Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15595

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
NL24.33637 en NL24.33638
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3 IVRKArt. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:51a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank oordeelt dat minister ten onrechte geen familieleven aannam en onvoldoende belangen kinderen meewoog in MVV-zaak

Eisers, allen van Egyptische nationaliteit, voerden beroep aan tegen de afwijzing van hun aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank oordeelde dat de minister ten onrechte geen familieleven aannam tussen eiseres, eiser en hun kinderen, tussen eiser, eiseres en hun zwager/broer en schoonzus, en tussen de kinderen en hun oom en tante. Tevens werd geoordeeld dat de minister onvoldoende belang hechtte aan de belangen van de kinderen.

De rechtbank stelde vast dat er sprake is van langdurige samenwoning, financiële en emotionele afhankelijkheid en beperkte banden met Egypte, waardoor familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro aanwezig is. Het rapport van de Rijksuniversiteit Groningen toonde aan dat de kinderen sterk geworteld zijn in Nederland en dat een gedwongen vertrek naar Egypte ernstige risico’s voor hun ontwikkeling inhoudt.

De minister kreeg de opdracht om binnen twaalf weken de gebreken in het bestreden besluit te herstellen door een nieuwe belangenafweging te maken, waarbij alle relevante elementen, waaronder de belangen van de kinderen en hun banden met Nederland en Egypte, betrokken moeten worden. Tot die tijd werd een voorlopige voorziening toegewezen die uitzetting van eiseres en de kinderen verbiedt.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte geen familieleven aannam en onvoldoende rekening hield met de belangen van de kinderen, en geeft de minister de gelegenheid het besluit te herstellen; uitzetting wordt voorlopig verboden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.33637 (beroep) en NL24.33638 (voorlopige voorziening)
V-nummers: [v-nummer 1], [v-nummer 2], [v-nummer 3], [v-nummer 4], [v-nummer 5]
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer en voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiseres 1], eiseres/verzoekster, hierna te noemen: eiseres,

geboren op [geboortedag 1] 1979,

[eiser 1], eiser/verzoeker, hierna te noemen: eiser,

geboren op [geboortedag 2] 1963,

[eiser 2], eiser 2/verzoeker 2, hierna te noemen: [eiser 2],

geboren op [geboortedag 3] 2004,

[eiseres 2], eiseres 2/verzoekster 2, hierna te noemen: [eiseres 2],

geboren op [geboortedag 4] 2004,

[eiseres 3], eiseres 3/verzoekster 3, hierna te noemen: [eiseres 3],

geboren op [geboortedag 5] 2008,
allen van Egyptische nationaliteit,
gezamenlijk te noemen: eisers,
ten aanzien van [eiser 2], [eiseres 2] en [eiseres 3], gezamenlijk te noemen: de kinderen,
(gemachtigde: mr. M.B. Van den Toorn-Volkers),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna te noemen: de minister,

(gemachtigde: mr. S. Imami).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep en de voorlopige voorziening van eisers tegen de ongegrond verklaring van hun bezwaar waarin de minister bij de afwijzing van hun aanvragen voor een mvv [1] is gebleven. Eisers zijn het hier niet mee eens en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het bestreden besluit van
