ECLI:NL:RBDHA:2026:16173

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
NL26.6850 en NL26.6851
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • J.G. Vegter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30b Vw 2000Vluchtelingenverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige identiteit en misleiding met vals document

Eiser diende op 17 december 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees deze aanvraag op 2 februari 2026 af als kennelijk ongegrond, omdat eiser geen geloofwaardige identiteit, nationaliteit en herkomst kon aantonen en Nederland met een vals identiteitsbewijs was binnengekomen.

Eiser voerde aan dat hij geen identificerende documenten kon verkrijgen vanwege zijn status als buitenechtelijk kind en dat hij discriminatie had ondervonden. De rechtbank oordeelde echter dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt wie hij was, mede omdat hij in verschillende landen verschillende persoonsgegevens had opgegeven en een vals document gebruikte. De minister hoefde het asielmotief discriminatie niet inhoudelijk te beoordelen omdat de identiteit niet geloofwaardig was.

De rechtbank stelde vast dat de afwijzing als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 terecht was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.6850 (beroep) en NL26.6851 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser],
geboren op [geboortedag] 1995, van onbekende nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. G. Wezelman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De afwijzing van de asielaanvraag kan dus in stand blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 17 december 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
2.1.
De minister heeft met het bestreden besluit van 2 februari 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Asielrelaas
3. Eiser heeft verklaard dat hij Algerije heeft verlaten omdat hij wil werken en zijn moeder wil onderhouden. Verder stelt hij dat hij voortdurend werd gediscrimineerd omdat hij niet uit een huwelijk is geboren.
Bestreden besluit
4. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst;
- De discriminatie vanwege de omstandigheid dat eiser een buitenechtelijk kind is.
4.1.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig. Eiser heeft namelijk geen identificerende documenten overgelegd en heeft daarvoor geen goede verklaring. Ook vormen zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel en kan eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig worden beschouwd. Eiser heeft namelijk in Spanje en Nederland verschillende namen, geboortedata en nationaliteiten opgegeven en is Nederland ingereisd met een vals identiteitsbewijs.
4.2.
De minister beoordeelt de discriminatie die eiser stelt te hebben ondervonden, niet op geloofwaardigheid. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling1 hebben de asielmotieven namelijk slechts betekenis tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling.2
4.3.
De minister concludeert dat eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag3 en dat eiser bij terugkeer naar Algerije of Marokko geen reëel risico loopt op ernstige schade.
4.4.
De minister wijst de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat eiser de minister heeft misleid doordat hij heeft geprobeerd om Nederland met een vals document in te reizen.
4.5.
De minister vaardigt tegen eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn uit, met Algerije en Marokko als landen van terugkeer, en een inreisverbod voor de duur van twee jaar.
Identiteit, nationaliteit en herkomst
5. Eiser voert ten eerste aan dat de minister ten onrechte heeft tegengeworpen dat eiser geen identificerende documenten heeft overgelegd. De minister heeft ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat eiser geen identificerende documenten kan verkrijgen omdat hij een buitenechtelijk kind is.
6. De rechtbank is met de minister van oordeel dat eiser zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft daarbij kunnen betrekken dat eiser geen identificerende documenten heeft overgelegd. De stelling dat eiser geen identificerende documenten kan verkrijgen omdat hij een buitenechtelijk kind is, hoefde de minister niet te volgen. Eiser heeft namelijk zelf verklaard dat hij een geboorteakte heeft die bij zijn moeder ligt. Verder heeft de minister kunnen betrekken dat eiser in verschillende landen verschillende persoonsgegevens heeft opgegeven.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet.
Discriminatie
7. Eiser voert ook aan dat de minister het asielmotief ‘discriminatie vanwege de omstandigheid dat eiser een buitenechtelijk kind is’ ten onrechte niet inhoudelijk heeft beoordeeld. Nu de minister in het aanvullend voornemen heeft meegedeeld dat de aanvraag van eiser niet langer wordt afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), volgt de minister het gestelde in de zienswijze van 27 januari 2026 en erkent de minister dat er wel sprake is van een relevant asielmotief.
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister het asielmotief niet inhoudelijk hoefde te beoordelen, omdat hij de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig heeft geacht. Uit de rechtspraak van de Afdeling waarnaar de minister heeft verwezen, volgt namelijk dat asielmotieven slechts betekenis hebben tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling.
8.1.
De beroepsgrond slaagt niet.
Afwijzing als kennelijk ongegrond (sub a)
9. Eiser voert verder aan dat de minister zijn asielaanvraag in het bestreden besluit ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder a, van de Vw 2000. In het aanvullend voornemen had de minister aangegeven dat deze grond niet langer werd tegengeworpen en dat alleen de afwijzing als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vw 2000, werd gehandhaafd.
10. De rechtbank is met de minister van oordeel dat de verwijzing naar artikel 30b, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 een kennelijke verschrijving in het bestreden besluit betreft. De motivering in het bestreden besluit ziet namelijk alleen op de afwijzing als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vw 2000. De rechtbank ziet in deze verschrijving geen gebrek.
10.1.
De beroepsgrond slaagt niet.
Afwijzing als kennelijk ongegrond (sub c)
11. Eiser voert verder aan dat de minister zijn asielaanvraag in het bestreden besluit ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vw 2000. Eiser heeft de minister niet misleid. Dat eiser tijdens zijn vlucht gebruik heeft gemaakt van documenten met andere personalia, wekt geen bevreemding nu het gebruikelijk is dat vluchtelingen tijdens hun reis gebruikmaken van documenten die niet op hun naam staan.
11. De rechtbank is met de minister van oordeel dat eiser de minister wel heeft misleid. Eiser heeft namelijk bewust met een vals document geprobeerd om Nederland binnen te komen. Eiser heeft dit ook erkend tijdens het aanmeldgehoor.
12.1.
De beroepsgrond slaagt niet.
Terugkeerbesluit en inreisverbod
13. Eiser voert tot slot aan dat gelet op zijn overige gronden, het terugkeerbesluit en inreisverbod niet uitgevaardigd hadden kunnen worden.
14. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, volgt de rechtbank eiser niet.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
16. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.6850:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.6851:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 juni 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
1. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2 Bijvoorbeeld de uitspraken van 24 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4061 en 6 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:292.
3 Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.