’s, onderdelen waarvan de (zichtbare) kenmerken waren verwijderd en relatief veel onderdelen afkomstig van jonge auto’s. Ook werd achter een kast een verborgen ruimte aangetroffen waarin onder meer een groot aantal kratten stond met goederen die zich vermoedelijk in de laadruimten van gestolen bedrijfsauto’s bevonden.
(…)
Bij [bedrijfsnaam 1] zijn geen gespecificeerde inkoopbonnen of een opkoopregister aangetroffen. Verdachte heeft ook geen stukken overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat hij de onderdelen op een legale manier heeft ingekocht.
(…)
Het hof acht, gelet op de aanwezigheid van de gestolen, al gedeeltelijk ontmantelde Volkwagen Caddy, de inconsistente en ongeloofwaardige verklaringen die verdachte daarover heeft afgelegd en de omstandigheid dat in de loods een groot aantal onderdelen van (veelal relatief jonge) gestolen auto’s zijn aangetroffen zonder dat de herkomst op enige wijze is te achterhalen in de administratie, in samenhang en onderling verband bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de gestolen Volkswagen Caddy voorhanden heeft gehad. Verder is het hof van oordeel dat verdachte door nauwelijks enig onderzoek uit te voeren naar de aanbieder van de auto of de auto zelf, minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het bij het voorhanden krijgen om een gestolen auto ging.’
3.14.
Bij vonnis van 31 augustus 2022 heeft de rechtbank Gelderland de vorderingen van de Stichting afgewezen.
3.15.
[bedrijfsnaam 1] en [eiser senior] hebben het Openbaar Ministerie verzocht om teruggave van de auto-onderdelen. Daartoe heeft het Openbaar Ministerie besloten. Omdat teruggave niet meer mogelijk was, is de waarde uitbetaald die de voorwerpen bij verkoop hadden opgebracht. Dit betrof een bedrag van € 44.665.
3.16.
Bij dagvaardingen in kort geding van 31 juli 2023 en 1 augustus 2023 heeft [bedrijfsnaam 1] gevorderd de Staat en VbV Derden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 800.000. Bij vonnis in kort geding van 24 augustus 2023 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vorderingen van [bedrijfsnaam 1] afgewezen.

4.Het geschil

4.1.
Eisers vorderen - samengevat en na eiswijziging - dat de rechtbank gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling van:
I. € 2.600.000 aan schadevergoeding, te vermeerderen met rente;
II. € 1.093.000 aan vergoeding van gederfde inkomsten over 2015 tot en met 2025, te vermeerderen met rente;
III. € 10.869,43 aan schadevergoeding bestaande uit kosten ter vaststelling van de schade, te vermeerderen met rente;
een en ander onder veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding.
4.2.
Eisers leggen aan hun vorderingen, kort gezegd, ten grondslag dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld door het leggen van beslag en de vervreemding en vernietiging van de auto-onderdelen. VbV Derden heeft gedaagden aangezet tot het leggen van de beslagen en de Stichting is daarvoor aansprakelijk, aldus eisers.
Beslagen
4.3.
Ten aanzien van het strafrechtelijk beslag stellen eisers zich, onder verwijzing naar het Begaclaim-arrest [1] , op het standpunt dat voldaan is aan het gebleken-onschuldcriterium. Uit het arrest van het hof en de dossierstukken blijkt hun onschuld en dat de verdenking ongefundeerd is geweest, nu de door VbV Derden opgemaakte samenstellingsrapporten niet betrouwbaar waren en van het bewijs zijn uitgesloten, aldus eisers.
4.4.
Wat betreft het civielrechtelijke beslag stellen eisers dat het verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag was gebaseerd op onwaarheden. Verder stellen eisers dat de rechtbank Gelderland heeft geoordeeld dat het verband tussen de auto-onderdelen bij [bedrijfsnaam 1] en de daaraan gekoppelde gestolen auto’s – mede gelet op het tegenbewijs geleverd door [bedrijfsnaam 1] – niet is aangetoond. Het conservatoire beslag dat de Stichting had gelegd, was dus onrechtmatig.
4.5.
