ECLI:NL:RBDHA:2026:16171

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
NL25.32827
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.G. Vegter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 AntifolterverdragArt. 64 VwArt. 31 lid 6 sub b Vw 2000Art. 31 lid 6 sub c Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van Congolese burger wegens onvoldoende geloofwaardigheid en risico op ernstige schade

Eiser, een burger van de Democratische Republiek Congo, diende op 3 mei 2023 een asielaanvraag in Nederland in. Hij verklaarde te zijn gevlucht vanwege problemen met de autoriteiten in verband met zijn werkzaamheden in de coltanmijnen in Noord-Kivu. De minister wees de aanvraag op 15 juli 2025 af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van het asielrelaas en het ontbreken van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Kinshasa.

De rechtbank behandelde het beroep op 2 juni 2026 en oordeelde dat de minister voldoende rekening had gehouden met de psychische situatie van eiser, waaronder PTSS-klachten. De verklaringen van eiser over zijn verblijf en werkzaamheden in de mijnen werden als vaag en ongerijmd beoordeeld, mede gelet op landeninformatie over de situatie in Noord-Kivu.

Verder concludeerde de rechtbank dat het risico op ernstige schade bij terugkeer naar Kinshasa onvoldoende aannemelijk was, ook gelet op de medische situatie van eiser. De aanvraag voor uitstel van vertrek op medische gronden werd eveneens afgewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard, waarmee de afwijzing van de asielaanvraag in stand bleef.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.32827
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