1 augustus 2024.
1.1.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit zorgvuldigheids- en
motiveringsgebreken bevat. De minister heeft namelijk ten onrechte geen familieleven aangenomen in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [2] , waarin het recht op privé- en familieleven is neergelegd. Daarnaast heeft de minister onvoldoende belang gehecht aan de belangen van het kind. De rechtbank stelt de minister in de gelegenheid dit motiveringsgebrek via een bestuurlijke lus te herstellen. [3]
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde
feiten. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind, vanaf 17, staat de tussenbeslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 7 mei 2019 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Eiseres en de kinderen hebben afzonderlijk van eiser op grond van hetzelfde artikel op 24 mei 2019 een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend.
2.1.
Bij besluit van 4 juni 2019 is de aanvraag van eiser afgewezen. Deze afwijzing is met de beslissing op bezwaar van 30 juli 2019 in stand gebleven.
2.2.
In de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 30 augustus 2019 [4] is eisers verzoek om gedurende zijn beroep in Nederland te mogen blijven, afgewezen. Eiser is daarop op 2 september 2019 uitgezet naar Egypte en verblijft daar sindsdien.
2.3.
In de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 26 januari 2021 [5] , is eisers beroep gegrond verklaard. De minister is opgedragen om opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen en eiser te horen.
2.4.
De minister heeft bij besluit van 18 juni 2021 de aanvragen van de kinderen buiten behandeling gesteld, omdat er geen aanvraagformulieren waren ingediend. In een apart besluit van 18 juni 2021 is de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat er geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Er is wel sprake van privéleven in de zin van dat artikel, maar volgens de minister valt de belangenafweging in het nadeel van eiseres uit. Eiseres en de kinderen zijn tegen beide besluiten in bezwaar gegaan.
2.5.
Eiser is op 23 juni 2022 in bezwaar via een videoverbinding op de Nederlandse ambassade in Caïro gehoord. Eiseres en de kinderen zijn op dezelfde dag afzonderlijk van eiser gehoord. Op 1 juli 2022 heeft de minister drie besluiten genomen ten aanzien van eiser, eiseres en de kinderen. In alle drie de besluiten heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard, omdat er volgens de minister geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Eisers hebben hiertegen gezamenlijk beroep ingediend. Op 4 januari 2023 heeft de minister de besluiten ingetrokken.
2.6.
Eiseres en de kinderen zijn op 14 mei 2024 opnieuw gehoord. Eiser was niet (middels een videoverbinding) bij dit gehoor aanwezig. Bij besluit van 1 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister één nieuwe beslissing op het bezwaar genomen ten aanzien van alle gezinsleden. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingediend en de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.
2.7.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de kinderen en de gemachtigde van eisers. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook was mevrouw [naam 1], de schoonzus van eiseres en tante van de kinderen, op de zitting aanwezig.

