ECLI:NL:RBDHA:2026:15771

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
AWB 24 / 19010 en AWB 25 / 1340 en AWB 24 / 13270 en AWB 24 / 13272
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:3 AwbArt. 8:81 AwbArt. 6 lid 2 TerugkeerrichtlijnVreemdelingencirculaire 2000Richtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning grensoverschrijdende dienstverlening en verblijf bij partner

Eiser heeft een verblijfsvergunning aangevraagd voor grensoverschrijdende dienstverlening, terwijl eiseres een verblijfsvergunning voor verblijf bij haar partner (eiser) heeft aangevraagd. Verweerder heeft beide aanvragen afgewezen omdat eiser niet kon aantonen dat hij rechtmatig in Portugal verbleef en werkte, een vereiste voor de verblijfsvergunning. Eisers maakten bezwaar en vroegen voorlopige voorzieningen, maar deze werden afgewezen.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd van een geldige verblijfs- of werkvergunning in Portugal. De procedure bij de Portugese immigratieautoriteit is onvoldoende om rechtmatig verblijf aan te tonen. Omdat het verblijfsrecht van eiseres afhankelijk is van dat van eiser, is ook haar aanvraag terecht afgewezen. De rechtbank stelt dat verweerder terecht heeft afgezien van een hoorzitting omdat de bezwaren kennelijk ongegrond waren.

Verder oordeelt de rechtbank dat de opgelegde terugkeerbesluiten naar Colombia terecht zijn, omdat eisers geen geldige verblijfsvergunning of gedoogstatus in Portugal konden aantonen. De stelling dat eisers niet in Nederland verbleven is onvoldoende onderbouwd en verandert niets aan de uitkomst. De beroepen worden ongegrond verklaard en de verzoeken om voorlopige voorzieningen worden afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de beroepen af en bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunningen en de opgelegde terugkeerbesluiten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 24/19010 en 25/1340 (beroep)
AWB 24/13270 en 24/13272 (voorlopige voorziening)
V-nummers: [v-nummer 1] en [v-nummer 2]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 5 juni 2026 in de zaken tussen

[eiser], eiser/verzoeker, hierna: eiser

geboren op [geboortedag 1] 1988,
en

[eiseres], eiseres/verzoekster, hierna: eiseres

geboren op [geboortedag 2] 1994,
beiden van Colombiaanse nationaliteit,
hierna gezamenlijk: eisers
(gemachtigde: mr. M. Dorgelo),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.T.M. Hoppema).

Inleiding

1. Eiser heeft een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aangevraagd voor het doel grensoverschrijdende dienstverlening. Eiseres heeft een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aangevraagd met als doel verblijf bij eiser.
1.1.
Met de primaire besluiten van 24 juli 2024 heeft verweerder de aanvragen afgewezen en aan eisers een terugkeerbesluit opgelegd. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen deze besluiten en de voorzieningenrechter verzocht voorlopige voorzieningen te treffen.
1.2.
Met de bestreden besluiten van 23 oktober 2024 is verweerder bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
1.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. De eerder ingediende verzoeken om een voorlopige voorziening hangende bezwaar zijn op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb [1] gelijkgesteld met verzoeken om een voorlopige voorziening hangende beroep.
1.4.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft de beroepen en de verzoeken op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van eisers. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.