Ten aanzien van beide beslagen stellen eisers dat VbV Derden met haar samenstellingsrapporten gedaagden ertoe heeft aangezet beslag te leggen, terwijl zij wist of in ieder geval behoorde te weten dat haar onderzoek aan alle kanten niet deugde. De Stichting was als enige bestuurder direct betrokken bij alle handelingen van VbV Derden en moet ook betrokken zijn geweest in het onderzoek dat VbV Derden had uitgevoerd.
Vervreemding en vernietiging
4.6.
Eisers stellen dat met de vervreemding en vernietiging van de auto-onderdelen hun recht op eigendom teniet is gedaan.
4.7.
Het moet er volgens eisers voor worden gehouden dat de Staat als beslaglegger opdracht heeft gegeven tot vervreemding. Nu het beslag onrechtmatig was, zijn de vervreemding en vernietiging van de auto-onderdelen ook onrechtmatig, aldus eisers. Voor zover de Staat geen opdracht heeft gegeven tot vervreemding, stellen eisers zich op het standpunt dat de vervreemding in strijd met artikel 117 Sv Pro zonder machtiging van de officier van justitie en dus onrechtmatig heeft plaatsgevonden. Bovendien was de Stichting op grond van de bewaardersovereenkomst niet bevoegd een groot deel van de auto-onderdelen te vervreemden, zo stellen eisers. De Stichting heeft voorts onvoldoende zorg betracht bij het vervreemden van de auto-onderdelen.
Schade
4.8.
Eisers stellen ten eerste, onder verwijzing naar het rapport van 14 november 2024 dat Wingman Business Valuation (hierna: Wingman) in opdracht van [bedrijfsnaam 1] heeft opgesteld, dat de waarde van de auto-onderdelen moet worden geschat op € 2.647.934,63. Rekening houdend met het betaalde bedrag van € 44.665 bedraagt de schade nog steeds ruimschoots 2,6 miljoen euro. Het gerealiseerde opbrengst van € 44.665 is volgens eisers bovendien onredelijk laag.
4.9.
Eisers stellen ten tweede, onder verwijzing naar het rapport van Wingman, dat de gederfde winst over de periode van 2015 tot en met 2024, in totaal € 963.000 is. Eisers stellen ten derde dat zij ter vaststelling van de schade kosten hebben gemaakt voor het rapport van Wingman van in totaal € 10.869,43.
4.10.
Gedaagden voeren verweer.
4.11.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Strijd met artikel 2.13 van hetLandelijk procesreglement
5.1.
De rechtbank constateert dat, zoals de Stichting aanvoert, in de dagvaarding geen samenvatting is opgenomen en in de dagvaarding een toelichting op de omvang daarvan ontbreekt. Dit is in strijd met artikel 2.13 van het Landelijk procesreglement. De rechtbank verbindt hieraan echter geen consequenties. Daarbij is van belang dat in de dagvaarding een inleiding is opgenomen, met daarin de kern van de dagvaarding. Verder begrijpt de rechtbank dat in deze zaak - waarin de twee gedaagden een verschillende positie hebben en sprake is van een voorafgaand strafrechtelijk en civielrechtelijk traject - een grotere omvang van de dagvaarding dan 25 pagina’s noodzakelijk is.
Strafrechtelijk beslag door de Staat
Verjaring
5.2.
De Staat heeft aangevoerd dat de vordering wegens onrechtmatig beslag verjaard is. Dit verweer slaagt.
5.3.
De vordering van eisers strekt tot schadevergoeding. Op grond van artikel 3:310 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaar, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Op grond van artikel 3:317 lid 1 BW Pro wordt de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis (waaronder een verbintenis tot het betalen van schadevergoeding) gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht om nakoming voorbehoudt.
5.4.
De rechtbank stelt vast dat de verjaringstermijn is begonnen op de dag na de eerste toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen. Dit was dus op 10 november 2015, de dag na de eerste doorzoeking en inbeslagname. Dit betekent dat de rechtsvordering is verjaard op 10 november 2020.
5.5.
Eisers stellen dat de verjaring is gestuit door het voeren van een kort gedingprocedure en andere handelingen waardoor de Staat moet hebben begrepen dat zij aanspraak maakten op schadevergoeding. Eisers bieden daarvoor bewijs aan.