Feiten en achtergrond

3. Eiser heeft in de periode 1992 tot 2005 en van 2012 tot 2019 zonder verblijfsrecht in Nederland verbleven. Van 2005 tot 2012 heeft eiser in België verbleven. Op
31 september 2003 is eiser religieus gehuwd met eiseres. Eiseres verblijft sinds 2003 zonder geldige verblijfstitel onafgebroken in Nederland. Tijdens dit verblijf zijn [eiser 2] en [eiseres 2], een tweeling, en [eiseres 3] geboren. Gedurende deze periode hebben eisers altijd ingewoond bij de broer van eiser en diens echtgenote, de heer [naam 2] en mevrouw [naam 1]. Ten tijde van de aanvraag waren de kinderen minderjarig. [eiser 2] en [eiseres 2] waren destijds veertien jaar oud. [eiseres 3] was op dat moment tien jaar oud.

Het oordeel van de rechtbank in de uitspraak van 26 januari 2021

4. Deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, heeft het besluit van eiser van 30 juli 2019 [6] vernietigd met de volgende motivering:
5.2.
Verweerder betwist niet langer dat eiser de biologische vader is van zijn drie minderjarige kinderen. Wel betwist verweerder dat [eiseres 1] eisers echtgenote is en dat er sprake is van familie- of gezinsleven met zijn broer en schoonzus. De rechtbank stelt voorop dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser het gestelde traditionele huwelijk met zijn gestelde echtgenote niet heeft aangetoond. Eiser heeft zijn standpunt niet onderbouwd met objectief verifieerbare bewijsstukken en de overgelegde foto’s tonen op zichzelf geen reëel huwelijk tussen eiser en zijn gestelde echtgenote aan. Verweerder heeft echter onvoldoende gewicht toegekend aan het feit dat eiser, zijn gestelde echtgenote en kinderen al jarenlang met zijn broer en schoonzus in dezelfde woning samenwonen. Verweerder heeft dit niet bestreden. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting onbetwist gesteld dat eisers broer en schoonzus de vaste lasten betalen, het huurcontract voor de woning op hun naam staat, dat zij de kosten voor de mobiele telefoons voldoen en dat zij eiser, zijn kinderen en gestelde echtgenote onderhouden. Niet is gebleken dat eiser in zijn eigen onderhoud en in het onderhoud van zijn kinderen kan voorzien. Gelet hierop is het standpunt van verweerder dat niet is gesteld of gebleken dat er een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie is met eisers broer en schoonzus om te spreken van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM, onvoldoende gemotiveerd.
5.3.
Verweerder heeft bij het bestreden besluit een belangenafweging verricht om te bepalen of de weigering van het verblijf van eiser in Nederland in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder heeft daarbij in het nadeel van eiser gewogen dat zijn minderjarige kinderen en gestelde echtgenote geen verblijfsvergunning hebben en dat eiser nooit over een verblijfsvergunning heeft beschikt. Ook heeft verweerder in eisers nadeel meegewogen dat eiser geen legale arbeid in Nederland heeft verricht en niet heeft aangetoond dat hij een opleiding in Nederland heeft gevolgd. Verder heeft verweerder in het nadeel van eiser gewogen dat, hoewel hij langere tijd in Nederland verbleef, eiser zich aan het toezicht van de IND heeft onttrokken. Verweerder heeft de belangen van de minderjarige kinderen echter onvoldoende kenbaar bij het bestreden besluit meegewogen. Verweerder heeft niet bestreden dat eiser met zijn kinderen samenwoonde en dagelijks contact met hen had. Met het rapport van de University of Groningen toont eiser aan dat er daadwerkelijk sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiser en zijn kinderen. Volgens dit rapport drukt de emotionele last van de afwezigheid van eiser zwaar op de kinderen en ervaren zij verdriet en gemis. Ter zitting heeft verweerder zich in reactie op dit rapport enkel op het standpunt gesteld dat verweerder het rapport zal meewegen in de verblijfsaanvraag van de moeder en de kinderen en dat uit het rapport niet blijkt dat er geen gezinsleven in Egypte kan worden uitgeoefend. Hiermee heeft verweerder er onvoldoende blijk van gegeven dat aan de belangen van de kinderen, in de relatie tot eiser, een aanzienlijk gewicht moet toekomen. Ook blijkt uit het bestreden besluit onvoldoende dat verweerder heeft onderzocht hoe sterk de banden van eisers kinderen met Nederland zijn. Ten tijde van het bestreden besluit waren eisers kinderen 14 en 10 jaar, schoolgaand en onderhielden zij sociale contacten in Nederland. Met het rapport van de University of Groningen toont eiser aan dat zijn kinderen sterk geworteld zijn in Nederland. Ook blijkt uit dit rapport dat de kinderen de Arabische taal op enkele woorden na niet spreken en verstaan en deze taal niet kunnen lezen of schrijven. Verweerder heeft dit rapport onvoldoende bestreden. De stelling van verweerder dat hij het standpunt van eiser niet volgt dat zijn kinderen uitsluitend Nederlands spreken, berust aldus niet op een deugdelijke motivering. De uitspraak van de rechtbank van 24 mei 2019 doet hieraan niet af, omdat de informatie die eiser nu heeft overgelegd toen nog niet bekend was. Gelet op het voorgaande heeft verweerder bij het bestreden besluit onvoldoende onderzocht wat de banden van eisers kinderen met Nederland betekenen voor het verblijfsrecht van eiser.

De beoordeling van de rechtbank

Familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM
5. De rechtbank vat de gronden van eisers zo op dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Volgens eisers twijfelt de minister ten onrechte aan de relatie tussen eiseres en eiser. Zij hebben samen drie kinderen en dat is aangetoond middels een DNA-test. Ook hebben eisers altijd samengewoond en zijn zij financieel afhankelijk van de heer [naam 2] en mevrouw [naam 1] in Nederland. Het is evident dat deze oom en tante van de kinderen medeopvoeders van het gezin zijn. Daarmee heeft de minister ook niet voldaan aan de opdracht van de rechtbank in de uitspraak van 26 januari 2021.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Niet ter discussie staat dat eisers in Nederland privéleven hebben op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Wat partijen verdeeld houdt, is of de minister familieleven had moeten vast stellen op grond van artikel 8 van Pro het EVRM tussen:
- eiseres, eiser en de kinderen,
- eiseres, eiser en hun zwager/broer en schoonzus, en
- de kinderen en hun oom en tante,
en of de minister ten aanzien daarvan een belangenafweging had moeten maken.
7. Uit rechtspraak van het EHRM [7] volgt dat sprake is van familieleven tussen ouders en hun minderjarige kinderen, oftewel het kerngezin. [8] Dit blijkt ook uit het beleid van de minister in paragraaf B7/3.8 van de Vc [9] . Het EHRM heeft in vaste rechtspraak overwogen dat relaties tussen volwassen familieleden onder de bescherming van artikel 8 van Pro het EVRM kunnen vallen als sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. [10] Of dat het geval is, is een vraag van feitelijke aard en de beantwoording daarvan is afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Het EHRM heeft in verschillende arresten factoren aangewezen die relevant kunnen zijn bij de vraag of sprake is van deze meer dan gebruikelijke afhankelijkheid [11] , waaronder samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden en de banden met het land van herkomst. [12] Verder wordt familieleven aangenomen tussen minderjarige kinderen en hun oom en tante wanneer sprake is van hechte persoonlijke banden. Volgens de werkinstructie van de minister moet bij de vaststelling van familieleven op grond van artikel 8 van Pro het EVRM een zorgvuldige en gemotiveerde weging van de feitelijke situatie worden gemaakt. Een omstandigheid die kan duiden op hechte persoonlijke banden, is bijvoorbeeld samenwoning. [13]
8. De rechtbank is - vol toetsend [14] - van oordeel dat er in het geval eisers wél
sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM en licht dit per onderdeel uit het bestreden besluit toe.
Familieleven tussen eiseres, eiser en de kinderen
9. In het bestreden besluit stelt de minister zich op het standpunt dat geen sprake van is familieleven tussen eiseres, eiser en de kinderen. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser 2], [eiseres 2] en [eiseres 3] de kinderen zijn van eiseres en eiser. [15] Ook is niet in geschil dat de kinderen minderjarig waren ten tijde van de aanvraag. De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie van het EHRM, het beleid van de minister [16] en de werkinstructie [17] blijkt dat tussen ouders en hun uit een huwelijk of niet-huwelijkse relatie geboren minderjarige kinderen sprake is van familieleven. Dat sprake is van een reëel huwelijk hebben eiser en eiseres niet aangetoond, maar verweerder gaat er in het bestreden besluit [18] wel vanuit dat zij langdurig samen hebben verbleven bij hun zwager/broer en schoonzus. Uit de verklaring van mevrouw [naam 1] op de zitting blijkt dat de kinderen in deze periode zijn geboren. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee voldoende vast dat de kinderen zijn geboren uit een niet-huwelijkse relatie tussen eiseres en eiser. Dat eiser en eiseres in Nederland langdurig hebben samengewoond en in die periode samen drie kinderen hebben gekregen maakt dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen eiseres, eiser, [eiser 2], [eiseres 2] en [eiseres 3].
Familieleven tussen eiseres, eiser en hun zwager/broer en schoonzus
10. Verder is volgens de minister ook geen sprake van familieleven tussen eiseres, eiser en hun zwager/broer en schoonzus. De rechtbank overweegt dat niet is voldaan aan de opdracht van de rechtbank in de uitspraak van 26 januari 2021. Uit deze uitspraak blijkt dat de minister destijds onvoldoende had gemotiveerd waarom geen sprake is van familieleven tussen eiseres, eiser en hun zwager/broer en schoonzus. De rechtbank ziet niet in wat er aan de motivering van de minister is veranderd, terwijl de situatie van eiseres en eiser ongewijzigd is.
10.1.
De rechtbank overweegt verder dat de minister een te streng toetsingskader heeft gehanteerd door te eisen dat alleen sprake is van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie tussen meerderjarige familieleden wanneer de één niet in staat is zelfstandig te functioneren zonder de ander. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [19] blijkt dat de minister mag meewegen of er sprake is van exclusieve afhankelijkheid, maar daar geen doorslaggevend gewicht aan mag toekennen. [20] De rechtbank overweegt dat de minister in het bestreden besluit aan het ontbreken van exclusieve afhankelijkheid wél doorslaggevend gewicht heeft toegekend, nu de minister zich op het standpunt stelt dat het feit dat eiseres inwoont en eiser inwoonde bij hun zwager/broer en schoonzus en financieel afhankelijk van hen zijn, onvoldoende zijn om te kunnen spreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister niet kenbaar alle elementen bij de beoordeling of sprake is van familieleven heeft meegewogen en al die elementen in onderlinge samenhang heeft bezien. Het enkel benoemen van de losse elementen samenwonen en financiële afhankelijkheid en daaraan het gevolg verbinden dat die losse elementen onvoldoende zijn om familieleven aan te nemen, is daartoe naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende.
10.2.
De minister gaat in het bestreden besluit uit van langdurige samenwoning van eiseres en eiser bij hun zwager/broer en schoonzus. Waarom verweerder in het verweerschrift en ter zitting een ander standpunt hierover heeft ingenomen, is de rechtbank niet duidelijk geworden. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat eiseres, eiser en hun zwager/broer en schoonzus jarenlang hebben samengewoond. De tegenwerping in het verweerschrift dat de samenwoning niet door middel van registratie in het BRP is onderbouwd en dat eisers dit aan zichzelf te wijten hebben omdat ze er zelf voor hebben gekozen jarenlang illegaal in Nederland te verblijven, doet aan het voorgaande niet af.
10.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de gestelde emotionele afhankelijkheid van eiseres en eiser ten aanzien van hun zwager/broer en schoonzus onvoldoende heeft meegewogen. Op de zitting en tijdens de hoorzitting van 1 juli 2022 hebben zowel eiseres als mevrouw [naam 1] verklaard dat zij één gezin vormen sinds het moment dat eiseres en eiser bij hun in huis kwamen wonen. Eiseres heeft daar op de zitting aan toegevoegd dat zij haar schoonzus als zus ziet en dat zij eigenlijk als tweede moeder voor haar voelt. Eiseres verblijft sinds zij 23 jaar oud was bij haar zwager en schoonzus in huis. Ook eiser heeft in zijn gehoor van 23 juni 2022 aangegeven dat hij sinds zijn uitzetting naar Egypte continu in contact staat met zijn broer en schoonzus via Facebook Messenger. De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat sprake is van emotionele afhankelijkheid tussen eiseres, eiser en hun zwager/broer en schoonzus.
10.4.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister ten onrechte de (beperkte) banden van eiseres en eiser met Egypte niet heeft betrokken bij de beoordeling of sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. In zijn laatste gehoor van
23 juni 2022 heeft eiser verklaard dat hij na 28 jaar in Nederland te hebben verbleven zijn leven niet kan aanpassen in Egypte en Nederland ziet als zijn eigen land. Eiser heeft destijds ook aangegeven dat zijn psychische toestand achteruit gaat. Hij zit de hele dag thuis en kan niet met mensen omgaan. Eiser geeft aan dat de wereld en Egypte is veranderd en dat het hem om die reden ook niet lukt om een baan in dezelfde functie (chef in een snackbar) te krijgen. Eiser geeft aan niet te werken en volledig afhankelijk te zijn van broer en schoonzus in Nederland. Op de zitting heeft eiseres aangegeven dat de situatie van eiser nog steeds hetzelfde is. Voor Egyptische begrippen is eiser een oude man en kan hij niet aan werk komen. De zussen van eiser hebben een eigen leven, eiser zit alleen maar binnen en zegt tegen eiseres dat doodgaan beter voor hem is. Eiseres heeft verder verklaard meer dan de helft van haar leven in Nederland te wonen en dat het na 21 jaar moeilijk zal zijn om in Egypte contacten op te bouwen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er aanwijzingen zijn dat de banden van eiseres en eiser met Egypte beperkt zijn.
10.5.
Op basis van de langdurige samenwoning, de financiële en emotionele afhankelijkheid en de beperkte banden die eiseres en eiser nog met Egypte hebben, in onderlinge samenhang gewogen, stelt de rechtbank vast dat sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen eiseres, eiser en hun zwager/broer en schoonzus.
Familieleven tussen de kinderen en hun oom en tante
11. Daarnaast is volgens de minister geen sprake van familieleven tussen de kinderen en hun oom en tante, omdat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van hechte persoonlijke banden en licht dit als volgt toe. Zoals de rechtbank onder rechtsoverweging 10.2. al heeft toegelicht is sprake van langdurige samenwoning. Ook staat niet ter discussie dat sprake is van financiële afhankelijkheid van de kinderen ten opzichte van hun oom en tante. De rechtbank overweegt dat uit het verhaal van eisers blijkt dat zij samen met de heer [naam 2] en mevrouw [naam 1] één gezin vormen. Uit de verklaring van mevrouw [naam 1] op de zitting blijkt dat de kinderen bij haar thuis zijn geboren en dat zij samen met haar man de kinderen heeft opgevoegd als hun eigen kinderen. Ook zijn de kinderen een steun en toeverlaat voor hun oom en tante. De heer [naam 2] en mevrouw [naam 1] hebben al 25 jaar een eigen snackbar waar de kinderen meehelpen. Mevrouw [naam 1] heeft op de zitting gezegd daar man voor de kinderen door het vuur gaat, de kinderen graag in de snackbar zijn en het haar heel veel verdriet zou doen als aan eisers geen verblijf in Nederland wordt toegestaan. [eiser 2] heeft op de zitting verklaard dat hij bloedpropjes in zijn long had en daarvoor is opgenomen in het ziekenhuis. Hij benadrukte dat hij toen hij werd ontslagen uit het ziekenhuis met open armen thuis door zijn oom, tante en moeder is ontvangen. Verder blijkt uit het rapport van de Rijksuniversiteit Groningen van 17 februari 2020 dat de kinderen hebben verklaard dat zij als gezin samen eten en dat de kinderen goed contact hebben met de familie van hun tante. De tante is voor het opstellen van dit rapport samen met eiseres geïnterviewd. Tante heeft de Strengths and Difficulties Questionaire (SDQ) voor ouders ingevuld. Zowel de oom als de tante van de kinderen worden in het rapport aangeduid als belangrijke opvoeders.
11.1.
Op basis van het bovenstaande stelt de minister zich naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte op het standpunt dat niet is gebleken dat de oom en tante van de kinderen geen daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken hebben. Eiseres en eiser fungeren dus niet – zoals de minister stelt – als enige primaire verzorgers van de kinderen. De rechtbank stelt op basis van het bovenstaande vast dat er sprake is van hechte persoonlijke banden tussen de kinderen en hun oom en tante en dus van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.
Tussenconclusie
12. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is, omdat de minister geen familieleven heeft aangenomen tussen eisers, tussen eiseres, eiser en hun zwager/broer en schoonzus en tussen de kinderen en hun oom en tante in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Dit betekent dat de minister ten aanzien daarvan alsnog een belangenafweging moet maken waarbij hetgeen is overwogen in rechtsoverwegingen 5-11.1. in ieder geval dient te worden betrokken.
De belangen van de kinderen
13. Eisers stellen zich op het standpunt dat de minister de belangen van de kinderen en de rapportage van de Rijksuniversiteit Groningen van 17 februari 2020 onvoldoende bij de besluitvorming heeft betrokken. De minister stelt zich volgens eisers ten onrechte op het standpunt dat de deskundigen van de Rijksuniversiteit Groningen die de rapportage hebben opgesteld, geen landendeskundigen zijn. Eisers wijzen in dit verband op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 juli 2023 [21] . Daarnaast stellen eisers zich op het standpunt dat de kinderen zijn geworteld in Nederland, alleen Nederlands spreken en alleen banden met Nederland hebben.
14. De rechtbank brengt in herinnering dat op grond van artikel 3, eerste lid, van het IVRK [22] bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Aan die belangen, hoewel die belangen op zichzelf niet doorslaggevend hoeven zijn, dient dus aanzienlijk gewicht toe te komen. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen en het rapport van de Rijksuniversiteit Groningen van 17 februari 2020 ten aanzien van de belangen van de kinderen onvoldoende in acht heeft genomen. Dat geldt eveneens voor het standpunt van de minister dat het niet voldoende is om uit te gaan van de mogelijke risico’s voor de kinderen die worden beschreven bij een vertrek naar Egypte. Het standpunt van de minister dat de deskundigen die het rapport hebben opgesteld geen landendeskundigen zijn, doet daaraan niet af. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
14.1.
