Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 30 maart 2021
STICHTING VERZEKERINGSBUREAU VOERTUIGCRIMINALITEIT
[geïntimeerde], h.o.d.n. [handelsnaam],
Het verloop van de procedure in hoger beroep
Feiten
De procedure bij de rechtbank
“Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid van het Wetboek van Strafrechtheeft geschonden. Volgens de bewoordingen van de definitie van artikel 1 van Pro het uitvoeringsbesluit geldt de in deze regelgeving genoemde administratieplicht (inhoudend dat de handelaar zich vergewist van de identiteit van de verkoper van wie hij de goederen inkoopt en diens identiteit vastlegt in een geautomatiseerd systeem (Digitaal Opkopers Register/ (DOR)) voor handelaren in auto’s maar niet voor handelaren in auto-onderdelen. (r.o. 2.2 tot en met 2.5, en tussenvonnis 20 september 2017 r.o. 2.6).
de strekkingvan deze bepaling heeft geschonden, en dat schending van de strekking daarvan gelijk gesteld moet worden met een daadwerkelijke overtreding van de strafrechtelijke bepaling. Een strafrechtelijke bepaling leent zich naar haar aard niet voor een uitleg die deze bepaling, in feitelijke zin, een ruimere werking geeft dan er in valt te lezen. Wel kan het bestaan en de strekking van een strafrechtelijke bepaling als de onderhavige, waarvan de ratio is gelegen in het voorkomen en bestrijden van (vermogens)criminaliteit rond auto’s, meewegen bij de vraag of sprake is van onrechtmatig handelen of nalaten. (r.o. 2.6).
De vorderingen in hoger beroep
Beoordeling in hoger beroep
“de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen handelaar die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf: a) niet met inachtneming van de bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels aantekening houdt van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij heeft verworven dan wel voorhanden heeft, b) een gebruikt of ongeregeld goed verwerft van iemand, zonder dat diegene zijn identiteitsgegevens heeft opgegeven of zonder dat hij die gegevens in zijn administratie heeft aangetekend.”Artikel 1 van Pro het Uitvoeringsbesluit (Algemene maatregel van Bestuur van 6 januari 1992, Stb. 1992, 36 (zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 6 oktober 2012 (Stb. 2012, 480)) luidt:
“De handelaren, bedoeld in art. 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zijn opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, (…) auto’s.”De auto-onderdelen waarin [geïntimeerde] handelt moeten worden aangemerkt als gebruikte en ongeregelde goederen, als bedoeld in deze bepaling. Het hof verwijst naar het arrest van dit hof van 13 augustus 2019 (ECLI:NL:GHDHA:2019:2670) en de daar genoemde uitspraak van de Raad van State van 14 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:839).
“Onder opkoper wordt verstaan hij die van opkopen een beroep of gewoonte maakt.”Het hof volgt VbV in haar (onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:1989:AC3484) aangevoerde stelling dat het er hier (net als bij de in het Uitvoeringsbesluit genoemde handelaar) om gaat of de betrokkene van het opkopen of handelen een beroep of gewoonte maakt met het kennelijke doel om aan deze activiteiten geld te verdienen (en er dus geen sprake is van hobby-achtige activiteiten). Aan deze maatstaf is hier voldaan. Uit de gedingstukken blijkt genoegzaam dat [geïntimeerde] zich (onder meer) bezig hield met het kopen van auto-onderdelen met het doel daaraan te verdienen. VbV heeft in dit verband terecht gewezen op het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 22 januari 2015 waar [geïntimeerde] heeft verklaard dat hij de onderneming in 2014 heeft overgenomen en dat hij duizenden onderdelen in zijn bedrijf heeft. Blijkens een gespreksverslag van 26 maart 2016 van de Gemeente Schiedam heeft [geïntimeerde] verklaard dat hij in totaal voor ongeveer € 250.000,-- heeft geïnvesteerd in voorraad en dat de omzet per maand gemiddeld € 30.000,-- - € 40.000,-- is. Tot slot heeft VbV er nog op gewezen dat uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat het bedrijf van [geïntimeerde] zich onder meer bezig hield met de groothandel in auto-onderdelen.
‘Een goede boekhouding is (…) een wettelijk vereiste. (zie ook artikel 437 Wetboek Pro van Strafrecht). (…) Tegen deze achtergrond mag van een verdachte in dea
utobranche worden verwacht dat hij – geconfronteerd met de criminele herkomst van voorwerpen in zijn bedrijf – een verklaring aflegt omtrent de herkomst van de betreffende voorwerpen en die verklaring zoveel mogelijk met zijn boekhouding onderbouwt”