5.6.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers onvoldoende gesteld om te concluderen dat de verjaring is gestuit. De dagvaardingen in de kort gedingprocedure dateren van 31 juli 2023 en 1 augustus 2023, dus toen was de rechtsvordering al verjaard. Voor zover eisers menen dat de verjaring door andere handelingen - gedurende de verjaringstermijn - is gestuit, lag het op hun weg om te concretiseren om welke handelingen het gaat en wanneer die zijn verricht. Nu eisers hun stelling niet hebben geconcretiseerd, hebben zij niet voldoende gesteld om tot bewijs te worden toegelaten. De rechtbank passeert dus het bewijsaanbod.
Civielrechtelijk beslag door de Stichting
5.7.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad handelt degene die beslag legt op eigen risico en dient hij, bijzondere omstandigheden daargelaten, de door het beslag geleden schade te vergoeden, indien het beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd. [2]
5.8.
Niet in geschil is dat de Stichting het conservatoire beslag ten onrechte heeft gelegd, omdat haar vorderingen in de bodemprocedure zijn afgewezen. In geschil is of sprake is van bijzondere omstandigheden die aan een schadevergoedingsplicht in de weg staan. De Stichting voert aan dat die bijzondere omstandigheden zijn gelegen in het feit dat in het bedrijfspand van [bedrijfsnaam 1] een gestolen Volkswagen Caddy en onderdelen van een gestolen Opel Vivaro zijn aangetroffen. Verder wijst de Stichting op politie-informatie over [bedrijfsnaam 1] .
5.9.
De rechtbank constateert dat zelden wordt aangenomen dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Ook de Stichting heeft hiervoor naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gesteld. Het feit dat de Stichting destijds op goede gronden meende beslag te mogen leggen, is daarvoor niet voldoende. De feiten en omstandigheden die de Stichting noemt waren op dat moment nog niet in een gerechtelijke procedure gewogen. Het leggen van beslag was dan ook op haar risico.
5.10.
Naar het oordeel van de rechtbank moet de Stichting dus de door het conservatoire beslag geleden schade vergoeden. Het was vervolgens aan eisers om te stellen en zo nodig te bewijzen dat zij schade hebben geleden als gevolg van dat beslag.
5.11.
Eisers hebben in de dagvaarding niet gespecificeerd welk deel van de gestelde schade is veroorzaakt door het conservatoir beslag dat op 8 februari 2016 is gelegd en op 4 april 2016 is opgeheven (voor zover er geen strafvorderlijk beslag op de betreffende handelswaar, bedrijfsinboedel en -inventaris rustte). Tijdens de zitting hebben eisers desgevraagd te kennen gegeven dat sommige goederen waren beschadigd en een aantal goederen zijn zoekgeraakt. Daarover zou een brief bestaan van een deurwaarder, maar die hebben eisers niet overgelegd. Verder hebben eisers te kennen gegeven dat zij eigenlijk niets hadden aan de teruggegeven inventaris, omdat hun handel afhankelijk is van de handelswaar en zij daarover niet beschikten.
5.12.
De rechtbank is van oordeel dat eisers hiermee niet aan hun stelplicht hebben voldaan. Aan het verzoek ter zitting om de kans te krijgen uit te zoeken wat de beschadigde inventaris waard zou kunnen zijn gaat de rechtbank daarom voorbij.
Aanzetten tot beslag door VbV derden
5.13.
De samenstellingsrapportages van VbV Derden dateren van 16 september 2016 en 7 december 2018. Reeds daarom kan geen sprake zijn van aanzetten tot het leggen van beslagen door VbV Derden. Die zijn immers, zoals de Stichting aanvoert, daarvóór (eind 2015 en begin 2016) gelegd.
Vervreemding en vernietiging
5.14.
In geschil is of eisers rechthebbenden zijn van de auto-onderdelen. Alleen als zij rechthebbenden zijn zou immers sprake kunnen zijn van een onrechtmatige daad jegens hen. De rechtbank laat – gelet op wat hierna wordt overwogen – in het midden of de vervreemding en vernietiging inderdaad onrechtmatig waren.
Stelplicht / bewijslast
5.15.
Niet in geschil is dat eisers de auto-onderdelen vóór de inbeslagname hielden. Op grond van artikel 3:109 BW Pro wordt wie een goed houdt vermoed dit voor zichzelf te houden. Op grond van artikel 3:119 lid 1 BW Pro wordt de bezitter van een goed vermoed rechthebbende te zijn.
5.16.
Het uitgangspunt is dat het aan de Staat en de Stichting is om de wettelijke vermoedens van artikelen 3:109 en 3:119 BW te weerleggen, zoals eisers betogen. De Staat en de Stichting hebben in dat verband aangevoerd dat eisers niet te goeder trouw waren. De rechtbank volgt hen in dat betoog. In het arrest van het gerechtshof in de strafzaak van [eiser senior] is overwogen dat in de loods van [bedrijfsnaam 1] veel onderdelen
aanwezig waren die afkomstig bleken van gestolen auto's. Ook stelde het hof vast dat er
geen aanwijzingen zijn voor de legale verkrijging van de inbeslaggenomen auto-
onderdelen door [eiser senior] of [bedrijfsnaam 1] . Bij [bedrijfsnaam 1] zijn geen gespecificeerde inkoopbonnen of een opkoopregister aangetroffen. Bij die stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat het vermoeden van artikel 3:119 BW Pro zodanig is weerlegd dat het weer aan eisers is om hun recht op de auto-onderdelen te stellen en zo nodig te bewijzen.
Het oordeel van het gerechtshof
5.17.
Uit het arrest van het hof blijkt dat een groot aantal onderdelen van gestolen auto’s bij [bedrijfsnaam 1] zijn aangetroffen. Ook heeft het hof ten aanzien van de Volkswagen Caddy geoordeeld dat [eiser senior] door nauwelijks enig onderzoek uit te voeren naar de aanbieder van de auto of de auto zelf, op zijn minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het bij het voorhanden krijgen om een gestolen auto ging. Het hof heeft voorts niet de teruggave bevolen van in beslag genomen handelsvoorraad en goederen aan [eiser senior] , maar bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast. Het arrest geeft dus redenen om te vermoeden dat eisers niet de rechthebbenden waren.
Gegevens aankoop
5.18.
Bovendien stellen eisers dat zij een deugdelijke administratie hebben bijgehouden en dat zij een kopie van de administratie hebben teruggekregen. De gegevens die nodig zijn om te onderbouwen dat eisers rechthebbenden zijn bevinden zich dus in hun domein.
5.19.
Eisers hebben één factuur overgelegd van [bedrijfsnaam 2] B.V. van 18 september 2015. Deze factuur betreft echter slechts een heel klein deel van de auto-onderdelen. Verder zijn de onderdelen op de factuur zeer algemeen omschreven. Zo staat hierop ‘diverse Bekleding sets VW T 5’. Eisers hebben ter zitting gesteld dat zij de namen van hun leveranciers hebben prijsgegeven, maar dat is de rechtbank niet gebleken. In deze procedure hebben zij alleen de naam van [bedrijfsnaam 2] B.V. genoemd.
5.20.
Eisers hebben ter zitting te kennen gegeven dat zij hun aankopen met schriftelijke bescheiden kunnen aantonen. Het had dan op hun weg gelegen om dat bij de dagvaarding of in ieder geval tien dagen vóór de zitting te doen. Dit geldt temeer nu de voorzieningenrechter van deze rechtbank in haar vonnis van 24 augustus 2023 al had overwogen dat er naar voorlopig oordeel gerede twijfel over kon bestaan over de vraag of [bedrijfsnaam 1] (volledig) rechthebbende was op alle beslagen goederen. Aan het ter zitting gedane bewijsaanbod gaat de rechtbank daarom voorbij.
5.21.
Anders dan eisers hebben betoogd, was [bedrijfsnaam 1] op grond van artikel 437 van Pro het Wetboek van Strafrecht wel degelijk verplicht een opkoopregister bij te houden. [3] Met een opkoopregister zouden eisers hun stelling dat zij de auto-onderdelen te goeder trouw hebben verkregen kunnen onderbouwen. Dat zij dit nu niet kunnen met behulp van een opkoopregister, komt voor hun risico en rekening.