Uit het rapport van de Rijksuniversiteit Groningen van 17 februari 2020 blijkt dat de kinderen gebaat zijn bij continuïteit van hun opvoeding en dat wanneer zij gescheiden worden van hun significante opvoeders, hun oom en tante, met wie zij een gehechtheidsrelatie hebben ontwikkeld, gepaard gaat met een verhoogd risico op zowel angstklachten als depressieve gevoelens. Een veilige en zekere basis is van groot belang voor de identiteitsontwikkelingen van de kinderen. Om de continuïteit in de opvoedingsontwikkeling te waarborgen, is het in het belang van de kinderen om hen met hun vader te herenigingen zodat zij met hem kunnen opgroeien in een voor hen vertrouwde Nederlandse omgeving. Bij gedwongen vertrek naar Egypte verwachten de onderzoekers dat de ontwikkeling van de kinderen, bij wie al sprake is van problemen in de ontwikkeling, bij vertrek ernstig wordt bedreigd. Dat heeft onder meer te maken met het feit dat de kinderen in Nederland zijn geboren en geworteld in de Nederlandse samenleving. Vertrek betekent een breuk met alles wat hen vertrouwd is en met de cultuur die zij zich eigen hebben gemaakt. Daarnaast zullen intensieve banden binnen en buiten het gezin, zoals vrienden en school, verdwijnen uit hun leven. De kans is zeer aannemelijk dat deze breuk wordt ervaren als traumatisch. Ook wordt verwacht dat de kinderen in Egypte geen onderwijs kunnen volgen dat past bij hun ontwikkelingsniveau. Zij spreken en verstaan de Arabische taal niet op enkele woorden na en kunnen de taal niet lezen of schrijven. Verwacht wordt dat de kinderen grote moeite zullen ondervinden met het aangaan van contacten met leeftijdsgenoten en dat hun leven ontwricht zal worden bij gedwongen vertrek. Bij een vertrek naar Egypte is sprake van een groot gebrek aan stabiliteit.
14.2.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt staat in het rapport van de Rijksuniversiteit Groningen duidelijk beschreven dat deze gevolgen zeer waarschijnlijk zullen optreden en niet – zoals de minister stelt – dat het enkel een mogelijkheid is dat de beschreven risico’s zich zullen voordoen. De stelling van de minister dat de kinderen in Egypte naar school kunnen gaan, daar vrienden kunnen maken en dat dat wellicht anders zal zijn dan in Nederland begrijpelijk is, maar dat ook in Egypte kinderen opgroeien en carrière maken, berust volgens de rechtbank niet op een deugdelijke motivering. Niet valt in te zien – zoals de minister in het bestreden besluit overweegt – dat het niet noodzakelijk voor de kinderen is om de Arabische taal beter te beheersen om zo optimaal te kunnen genieten van het opbouwen van een sociaal leven en onderwijs en dat hun ouders hun daarbij kunnen helpen. De minister gaat daarmee zonder deugdelijke motivering voorbij aan hetgeen in het rapport van de Rijksuniversiteit Groningen is vermeld. Dit rapport onderstreept het standpunt van eisers dat de kinderen sterk geworteld zijn in Nederland. In hetgeen de minister naar voren heeft gebracht ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de risico’s voor de kinderen bij een gedwongen vertrek aan Egypte zoals in het rapport van de Rijksuniversiteit Groningen wordt geschetst.
14.3.
Door onvoldoende kenbaar de belangen van de kinderen mee te wegen en het rapport van de Rijksuniversiteit Groningen onvoldoende gemotiveerd te bestrijden, heeft de minister ook niet voldaan aan de opdracht van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 26 januari 2021.
De belangenafweging
15. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 12 overwogen dat de minister ten aanzien van het familieleven tussen eisers, eiseres, eiser en hun zwager/broer en schoonzus en ten aanzien van de kinderen en oom en tante een belangenafweging moet maken. Bij deze belangenafweging, dient de minister in ieder geval hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen te betrekken. Daarnaast dient de minister de banden van eiseres, eiser en de kinderen met Nederland en Egypte en de duur van hun verblijf te betrekken bij de belangenafweging. Hierbij dient de minister ook expliciet in te gaan op de belangen van de kinderen en het rapport van de Rijksuniversiteit Groningen en als uitgangspunt te nemen dat de kinderen minderjarig waren ten tijde van de aanvraag.
Mvv-vrijstelling [eiseres 3]
16. [eiseres 3] stelt zich op het standpunt dat zij had moeten worden vrijgesteld van het mvv-vereiste, omdat zij ten tijde van de aanvraag nog geen twaalf jaar oud was en in Nederland is geboren. Deze beroepsgrond slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Uit artikel 3.71, tweede lid, sub b, onder nummers 1 en 2, van het Vb [23] blijkt dat de vreemdeling die jonger is dan twaalf en in Nederland is geboren, pas wordt vrijgesteld van het mvv-vereiste wanneer het kind feitelijk is blijven behoren tot het gezin van een ouder die ten tijde van de geboorte van het kind rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw [24] . Daarvan is in dit geval geen sprake, nu zowel [eiseres 3], eiseres als eiser nooit rechtmatig verblijf in Nederland hebben gehad zoals bedoeld in een van de situaties van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw.

Conclusie en gevolgen

17. Uit de voorgaande overwegingen blijkt dat aan het bestreden besluit meerdere
gebreken kleven. Het bestreden besluit is op meerdere punten in strijd met de artikelen 3:2 van de Awb [25] (zorgvuldige voorbereiding) en 7:12 van de Awb (deugdelijke motivering). Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om de minister in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering, of, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.
18. Om de gebreken te herstellen, moet de minister een nieuw besluit nemen waarin in ieder geval de volgende omstandigheden worden betrokken:
  • Ten aanzien van het familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, al hetgeen de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van het familieleven tussen eisers, eiseres, eiser en hun zwager/broer en schoonzus en tussen de kinderen en hun oom en tante.
  • Ten aanzien van de belangenafweging dient de minister alle elementen die de rechtbank uiteen heeft gezet ten aanzien van het familieleven tussen eisers, eiseres, eiser en hun zwager/broer en schoonzus en tussen de kinderen en hun oom en tante, mee te nemen in de beoordeling. Daarnaast dient de minister gemotiveerd in te gaan op de banden van eisers met Nederland en hun banden met Egypte.
  • Ook dient de minister expliciet de belangen van de kinderen mee te wegen waarbij als uitgangspunt dient te worden genomen dat de kinderen minderjarig waren ten tijde van de aanvraag. Hierbij dient de minister gemotiveerd in te gaan op het rapport van de Rijksuniversiteit Groningen.
Verder zal de minister zowel eiseres en de kinderen als eiser (op afstand) opnieuw moeten horen. De minister dient daarbij een goed en gedegen onderzoek te verrichten naar de situatie van eiser in Egypte. De minister dient voortvarend onderzoek te verrichten en hier, gezien de lange duur van de procedure, niet meer tijd voor te nemen dan absoluut noodzakelijk. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder de gebreken kan herstellen op twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak.
19. De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb zo spoedig
mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik
maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als de minister gebruik maakt van die
gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren
op de herstelpoging van de minister. In beginsel, ook in de situatie dat de minister de
hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak
doen op het beroep.
20. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel
beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het
inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde
wordt geacht.
21. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep.
Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen
beslissing neemt.
Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening
22. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. De rechtbank ziet aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Dat betekent dat eiseres, [eiser 2], [eiseres 2] en [eiseres 3] het beroep in Nederland mogen afwachten.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder NL24.33637:
- draagt de minister op binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak de
rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid deze gebreken te herstellen;
- stelt de minister in de gelegenheid om binnen twaalf weken na verzending van deze
tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en
aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder NL24.33638:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat uitzetting van eiseres, [eiser 2], [eiseres 2] en [eiseres 3] wordt verboden totdat op het beroep is beslist.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq en in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak
kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele)
einduitspraak in deze zaak. Tegen het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Europees verdrag voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
3.Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
7.Europese Hof voor de Rechten van de Mens.
8.Zie bijvoorbeeld de zaken Martinez Alvarado tegen Nederland van 10 december 2024, nr. 4470/21, paragraaf 36, Kumari tegen Nederland van 10 december 2024, nr. 44051/21, paragraaf 35 en Slivenko tegen Letland van 9 oktober 2003, nr. 448321/99, paragraaf 94.
9.Vreemdelingencirculaire 2000.
10.Zie onder andere de zaken Kumari tegen Nederland, van 10 december 2024, nr. 44051/21, paragraaf 35, Senchishak tegen Finland van 18 november 2014, nr. 5049/12, paragraaf 55 en Emonet en anderen tegen Zwitserland van 13 december 2007, nr. 39051/03, paragraaf 35.
11.Uit Kumari tegen Nederland heeft het EHRM in paragraaf 37 overwogen: “
12.Zie onder andere de zaken Senchishak tegen Finland van 18 november 2014, nr. 5049/12, Kwakye-Nti en Dufie tegen Nederland, van 7 november 2000 nr. 31519/96 en Khan tegen het Verenigd Koninkrijk van 12 juni 2010, nr. 47486/06 en paragraaf 3.4 van Werkinstructie 2020/16 (hierna: WI 2020/16).
13.Paragraaf 3.3.2. van de werkinstructie.
14.Voor de motivering van de volle toets verwijst de rechtbank naar haar uitspraken van 23 juli 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:14447 en ECLI:NLRBAMS:2025:5387). Deze motivering is ook herhaald in de uitspraken van 19 juni 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:9656) en van 22 april 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:9087).
15.Zie hiervoor ook rechtsoverweging 5.3. van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 26 januari 2021 waaruit blijkt dat de minister niet langer meer betwist dat eiser de biologische vader van drie minderjarige kinderen is.
16.Paragraaf B7/3.8 van de Vc.
17.Zowel in de oude Werkinstructie 2020/16, paragraaf 3.3.1, als in de nieuwe Werkinstructie 2026/3, paragraaf 3.1.
18.Pagina 6.
19.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
20.Zie de uitspraken van de Afdeling van ECLI:NL:RVS:2025:2748 en ECLI:NL:RVS:2019:1003.
21.ECLI:NL:RBDHA:2023:18017, rechtsoverweging 7.4.
22.Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
23.Vreemdelingenbesluit 2000.
24.Vreemdelingenwet 2000.
25.Algemene wet bestuursrecht.