geboren [geboortedag] 1991, burger van de Democratische Republiek Congo, eiser
(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar)
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. G. Wezelman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De afwijzing van de asielaanvraag kan dus in stand blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 3 mei 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
2.1.
De minister heeft met het bestreden besluit van 15 juli 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Kimukedi als tolk in de taal Lingala en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
3. Eiser heeft in december 2021 zijn land van herkomst verlaten en is via Tanzania en Turkije naar Oekraïne gereisd. Vervolgens heeft eiser in Oekraïne een visum gekregen en is hij daar tot 2023 gebleven. Eiser is vervolgens opgepakt door de Russen om te vechten in Oekraïne. Eiser is ontsnapt en via Polen en Wit-Rusland op 25 april 2023 Nederland ingereisd. Op 3 mei 2023 heeft eiser tot slot asiel in Nederland aangevraagd.
Asielrelaas
4. Eiser heeft verklaard dat hij Burger van de Democratische Republiek Congo (DRC) is en tot de [naam] stam behoort. Verder heeft hij verklaard dat hij van Kinshasa naar Kitshanga, Noord-Kivu is afgereisd om te werken in de coltanmijnen. Na dertien maanden is het leger van de DRC naar de mijnen gekomen en is hij gevangengenomen, omdat zij hem aanmerkten als een rebel. Hij is na enkele dagen ontsnapt en vervolgens via het Tanganyikameer naar Tanzania gevlucht. Eiser vreest bij terugkeer voor de autoriteiten omdat zij een foto van hem en zijn persoonsgegevens door het land hebben verspreid.
Besluitvorming
5. De minister onderscheidt de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen met de autoriteiten wegens werkzaamheden in de coltanmijn.
5.1.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De problemen met de autoriteiten wegens werkzaamheden in de coltanmijn acht de minister niet geloofwaardig. De verklaringen van eiser vormen volgens de minister namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister vindt de verklaringen van eiser rondom zijn werkzaamheden in de mijn vaag, summier en ongerijmd. De verklaringen omtrent de vlucht(route) vindt de minister vaag, summier en inconsistent. Dat de autoriteiten de persoonsgegevens en foto’s van eiser landelijk hebben verspreid, vindt de minister ongerijmd en onvoldoende concreet.
5.2.
Verder vindt de minister het feit dat eiser uit de Democratische Republiek Congo komt op zichzelf niet genoeg om vluchteling te zijn of om een risico op ernstige schade aan te nemen. De minister neemt voor de Democratische Republiek Congo namelijk enkel aan dat sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld in de provincies Noord-Kivu, Zuid-Kivu en Ituri. Eiser is afkomstig uit Kinshasa en kan daar naartoe terugkeren. De minister wijst de aanvraag af als ongegrond.
5.3.
Tot slot legt de minister aan eiser een terugkeerbesluit op waarin staat dat hij binnen vier weken moeten terugkeren naar de Democratische Republiek Congo.
Geloofwaardigheidsbeoordeling (referentiekader)
6. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hij voert ten eerste aan dat de minister in de geloofwaardigheidsbeoordeling onvoldoende kenbaar rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Eiser is in de DRC gemarteld en heeft psychische klachten, waardoor hij beperkt is in het verklaren. Eiser vertoont karakteristieke lichamelijke en geestelijke symptomen van PTSS [1] . Tot nu toe heeft eiser geen passende ondersteuning gekregen, ondanks dat de minister zich gedurende de gehele procedure dient in te spannen en te vergewissen of er bijzondere procedurele waarborgen benodigd zijn. [2] Uit rechtspraak van de Afdeling [3] volgt dat in alle individuele asielzaken een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling verricht moet worden waarbij rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden, achtergrond en leeftijd van de vreemdeling. [4] In het bestreden besluit heeft de ministere enkel verwezen naar passages uit het rapport van de gehoren. Hiermee heeft de minister niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze er in de besluitvorming rekening is gehouden met het referentiekader.
6.1.
Eén dag voor de zitting heeft eiser medische stukken van de huisarts overgelegd. Hieruit blijkt dat eiser onder andere last heeft van stress en slapeloosheid en dat hij medicatie krijgt.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister in de geloofwaardigheidsbeoordeling voldoende kenbaar rekening heeft gehouden met de psychische situatie van eiser. De rechtbank licht dat hierna toe.
7.1.
De rechtbank constateert dat de minister het medisch advies van 25 maart 2025 in het bestreden besluit heeft betrokken. Uit dit advies blijkt dat eiser gehoord kon worden maar dat wel rekening moest worden gehouden met beperkingen. Zo vermeldt het advies dat er sprake is van psychische klachten en dat eiser enkele gesprekken bij de psycholoog heeft gehad. Wanneer eiser praat over zijn asielrelaas kan hij te maken krijgen met toenemende spanning, concentratieproblemen en een emotionele blokkade, aldus het advies. Vervolgens heeft de minister in het bestreden besluit toegelicht hoe tijdens het gehoor rekening is gehouden met deze beperkingen. De minister heeft daarbij gesteld dat eiser tijdens het gehoor niet heeft aangegeven dat het gehoor niet verder kon gaan, dat hij een pauze nodig had, of dat hij vanwege mentale problemen moeite had om vragen te begrijpen en/of te beantwoorden. Eiser heeft tijdens het gehoor bevestigd dat het verklaren goedging. Vervolgens heeft de minister opgemerkt dat eiser slechts zes correcties en aanvullingen op zijn verklaringen tijdens het nader gehoor heeft ingediend. Bovendien heeft de minister tegengeworpen dat eiser geen objectieve informatie heeft ingebracht waaruit blijkt dat hij niet in staat is om consistent en geloofwaardig te vertellen over de persoonlijke activiteiten, problemen en ervaringen in die periode die aanleiding zouden zijn geweest voor zijn vertrek uit de DRC.