Totstandkoming van de bestreden besluiten

2. Eiser heeft op 1 februari 2024 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aangevraagd voor het doel grensoverschrijdende dienstverlening. Eiser heeft aan deze aanvraag ten grondslag gelegd dat hij rechtmatig verblijf heeft in Portugal, in Portugal in dienst is bij een werkgever en in Nederland werkzaamheden wil verrichten voor [referent] (referent). Eiseres heeft een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aangevraagd. Zij beoogt verblijf bij eiser (haar partner).
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat hij niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel ‘grensoverschrijdende dienstverlening’ waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Eiser komt ook niet in aanmerking voor een vrijstelling van het mvv-vereiste omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde dat hij in het EU-/EER-land van de vestiging mag verblijven en daar arbeid mag verrichten. Eiser heeft bij de aanvraag geen kopie van de werk- en verblijfsvergunning overgelegd, waaruit blijkt dat hij in Portugal mag verblijven en arbeid mag verrichten.
4. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat dit een verblijfsvergunning betreft waarbij het verblijfsrecht afhankelijk is van het verblijfsrecht van eiser. Nu aan hem geen verblijfsvergunning is verleend, komt eiseres dus ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Ook beschikt eiseres niet over een geldige mvv en komt zij niet voor vrijstelling van dit vereiste in aanmerking. De uitzetting van eiseres is ook niet in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM [2] , omdat zij niet gescheiden zal worden van haar partner: hij krijgt immers ook geen verblijfsvergunning.
5. Aan eisers is in de primaire besluiten een terugkeerbesluit opgelegd. Eisers moeten de lidstaten van de EU [3] verlaten en terugkeren naar Colombia.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvragen van eisers heeft mogen afwijzen. De rechtbank beoordeelt ook de opgelegde terugkeerbesluiten. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
De aanvraag van eiser – grensoverschrijdende dienstverlening
7. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat hij niet zou beschikken over het recht om te werken in Portugal. Dat het hem is toegestaan om in Portugal te werken en dat hij van dit recht gebruik maakt, blijkt uit de overgelegde stukken. Immers, hij betaalt belasting en sociale premies in Portugal zoals blijkt uit de bij de aanvraag overgelegde documenten. Eiser heeft bij de aanvraag ook de documenten uit de Portugese immigratieprocedure overlegd die loopt bij AIMA. [4] Hij heeft aan AIMA verzocht om zijn verblijf in Portugal te bevestigen op grond van het werk dat hij in Portugal verricht. Het werk dat hij daar verricht is dus de grond waarop zijn verblijfsrecht in Portugal is gebaseerd. Rechtmatig verblijf in Portugal begint namelijk met rechtmatig werk in Portugal. Dit werk is geregistreerd in de aanvraagprocedure bij AIMA. Hiermee staat volgens eiser vast dat hij rechtmatig in Portugal mag werken.
8. De rechtbank overweegt als volgt. In paragraaf B5/3.2 van de Vc [5] is opgenomen dat wordt beschouwd als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling gerechtigd is in het land van vestiging van de dienstverlener te verblijven en gerechtigd is daar in dienst van de dienstverlener arbeid te verrichten:
- een verblijfsvergunning van het land van vestiging, en;
- een werkvergunning van het land van vestiging.
9. De rechtbank constateert dat eiser, ondanks dat hem daartoe de mogelijkheid is geboden, geen verblijfs- of werkvergunning van Portugal heeft overgelegd. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt ook niet op andere wijze dat hij gerechtigd is om in Portugal te werken en te verblijven. Dat eiser in Portugal mogelijk in een procedure zit voor een verblijfsvergunning, is onvoldoende om een verblijfsrecht uit af te leiden. Eiser voldoet dus niet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning voor grensoverschrijdende dienstverlening, waardoor verweerder de aanvraag heeft mogen afwijzen.
De aanvraag van eiseres – verblijf bij partner
10. Omdat het aangevraagde verblijfsrecht van eiseres afhankelijk is van het verblijfsrecht van eiser, en verweerder zijn aanvraag heeft mogen afwijzen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ook de aanvraag van eiseres mogen afwijzen.
Hoorplicht
11. Eisers stellen dat verweerder hen ten onrechte niet heeft gehoord terwijl de hoorzitting bij uitstek een gelegenheid is om de bijzondere omstandigheden van dit geval nader te onderzoeken. Ook had verweerder hierbij nader onderzoek kunnen doen naar de belangen voor eisers, de Nederlandse arbeidsmarkt en het (ver)bouwen van huizen.
11.1.
De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling. Het uitgangspunt is dat verweerder een vreemdeling hoort in bezwaar en dat verweerder terughoudend moet omgaan met uitzonderingen op zijn hoorplicht. Verweerder mag op grond van artikel 7:3, onder b, van de Awb slechts van het horen afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat is het geval als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. [6] De beslissing om die bepaling toe te passen, dient te worden genomen op grond van wat in het bezwaarschrift is aangevoerd, bezien in samenhang met de overwegingen in het primaire besluit.
11.2.
Omdat op voorhand duidelijk is dat eiser niet aan de voorwaarden voldoet voor een verblijfsvergunning met het doel ‘grensoverschrijdende dienstverlening’, had een hoorzitting niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Eiser heeft immers geen verblijfsvergunning of werkvergunning overgelegd. Verweerder heeft dan ook mogen afzien van het horen van eisers in bezwaar.
De terugkeerbesluiten
12. Eisers stellen dat de terugkeerbesluiten ten onrechte zijn opgelegd. Verweerder heeft hen opgedragen terug te keren naar Colombia, terwijl verweerder bij zijn ambtsgenoot in Portugal had moeten controleren of eisers daar wellicht een formele gedoogstatus hadden. Daarbij hebben eisers zich ter zitting op het standpunt gesteld dat zij nooit in Nederland zijn geweest.
13. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eisers geen documenten hebben overgelegd waaruit blijkt dat zij in het bezit zijn van een door de Portugese autoriteiten afgegeven geldige verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. [7] Het is aan eisers om dit aan te tonen en daarin zijn zij niet geslaagd. Daarbij kan een gestelde gedoogstatus in dit kader niet worden gezien als wettelijk verblijfsrecht. [8] Verweerder was naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet gehouden om naar aanleiding van de overgelegde stukken nader te onderzoeken en te motiveren of eisers een door Portugal afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf hadden. De stelling dat eisers niet in Nederland verbleven maakt het bovenstaande niet anders, nu deze stelling voor het eerst op de zitting is aangevoerd, niet is onderbouwd en bovendien niet strookt met het verzoek van eisers een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt hun uitzetting uit Nederland te voorkomen totdat op het bezwaar/beroep is beslist.

Conclusie en gevolgen

14. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen.
14.1.
Omdat de rechtbank nu beslist op de beroepen van eisers, bestaat er voor het treffen van de voorlopige voorzieningen geen aanleiding meer. De verzoeken daartoe worden daarom afgewezen.
14.2.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaken geregistreerd onder zaaknummers AWB 24/19010 en
AWB 25/1340:
- verklaart de beroepen ongegrond;
De voorzieningenrechter, in de zaken geregistreerd onder zaaknummers AWB 24/13270 en AWB 24/13272:
- wijst de verzoeken af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Europese Unie.
4.Agência para a Integração, Migrações e Asilo (de Portugese immigratieautoriteit).
5.Vreemdelingencirculaire 2000.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
7.Richtlijn 2008/115/EG.
8.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1075, onder 4.3 en 4.4.