Boekhouder
5.22.
Eisers stelling dat zij jarenlang dezelfde boekhouder hebben die de belastingaangiften verzorgt vormt ook geen onderbouwing dat zij auto-onderdelen te goeder trouw hebben verkregen. Daargelaten of dit uit belastingaangiften zou kunnen worden afgeleid, hebben zij geen belastingaangiften overgelegd.
Uitbetaling door Staat
5.23.
Verder hebben eisers erop gewezen dat de Staat de waarde van de verkochte voorwerpen aan [eiser senior] heeft uitbetaald. Naar het oordeel van de rechtbank is dit echter onvoldoende om ervan uit te gaan dat eisers (in de ogen van de Staat) de eigenaar waren van deze voorwerpen. De Staat heeft immers onweersproken gesteld dat hij de voorwerpen slechts heeft uitbetaald aan [eiser senior] omdat zich na het arrest van het hof geen andere rechthebbende heeft gemeld. Een zodanige beslissing laat ieders rechten ten aanzien van de voorwerpen onverlet (artikel 116, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering).
Verwijderde kenmerknummers / geheime ruimte
5.24.
De Stichting heeft erop gewezen dat eisers auto-onderdelen hebben gekocht waarbij deels verwijderde stickers in autoportieren zichtbaar waren. Volgens eisers ging het slechts om twee portieren van de ruim 400 portieren en hebben zij geen kenmerknummers weggekrast of weggeslepen. Ook stellen eisers dat, anders dan de Stichting aanvoert, er geen geheime ruimte was in hun bedrijfspand. Zelfs als eisers hierin zouden kunnen worden gevolgd, blijkt daaruit echter niet dat zij rechthebbenden van die auto-onderdelen waren.
Tussenconclusie
5.25.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers onvoldoende onderbouwd dat zij rechthebbende waren van de in beslag genomen auto-onderdelen. Uit de ene factuur die ze hebben overlegd kan dit niet worden afgeleid, en verdere onderbouwing ontbreekt. Dat leidt tot de conclusie dat de vernietiging en vervreemding van de in beslag genomen auto-onderdelen – aangenomen dat die onterecht zouden zijn – niet als een onrechtmatige daad jegens eisers kan worden aangemerkt.
Conclusie
5.26.
Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank de vorderingen afwijzen. Aan de overige stellingen en verweren komt de rechtbank niet toe.
Proceskosten
5.27.
Eisers zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen van de Staat en de Stichting. Anders dan de Stichting, ziet de rechtbank geen aanleiding om eisers wegens ernstige schending van de waarheidsplicht te veroordelen om de integrale proceskosten van de Stichting te betalen. Eisers hebben de feiten in deze zaak weliswaar behoorlijk met hun eigen visie ingekleurd, maar een veroordeling in de volledige proceskosten van de Stichting gaat de rechtbank te ver. Bovendien valt de gebruikelijke kostenveroordeling al relatief hoog uit. De rechtbank begroot de proceskosten van zowel de Staat als de Stichting op:
  • griffierecht € 6.861
  • salaris advocaat € 9.262 (2 punten x tarief VIII à € 4.631)
  • nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 16.312
5.28.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.Beslissing

De rechtbank:
6.1.
wijst de vorderingen af;
6.2.
veroordeelt eisers in de proceskosten van de Staat, tot op heden begroot op € 16.312, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
6.3.
veroordeelt eisers in de proceskosten van de Stichting, tot op heden begroot op € 16.312, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
6.4.
veroordeelt eisers tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe zijn betaald;
6.5.
verklaart de onderdelen 6.2 tot en met 6.4 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Sturm en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
type: 3053

Voetnoten

1.Hoge Raad 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956
2.HR 15 april 1965, ECLI:NL:HR:1965:AC4076, NJ 1965/331, en HR 21 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0512, NJ 1992/321.
3.Zie Gerechtshof Den Haag 30 maart 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1043, r.o. 10.