7.2.
De rechtbank ziet niet in hoe de minister nog meer rekening had moeten houden met het referentiekader van eiser. Eiser en zijn gemachtigde hebben dit niet toegelicht, terwijl zij hier op zitting meermaals toe in de gelegenheid zijn gesteld.
7.3.
De verklaring van eiser op zitting dat hij in de DRC en Oekraïne seksueel geweld heeft meegemaakt, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De minister heeft in het bestreden besluit namelijk deugdelijk gemotiveerd waarom niet geloofwaardig is dat eiser in de coltanmijn heeft gewerkt en daardoor problemen, waaronder marteling, heeft ondervonden. Zo heeft de minister tegengeworpen dat de verklaring van eiser dat de mijn waar hij werkte onbewaakt was, niet strookt met landeninformatie. Uit de landeninformatie volgt namelijk dat er in de periode waarin eiser stelt in de mijn te hebben gewerkt, territoriale conflicten werden uitgevochten in het gebied vanwege de mineraalrijke gebieden en controle over mijnbouwlocaties. Voorts blijkt uit openbare bronnen tevens dat de mijngebieden streng werden gecontroleerd door de groeperingen die controle uitoefenden over de gebieden. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat het zeer onwaarschijnlijk is dat eiser nooit met deze mensen te maken had en vrijwel niets over hen kan vertellen, als eiser daadwerkelijk dertien maanden in Kitshanga heeft verbleven, in de mijnen heeft gewerkt en dagelijks door het gebied heeft gereisd van en naar zijn werk.
7.4.
De beroepsgrond slaagt niet.
Documenten
8. Eiser voert verder aan dat hij in bewijsnood verkeert en dat het voor hem onmogelijk is om zijn asielrelaas met documenten te onderbouwen.
9. De minister heeft op zitting toegelicht dat in het kader van de geloofwaardigheidsbeoordeling niet aan eiser is tegengeworpen dat hij geen documenten heeft overgelegd. [5] De rechtbank concludeert dan ook dat de vraag of eiser in bewijsnood verkeert geen bespreking behoeft.
Vluchtelingschap en artikel 3 EVRM Pro
10. Eiser voert aan dat er een reëel en voorzienbaar risico is dat hij bij een terugkeer naar de DRC wordt onderworpen aan een door artikel 3 van Pro het EVRM [6] dan wel artikel 4 van Pro het Antifolterverdrag [7] verboden behandeling. Gelet op vorenstaande stelt eiser dat er sprake is van vluchtelingschap dan wel van een situatie waarin bescherming op grond van artikel 3 EVRM Pro aan de orde is.
10.1.
Op zitting heeft eiser toegelicht dat er in Kinshasa geen werk is en dat hij daar geen familie en slaapplek heeft. Hij zal op straat moeten leven. Ook heeft hij gewezen op zijn medische situatie.
11. De rechtbank is met de minister van oordeel dat het voor eiser weliswaar lastiger is om zich staande te houden in de DRC dan in Nederland, maar dat dit onvoldoende is om te concluderen dat eiser bij terugkeer naar de DRC een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM. Eiser moet terugkeren naar Kinshasa en daar is, anders dan in Noord-Kivu, geen sprake van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Ook wat eiser aanvoert over zijn medische situatie is onvoldoende. Uit de medische stukken die eiser heeft overgelegd blijkt dat sprake is van stress en slapeloosheid en dat hij medicatie gebruikt, maar niet dat zijn gezondheid zodanig is dat hij bij terugkeer naar de DRC in een situatie terechtkomt die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM.
11.1.
De beroepsgrond slaagt niet.
Uitstel van vertrek
12. Eiser voert aan dat de medische stukken die hij in beroep heeft overgelegd, aanleiding moeten vormen voor de minister om hem uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000 te verlenen.
13. De rechtbank volgt eiser niet. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit ambtshalve heeft beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor uitstel van vertrek en heeft geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar de DRC in een medische noodsituatie terechtkomt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat de medische stukken die eiser één dag voor de zitting heeft overgelegd, geen aanleiding vormen voor een andere conclusie. Het staat eiser vrij om een aanvraag voor uitstel van vertrek in te dienen.
13.1.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Posttraumatische stressstoornis.
2.Eiser verwijst naar considerans 29 en artikel 24 van Pro de Procedurerichtlijn (2013/32/EU), die zijn omgezet in artikel 3.108b van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000).
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.ECLI:NL:RVS:2016:2073 en ECLI:NL:RVS:2023:1622. Eiser verwijst ook naar Werkinstructie 2019/17.
5.De minister heeft toegelicht dat enkel is tegengeworpen dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000). Eiser voldoet wel aan artikel 31, zesde lid, onder b van de Vw 2000.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
7.Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing.