ECLI:NL:RBDHA:2026:15545

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
695464 / HA ZA 25-1078
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.C.E. Spierings
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 BWArt. 156, eerste lid, RvArt. 157, tweede lid, RvArt. 150 RvArt. 3:44 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank oordeelt over verrekening lening met schenking en afwikkeling spaarrekening

Deze civiele bodemzaak draait om twee leningen die eiseres aan gedaagde 1 heeft verstrekt en de vraag of deze leningen gedeeltelijk zijn verrekend met drie schenkingen. De rechtbank oordeelt dat slechts één schenking van €102.000,- voldoende is onderbouwd en daarmee de lening grotendeels verrekend is. De overige twee schenkingen zijn onvoldoende onderbouwd en worden afgewezen.

Daarnaast gaat de zaak over de afwikkeling van een gezamenlijk gebruikte spaarrekening. Eiseres vordert volledige inzage in de afschriften om haar vordering te onderbouwen, maar de rechtbank vindt dit niet noodzakelijk en wijst haar vordering af. Gedaagden c.s. vorderen een bedrag van €11.134,- wegens onrechtmatige onttrekkingen van de spaarrekening, wat wordt toegewezen.

De rechtbank wijst de vorderingen van eiseres deels toe, veroordeelt gedaagde 1 tot betaling van €30.005,89 plus wettelijke rente, wijst de vordering tot inzage af, en veroordeelt eiseres tot betaling aan gedaagden c.s. van €11.134,- plus wettelijke rente. De proceskosten worden gecompenseerd en de veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde 1 moet €30.005,89 plus rente aan eiseres betalen, de vordering tot inzage spaarrekening wordt afgewezen, en eiseres moet €11.134,- plus rente aan gedaagden c.s. betalen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/695464 / HA ZA 25-1078
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie,
verweerder in reconventie,
eisende partij in het incident in conventie,
advocaat: mr. D. Tap,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2] ,
beiden wonende te [woonplaats 2]
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
verwerende partij in het incident in conventie,
advocaat: mr. J. de Haan.
Eiseres in conventie wordt hierna ‘ [eiseres] ’ genoemd. Gedaagden in conventie worden hierna gezamenlijk ‘ [gedaagden] c.s.’ dan wel afzonderlijk ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd.

1.Waar gaat deze zaak over?

1.1.
Deze zaak draait om twee leningen die [eiseres] aan [gedaagde 1] heeft verstrekt en die nog niet geheel zijn afgelost door [gedaagde 1] : € 11.000,- (lening 1) en € 121.005,89 (lening 2). [gedaagde 1] moet lening 1 geheel aflossen aan [eiseres] . Bij lening 2 is de vraag of die gedeeltelijk is verrekend met drie schenkingen. De rechtbank oordeelt dat is komen vast te staan dat [eiseres] één schenking ter hoogte van € 102.000,- heeft gedaan en dat lening 2 met dat bedrag is verrekend. De andere twee schenkingen zijn niet komen vast te staan. [gedaagde 1] moet € 19.005,89 voor lening 2 en dus in totaal € 30.005,89 aan [eiseres] terugbetalen.
1.2.
Daarnaast draait deze zaak om de afwikkeling van het gezamenlijk gebruik van een spaarrekening waar partijen geld op hebben gestort en geld van af hebben gehaald. [eiseres] heeft onvoldoende gemotiveerd waarom daarvoor volledige inzage in de afschriften noodzakelijk is, waardoor haar vordering in het incident en in conventie wordt afgewezen. [eiseres] heeft verder onvoldoende gemotiveerd betwist dat [gedaagden] c.s. € 11.134,- van [eiseres] krijgen, omdat [eiseres] per saldo dit bedrag meer van de spaarrekening heeft afgehaald dan dat zij erop heeft gestort. De vordering van [gedaagden] c.s. in reconventie wordt dan ook toegewezen.
2. De procedure
2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 5 november 2025, tevens incidenteel verzoek ex artikel 162 Rv Pro, met producties 1 t/m 8;
- de conclusie van antwoord van [gedaagden] c.s., tevens verweer op incidenteel verzoek en eis in reconventie van 28 januari 2026 met producties 1 t/m 8;
- het tussenvonnis van 18 februari 2026;
- de conclusie van antwoord in reconventie van [eiseres] van 11 maart 2026 met productie 9;
- een bericht van [gedaagden] c.s. van 20 april 2026 met producties 9 t/m 12;
- een bericht van [eiseres] van 24 april 2026 met producties 10 en 11.
2.2.
Op 12 mei 2026 heeft de mondelinge behadeling van de zaak plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.

3.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
3.1.
[eiseres] is de moeder van [gedaagde 1] . [gedaagde 1] is getrouwd met [gedaagde 2] .
3.2.
[gedaagde 1] heeft in april 2017 een studio aan de [adres 1] gekocht tegen een koopsom van € 30.000,-. Hiervoor heeft zij € 12.000,- geleend van [eiseres] . [gedaagde 1] heeft € 1.000,- afgelost bij [eiseres] . [gedaagde 1] heeft de studio in oktober 2019 weer verkocht.
3.3.
[gedaagde 1] heeft op 24 oktober 2017 het appartement van [eiseres] aan de [adres 2] gekocht tegen een koopsom van € 133.000,-. De kosten koper ter hoogte van € 3.3878,47 kwamen voor rekening van [gedaagde 1] , waardoor het totale bedrag € 136.878,47 bedroeg. [gedaagde 1] heeft dit hele bedrag van [eiseres] geleend. [gedaagde 1] en [eiseres] hebben afgesproken dat [gedaagde 1] deze lening in maandelijkse termijnen van € 881,81 bij [eiseres] zou aflossen.
3.4.
[gedaagde 1] heeft in de periode van april 2018 tot en met augustus 2019 achttien termijnen bij [eiseres] afgelost (in totaal € 15.872,58).
3.5.
In juni 2019 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] samen een huis gekocht aan de [adres 3] .
3.6.
In augustus 2019 heeft [gedaagde 1] het appartement aan de [adres 2] verkocht.
3.7.
[gedaagden] c.s. hebben [eiseres] gemachtigd tot hun gezamenlijke en/of-bankrekening, met daaraan een spaarrekening gekoppeld. Zowel [gedaagden] c.s. als [eiseres] hebben gelden op de spaarrekening gestort en gelden daarvan afgehaald.
3.8.
Op 23 juli 2025 heeft [eiseres] € 28.305,- van de spaarrekening overgeboekt naar haar eigen bankrekening. [gedaagden] c.s. hebben hierna de machtiging van [eiseres] tot hun gezamenlijke en/of-rekening ingetrokken.
3.9.
Op 22 september 2025 heeft [eiseres] een brief aan [gedaagde 1] gestuurd, waarin [gedaagde 1] wordt verzocht de resterende leningen af te lossen.
3.10.
[gedaagde 1] heeft de resterende leningen voor de studio en het appartement niet afgelost.
3.11.
Op 27 oktober 2025 heeft [eiseres] conservatoir beslag laten leggen op het huis van [gedaagden] c.s. aan de [adres 3] .
3.12.
Op 3 november 2025 hebben [gedaagden] c.s. een brief aan [eiseres] gestuurd. Hierin staat, voor zover relevant, dat [eiseres] in 2019 een bedrag van € 102.000,- aan [gedaagden] c.s. heeft geschonken, in overeenstemming met de destijds geldende fiscale regeling (de jubelton).

4.Het geschil

in de hoofdzaak in conventie
4.1.
[eiseres] vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
[gedaagden] c.s. ieder hoofdelijk voor het geheel veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 133.005,89, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
de verdeling van de gemeenschappelijke spaarrekening uitspreekt;
de wijze van verdeling van de spaarrekening bepaalt op grond van artikel 3:185 BW Pro door aan iedere deelgenoot toe te kennen hetgeen deze deelgenoot heeft ingebracht op de rekening, verminderd met hetgeen de deelgenoot aan de rekening heeft onttrokken, althans op een in goede justitie te bepalen wijze;
[gedaagden] c.s. ieder hoofdelijk voor het geheel veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van het bedrag dat [eiseres] per saldo op de spaarrekening meer heeft ingebracht dan heeft onttrokken (welk bedrag eerst kan worden vastgesteld na inzage in de banktransacties), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
[gedaagden] c.s. veroordeelt in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen de kosten van het door [eiseres] gelegde conservatoir beslag.
4.2.
[eiseres] legt daar naar de kern aan ten grondslag dat zij aan [gedaagde 1] twee leningen heeft verstrekt voor zowel het appartement aan de [adres 2] als voor de studio aan de [adres 1] en dat die leningen niet geheel zijn afgelost. Over de spaarrekening stelt [eiseres] dat sprake is van een gemeenschap en dat zij recht heeft op haar aandeel in deze gemeenschap, maar dat voor vaststelling van haar aandeel volledige inzage in de afschriften van de spaarrekening noodzakelijk is.
4.3.
[gedaagden] c.s. voeren verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in het incident in conventie
4.5.
[eiseres] vordert dat de rechtbank [gedaagden] c.s. beveelt de transacties van de spaarrekeningen in het geding te brengen, vanaf het openen van de rekening tot het moment van inbrenging van de betreffende bescheiden. Zij heeft hierbij verwezen naar hetgeen zij in de hoofdzaak in conventie heeft gesteld.
4.6.
[gedaagden] c.s. voeren verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering in het incident.
4.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in de hoofdzaak in reconventie
4.8.
[gedaagden] c.s. vorderen – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
[eiseres] veroordeelt tot betaling aan [gedaagden] c.s. van een bedrag van € 11.134,-, althans enig ander in goede justitie vast te stellen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;
het op de woning van [gedaagden] c.s. gelegde conservatoir beslag opheft;
[eiseres] veroordeelt in de kosten van deze procedure.
4.9.
[gedaagden] c.s. leggen daar naar de kern aan ten grondslag dat [eiseres] meer gelden heeft onttrokken van hun spaarrekening dan dat zij hierop heeft gestort zonder dat [eiseres] daar toestemming voor had, waardoor sprake is van onverschuldigde betaling, althans ongerechtvaardigde verrijking. Over het beslag stellen [gedaagden] c.s. dat het beslag op hun woning onrechtmatig is, omdat zij vooralsnog geen emigreerplannen hebben, waardoor er geen vrees voor verduistering bestaat.
4.10.
[eiseres] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [gedaagden] c.s. in de proceskosten.
4.11.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

de hoofdzaak in conventie
5.1.
De hoofdzaak in conventie draait om twee leningen die [eiseres] aan [gedaagde 1] heeft verstrekt en om het saldo van een spaarrekening waar beide partijen gelden op hebben gestort en van af hebben gehaald. De rechtbank bespreekt hierna deze onderwerpen.
Lening 1 - voor de studio aan de [adres 1]
5.2.
Vast staat dat [gedaagde 1] van [eiseres] € 12.000,- heeft geleend voor de aankoop van een studio aan de [adres 1] . Ook staat vast dat [gedaagde 1] € 1.000,- heeft afgelost aan [eiseres] en dat de resterende lening van € 11.000,- nog niet door [gedaagde 1] is afgelost.
Rechtsverwerking en natuurlijke verbintenis
5.3.
De rechtbank oordeelt dat resterende lening door [gedaagde 1] aan [eiseres] moet worden afgelost en dat de verweren van [gedaagde 1] op rechtsverwerking, dan wel een natuurlijke verbintenis niet slagen. De rechtbank licht dat als volgt toe.
5.4.
Volgens [gedaagde 1] is primair sprake van rechtsverwerking omdat de familiebanden voorheen goed waren, [eiseres] (meerdere) uitlatingen heeft gedaan over dat zij het geld niet nodig had en omdat [eiseres] ruim acht jaar lang de lening niet heeft opgeëist. De rechtbank oordeelt dat van rechtsverwerking geen sprake is. Voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking is enkel tijdsverloop onvoldoende. Er zal moeten blijken van bijzondere bijkomende omstandigheden waaruit bij [gedaagde 1] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [eiseres] haar aanspraak op terugbetaling van de lening niet meer geldend zou maken, hetzij dat [gedaagde 1] onredelijk zou worden benadeeld als [eiseres] alsnog terugbetaling verlangt. [1] De rechtbank oordeelt dat de omstandigheden die [gedaagde 1] heeft aangevoerd geen dergelijke bijzondere omstandigheden zijn. De uitlatingen van [eiseres] over dat zij het geld op dat moment niet nodig zou hebben en dat er voorheen een goede familieband was zijn daartoe onvoldoende. Hiermee heeft [eiseres] geen afstand gedaan van haar vorderingsrecht.
5.5.
Volgens [gedaagde 1] is subsidiair een natuurlijke verbintenis ontstaan omdat [eiseres] haar dochter door dik en dun wilde steunen, wat in een ouder-kindrelatie niet ongewoon is. Er was tussen moeder en dochter sprake van een zeer goede en warme onderlinge verstandhouding. Ook stond er niets op papier om een zakelijke context aan de lening te hebben willen geven. De rechtbank begrijpt dit verweer van [gedaagde 1] aldus dat de aanvankelijke lening zou zijn omgezet naar een natuurlijke verbintenis, zodat de vordering tot terugbetaling niet langer afdwingbaar is. Dit verweer ligt daarmee in het verlengde van het beroep op rechtsverwerking. De rechtbank oordeelt, in navolging van haar oordeel over het beroep op rechtsverwerking, dat de feiten die [gedaagde 1] stelt onvoldoende zijn om te kunnen oordelen dat er sprake is van een dergelijke omzetting naar een natuurlijke verbintenis. [2] Dit volgt niet uit de gestelde familieband noch uit de omstandigheid dat [eiseres] de lening langere tijd niet heeft opgeëist.
5.6.
Kortom, de resterende lening van € 11.000,- is nog steeds afdwingbaar door [eiseres] en de lening moet dan ook door [gedaagde 1] worden afgelost.
Lening 2 - voor het appartement aan de [adres 2]
5.7.
Vast staat dat [gedaagde 1] het appartement van [eiseres] aan de [adres 2] heeft gekocht en dat zij hiervoor in totaal een bedrag van € 136.878,47 van [eiseres] heeft geleend. Ook staat vast dat [gedaagde 1] € 15.872,58 heeft afgelost. Dit betekent dat er van de initiële lening € 121.005,89 niet is afgelost.
5.8.
[eiseres] stelt dat zij nog recht heeft op aflossing van € 121.005,89. [gedaagde 1] heeft als verweer aangevoerd dat [eiseres] drie schenkingen heeft gedaan: 1) een schenking van € 5.320,- aan [gedaagde 1] bij aanvang van de lening in 2017; 2) een schenking van € 5.510,- aan [gedaagde 1] in 2019; en 3) een schenking van € 102.000,- aan [gedaagde 2] in 2019. Volgens [gedaagde 1] was het de bedoeling om alle drie de schenkingen te verrekenen met de resterende lening, waardoor het leningsbedrag nog slechts € 8.329,42 bedraagt. Die resterende vordering is echter volgens [gedaagde 1] niet meer afdwingbaar in verband met rechtsverwerking, dan wel doordat een natuurlijke verbintenis is ontstaan. [eiseres] betwist de drie schenkingen.
5.9.
De rechtbank oordeelt dat vast is komen te staan dat [gedaagde 1] schenking 3 heeft gedaan, waardoor de resterende lening van € 121.005,89 is verrekend met € 102.000,-. De overige twee schenkingen zijn niet vast komen te staan. Hierdoor staat nog een bedrag van € 19.000,89 open dat [gedaagde 1] bij [eiseres] moet aflossen. Het beroep op rechtsverwerking en het beroep op (omzetting naar) een natuurlijke verbintenis, slagen niet. De rechtbank licht dat hierna toe.
Schenking 1) - € 5.320,- bij aanvang lening 2 in 2017
5.10.
[gedaagde 1] heeft gesteld dat [eiseres] bij aanvang van de lening in 2017 direct € 5.320,- aan [gedaagde 1] heeft geschonken. Ter zitting heeft [gedaagde 1] toegelicht dat deze schenking mondeling is overeengekomen en dat bij het vaststellen van het maandelijkse termijnbedrag (€ 881,81) zowel rekening is gehouden met deze schenking en als met het gegeven dat [eiseres] jaarlijks het maximaal belastingvrije bedrag aan [gedaagde 1] zou schenken. Deze stelling is op geen enkele manier onderbouwd en wordt door [eiseres] betwist. [eiseres] heeft een nota van afrekening van de notaris over de overdracht van het appartement aan de [adres 2] overgelegd, waarin de lening van € 136.878,47 staat. In deze nota van afrekening staat echter niets over een schenking van [eiseres] aan [gedaagde 1] bij aanvang van de lening, terwijl dit wel voor de hand had gelegen. Ter zitting heeft [gedaagde 1] niet kunnen toelichten waarom die schenking daarin niet is opgenomen, terwijl die schenking volgens [gedaagde 1] wel zou zijn gedaan en in het leningsbedrag zou zijn verdisconteerd.
5.11.
De rechtbank oordeelt dan ook dat [gedaagde 1] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat [eiseres] in 2017 bij aanvang van de lening € 5.320,- aan [gedaagde 1] heeft geschonken. Schenking 1 is dus niet komen vast te staan.
Schenking 2) - € 5.510,- in 2019
5.12.
[gedaagde 1] heeft verder gesteld dat [eiseres] in 2019 een bedrag van € 5.510,- heeft geschonken. Deze stelling is op geen enkele manier onderbouwd en wordt ook door [eiseres] betwist. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat [gedaagde 1] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat [eiseres] in 2019 een bedrag van € 5.510,- geschonken. Schenking 2 is dus niet komen vast te staan.
Schenking 3) - € 102.000,- in 2019 aan [gedaagde 2]
5.13.
Volgens [gedaagde 1] heeft [eiseres] in 2019 een schenking van € 102.000,- gedaan aan [gedaagde 2] en zou deze schenking worden verrekend met de resterende lening die [gedaagde 1] had bij [eiseres] . De schenking zou aan [gedaagde 2] zijn gedaan, omdat [gedaagde 1] al de leeftijd van 40 jaar had bereikt, waardoor zij niet voldeed aan de eisen van de Belastingdienst voor de schenking van de zogenoemde ‘jubelton’. [eiseres] betwist dat zij deze schenking heeft gedaan.
5.14.
Ter onderbouwing van hun stelling hebben [gedaagden] c.s. meerdere stukken overgelegd. Een van die stukken is een schenkingsovereenkomst van 24 mei 2019. Deze schenkingsovereenkomst is volgens [gedaagden] c.s. door zowel [gedaagde 2] als [eiseres] digitaal ondertekend.
5.15.
Een akte is een ondertekend geschrift dat bestemd is om tot bewijs te dienen. [3] Een onderhandse akte heeft tussen partijen in beginsel dwingende bewijskracht. [4] De door [gedaagden] c.s. overgelegde schenkingsovereenkomst is bestemd om tot bewijs te dienen van hetgeen tussen partijen is overeengekomen. Dat zou in dit geval betekenen dat de digitaal getekende overeenkomst dwingend bewijs oplevert dat [eiseres] aan [gedaagde 2] € 102.000,- heeft geschonken. De overeenkomst is voorzien van digitale handtekeningen.
5.16.
[gedaagden] c.s. hebben toegelicht dat zij de volgende werkwijze hebben gevolgd. Samen met een financieel adviseur is een schenkingsovereenkomst in PDF opgesteld. Voor de ondertekening moesten de volgende handelingen worden verricht in een standaard programma op je telefoon: het document moest worden geopend, vervolgens moest je een ‘pennetje’ openen en dan kon er op de telefoon een handtekening worden gezet. Vervolgens moest de ondertekenaar de handtekening zelf plaatsen op de plek waar de handtekening moest komen te staan, in dit geval onderaan de overeenkomst.
5.17.
[eiseres] ontkent stellig dat zij een digitale handtekening onder de schenkingsovereenkomst heeft gezet en derhalve dat zij de hiervoor beschreven werkwijze heeft gevolgd.
5.18.
De rechtbank overweegt dat uit de door [gedaagden] c.s. toegelichte werkwijze volgt dat niet sprake is van een gekwalificeerde of geavanceerde elektronische handtekening maar van een “andere elektronische handtekening” zoals bedoeld in art. 3:15a BW. Aan een dergelijke handtekening komt pas dwingend bewijskracht toe als de methode die voor ondertekening is gebruikt voldoende betrouwbaar is, gelet op het doel waarvoor de digitale handtekening is gebruikt en op alle overige omstandigheden van het geval. De rechtbank oordeelt in dit geval dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de digitale handtekening alleen van [eiseres] afkomstig kan zijn, waardoor deze methode niet als voldoende betrouwbaar kan worden aangemerkt. Dat betekent dat met deze stand van zaken de overgelegde schenkingsovereenkomst niet als onderhandse akte kan worden aangemerkt en dus geen dwingende maar vrije bewijskracht heeft.
5.19.
Dat betekent echter niet dat daardoor niet vast kan komen te staan dat [eiseres] de schenking van € 102.000,- aan [gedaagde 2] heeft gedaan. In dat kader is het volgende van belang. Het is aan [gedaagden] c.s. – als de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van een schenking – om die feiten en omstandigheden voldoende te stellen en onderbouwen. [5] Als [gedaagden] c.s. aan die stelplicht hebben voldaan, dan komt de rechtbank toe aan de vraag of [eiseres] de naar voren gebrachte feiten voldoende heeft betwist. Als [eiseres] de naar voren gebrachte feiten
onvoldoendeheeft betwist, dan zal de rechtbank de desbetreffende feiten direct als vaststaand aannemen en komt de rechter aan enige bewijslevering ten aanzien van die feiten niet (meer) toe. Er kan derhalve pas aan bewijslevering worden toegekomen, als de wederpartij de naar voren gebrachte feiten voldoende gemotiveerd heeft betwist. Het hangt van de omstandigheden van het geval af of bepaalde stellingen al dan niet voldoende zijn betwist. Tegenover gedetailleerde stellingen van de ene partij zal een simpele ontkenning van de juistheid daarvan als onvoldoende betwisting kunnen worden aangemerkt. De rechtbank baseert haar oordeel dus op al hetgeen naar voren is gebracht en kijkt dus in onderhavig geval niet alleen naar de schenkingsovereenkomst.
5.20.
De rechtbank oordeelt dat [gedaagden] c.s. voldoende gemotiveerd onderbouwd hebben gesteld dat [eiseres] € 102.000,- aan [gedaagde 2] heeft geschonken en dat [eiseres] deze stelling onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De rechtbank licht dat als volgt toe.
5.21.
[gedaagden] c.s. hebben toegelicht dat [gedaagde 1] in 2019 het appartement heeft verkocht, omdat zij met [gedaagde 2] een huis ging kopen. Met de verkoop van het appartement zou [gedaagde 1] de resterende lening bij [eiseres] in één keer aflossen. [eiseres] heeft volgens [gedaagden] c.s. toen mondeling aangegeven dat zij niet wilde dat die lening in één keer zou worden afgelost. De reden hiervoor was dat [eiseres] anders belasting moest betalen over dat bedrag en omdat de andere dochter van [eiseres] dan aanspraak op het geld zou kunnen maken, terwijl [eiseres] haar andere dochter juist had onterfd. Hierdoor is het idee ontstaan om een jubelton te schenken. Omdat [gedaagde 1] al de leeftijd van 40 jaren had bereikt, voldeed zij niet aan de eisen van de Belastingdienst. Daarom zou zijn besloten om de jubelton aan [gedaagde 2] te schenken, waarmee de lening van [gedaagde 1] aan [eiseres] zou worden verrekend.
5.22.
[eiseres] heeft ter zitting bevestigd dat zij met [gedaagden] c.s. in 2019 heeft gesproken over het schenken van een groot bedrag aan [gedaagde 1] . Ook heeft zij bevestigd dat is besproken dat het schenken van een groot bedrag aan [gedaagde 1] niet mogelijk was, omdat [gedaagde 1] al de leeftijd van 40 jaren had bereikt en dus niet voldeed aan de eisen van de Belastingdienst. [eiseres] heeft verder niet ontkend dat zij in onmin verkeert met haar andere dochter. Deze toelichting van [eiseres] ondersteunt het verhaal van [gedaagden] c.s. dat er in 2019 is gesproken over het schenken van een groot bedrag aan [gedaagde 1] .
5.23.
Ter onderbouwing van hun standpunt hebben [gedaagden] c.s. verder een e-mailwisseling met hun financieel adviseur uit 2019 overgelegd. Deze mailwisseling bestaat uit vijf opvolgende e-mails. In een e-mail van de financieel adviseur aan [gedaagde 2] van 24 mei 2019 (09:36 uur) staat, voor zover relevant, het volgende: “
Het verschil kunnen we opvangen doormiddels van de schenkingsverklaring van jouw schoonmoeder. Wil je vragen of zij een schenkingsverklaring wil maken en dit met een goede kopie van het paspoort naar mij mailen? Let op, in de schenkingsverklaring moeten jullie als ontvanger ook tekenen.” Vervolgens e-mailt [gedaagde 2] aan de financieel adviseur op 24 mei 2019 (10:57 uur), voor zover relevant, het volgende: “
Ik ga voor de verklaring zorgen bij mijn schoonmoeder en het aanbod van rente zal ik getekend retour sturen.” Daarna e-mailt [gedaagde 2] aan de financieel adviseur op 24 mei 2019 (11:27 uur), voor zover relevant: “
Ik heb de verklaring van schenking al opgemaakt en naar Mn schoonmoeder verstuurd. Die tekent hem weer en doet hem retour tezamen met haar paspoort. Wacht even tot [gedaagde 1] wakker is en dan kan zij ook het renteaanbod opnieuw tekenen.”In de e-mailwisseling staat als laatste e-mail een e-mail van [gedaagde 2] aan de financieel adviseur van 24 mei 2019 (11:56 uur) opgenomen waarin staat: “
Deel 1 is binnen! Hij is digitaal ondertekend. Neem aan dat, dat geen probleem is? Wachten is nog even tot die donder wakker is. Dan krijg je de getekende renteaanbieding retour”. Bij deze laatste e-mail staat ook ‘ [email-adres] ’ als geadresseerde, waaronder alle e-mails uit de e-mailwisseling te lezen zijn.
5.24.
[gedaagden] c.s. hebben ter zitting onweersproken toegelicht dat met ‘Deel 1’ uit de laatste e-mail uit de e-mailwisseling de getekende schenkingsovereenkomst wordt bedoeld. [eiseres] heeft ter zitting bevestigd dat destijds ‘ [email-adres] ’ haar e-mailadres was. Haar standpunt dat zij nu geen toegang meer heeft tot dit e-mailadres en zodoende niet kan controleren of de e-mail daadwerkelijk echt is en door haar is ontvangen, is een blote stelling en niet onderbouwd. De rechtbank gaat daar dan ook aan voorbij. Hierdoor staat vast dat [gedaagden] c.s. op 24 mei 2019 een (digitaal) ondertekende schenkingsovereenkomst aan de financieel adviseur hebben gestuurd, met [eiseres] als medegeadresseerde van deze e-mail, dat [eiseres] deze e-mail, inclusief de digitaal ondertekende schenkingsovereenkomst, heeft ontvangen en de toelichting over de schenking in de mailwisseling heeft kunnen lezen. Dit ondersteunt de stelling van [gedaagden] c.s. dat er in 2019 een schenking aan [gedaagde 2] is gedaan ter verrekening van de lening.
5.25.
[gedaagden] c.s. hebben verder ter zitting toegelicht dat de maandelijkse aflossingen van de lening door [gedaagde 1] aan [eiseres] in augustus 2019 zijn gestopt, omdat [gedaagde 1] op dat moment het appartement had verkocht en de resterende lening grotendeels was verrekend met de schenking. [eiseres] heeft ter zitting bevestigd dat de maandelijkse aflossingen door [gedaagde 1] in augustus 2019 zijn gestopt, gelijk met het moment dat [gedaagde 1] het appartement had verkocht. Zij heeft verder toegelicht dat zij dacht dat [gedaagde 1] na de verkoop van het appartement ofwel direct de lening geheel zou aflossen ofwel dat [gedaagde 1] na de verkoop zou doorgaan met de maandelijkse afbetalingen. De rechtbank oordeelt dat dit blote stellingen zijn die nergens uit blijken. [eiseres] heeft namelijk niet gesteld, noch is gebleken, dat zij na de verkoop van het appartement door [gedaagde 1] [eiseres] aanspraak heeft gemaakt op de gehele aflossing van die lening of aanspraak heeft gemaakt op de continuering van de maandelijkse aflossingen. Uit de overgelegde stukken door [eiseres] blijkt juist dat [eiseres] pas zes jaar later, in 2025, [gedaagden] c.s. vraagt naar de aflossingen. Deze gang van zaken ondersteunt dan ook de stelling van [gedaagden] c.s. dat in 2019 de schenking aan [gedaagde 2] is gedaan en dat die schenking is verrekend met de lening.
5.26.
[gedaagden] c.s. hebben ook toegelicht dat [gedaagde 2] aangifte van de schenking bij de Belastingdienst heeft gedaan. Ter onderbouwing daarvan hebben [gedaagden] c.s. een kopie van deze aangifte, gedateerd 12 september 2019, overgelegd waarin staat dat [gedaagde 2] op 30 augustus 2019 een schenking van € 102.000,- heeft ontvangen van [eiseres] . [eiseres] stelt daartegenover dat zij zelf navraag heeft gedaan bij de Belastingdienst en dat de Belastingdienst haar heeft bevestigd dat [eiseres] zelf geen aangifte van de schenking heeft gedaan. Dit is echter geen betwisting van de aangifte bij de Belastingdienst door [gedaagde 2] in 2019. De aangifte van schenking door [gedaagde 2] op 12 september 2019 ondersteunt de stelling van [gedaagden] c.s. dat er in 2019 een schenking aan [gedaagde 2] is gedaan ter verrekening van de lening.
5.27.
Gelet op al het voorgaande oordeelt de rechtbank dat [gedaagden] c.s. met concrete feiten en omstandigheden hun stelling dat [eiseres] in 2019 € 102.000,- aan [gedaagde 2] heeft geschonken en dat daarmee de lening van [gedaagde 1] (grotendeels) is verrekend voldoende gemotiveerd hebben onderbouwd. [eiseres] heeft met de simpele ontkenning van de schenking deze stelling van [gedaagden] c.s. onvoldoende gemotiveerd betwist. [eiseres] heeft ook geen feiten en omstandigheden aangedragen waaruit blijkt dat het anders is gelopen dan door [gedaagden] c.s. is verklaard. Dit betekent dat is komen vast te staan dat schenking 3 is door [eiseres] is gedaan en dat de lening met dit bedrag is verrekend.
Rechtsverwerking en natuurlijke verbintenis
5.28.
[gedaagden] c.s. hebben met betrekking tot lening 2 eveneens primair een beroep gedaan op rechtsverwerking, subsidiair op het ontstaan van een natuurlijke verbintenis. De onderbouwing hiervan is gelijk aan die bij lening 1 voor de studio. Deze verweren slagen ook hier niet en de rechtbank verwijst naar randnummers 5.4 en 5.5 voor de motivering daarvan.
Misbruik van omstandigheden
5.29.
[eiseres] heeft, voor het geval de rechtbank oordeelt dat de schenkingsovereenkomst bestaat, een beroep gedaan op vernietiging van deze overeenkomst wegens misbruik van omstandigheden. Zij stelt dat het misbruik van omstandigheden volgt uit het volgende: (a) [eiseres] heeft nooit de wil gehad om te schenken; (b) [gedaagden] c.s. stellen zelf dat [eiseres] ‘labiel en beïnvloedbaar is’ en een psychiatrische achtergrond heeft; (c) de schenking dekt vrijwel exact de openstaande schuld en geschiedde zonder notariële akte en zonder aantoonbare weloverwogen besluitvorming van [eiseres] ; (d) er is geen uitvoering gegeven aan de schenkingsovereenkomst; (e) [eiseres] heeft geen kennis van de aangifte die bij de Belastingdienst namens haar werd ingediend en zij heeft zelf geen aangifte gedaan; (f) er is geen enkel ander feit dat of andere omstandigheid die de schenking onderbouwt; en (g) de constructie diende uitsluitend het eigen financieel belang van [gedaagden] c.s., zonder dat [eiseres] werd bijgestaan door een onafhankelijke adviseur. Volgens [eiseres] rust bij een beroep op vernietigbaarheid de bewijslast van het tegendeel op de begiftigde, tenzij van de schenking een notariële akte is opgemaakt of deze verdeling van de bewijslast in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn, wat volgens [eiseres] niet aan de orde is.
5.30.
De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van misbruik van omstandigheden. Daartoe is het volgende van belang. Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzonder omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot onder andere het verrichten van een rechtshandeling. [6] De partij die de vernietiging van een rechtshandeling inroept op de grond dat die rechtshandeling door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen, draagt de stelplicht en de bewijslast zowel en aanzien van het misbruik als door het causaal verband. Voor het geval dat van een schenking geen notariële akte is opgemaakt, wordt de bewijslast omgedraaid: [7] indien de schenker feiten stelt waaruit (uitgaande van de feitelijke juistheid daarvan) volgt dat de schenking door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen, rust de bewijslast van het tegendeel op de begiftigde. Van belang is dat alleen de bewijslast wordt omgekeerd. Met betrekking tot zowel het
misbruik van omstandighedenals het
causaal verbandrust op de schenker de gehoudenheid voldoende gemotiveerd feiten en omstandigheden te stellen die het oordeel kunnen dragen dat de schenking onder invloed van misbruik van omstandigheden is gedaan, opdat de begiftigde in staat wordt gesteld het bewijs van het tegendeel te leveren. [8]
5.31.
Dat betekent in dit geval dat het in de eerste plaats aan [eiseres] is om voldoende gemotiveerd feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt dat zij onder invloed van misbruik van omstandigheden de schenking aan [gedaagde 2] heeft gedaan. Pas als zij dat heeft gedaan, rust de bewijslast van het tegendeel bij [gedaagden] c.s. Uit de feiten en omstandigheden de [eiseres] naar voren heeft gebracht volgt echter niet dat [gedaagden] c.s. misbruik van omstandigheden hebben gemaakt en dat [eiseres] daardoor de schenking aan [gedaagde 2] heeft gedaan (het causaal verband). Hierdoor heeft zij onvoldoende gesteld dat er sprake is van misbruik van omstandigheden.
Conclusie met betrekking tot lening 2
5.32.
De rechtbank komt met betrekking tot lening 2 tot de conclusie dat het verweer van [gedaagden] c.s. gedeeltelijk slaagt, omdat is komen vast te staan dat [eiseres] € 102.000,- aan [gedaagde 2] heeft geschonken en dat met die schenking lening 2 grotendeels is verrekend. De overige twee schenkingen zijn niet komen vast te staan. Dit betekent dat er van het resterende bedrag van de initiële lening (€ 121.005,89) met de schenking € 102.000,- is verrekend en dat er dus nog € 19.000,89 openstaat en dat dit bedrag afdwingbaar is door [eiseres] .
Hoofdelijkheid met betrekking tot beide leningen
5.33.
[eiseres] heeft de rechtbank verzocht om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met betrekking tot betaling van beide leningen hoofdelijk te veroordelen. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.
5.34.
[eiseres] is de leningen aangegaan met [gedaagde 1] . [eiseres] heeft geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat ook [gedaagde 2] partij was bij beide leningen en dus ook schuldenaar is. Dit betekent dat er geen sprake is van hoofdelijke verbondenheid van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . [9] De vorderingen van [eiseres] voor wat betreft de leningen tegen [gedaagde 2] worden dan ook afgewezen.
Wettelijke rente
5.35.
[eiseres] heeft de rechtbank verzocht om het totale bedrag van beide leningen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 november 2025.
5.36.
De wettelijke rente is verschuldigd vanaf de datum waarop de schuldenaar in verzuim is. [10] Als uit de overeenkomst niet (bewijsbaar) voortvloeit op welk tijdstip de geldlener het geleende bedrag moet terugbetalen, moet de geldlener het geld terugbetalen binnen zes weken nadat de gelduitlener heeft meegedeeld dat hij tot opeising overgaat. [11]
5.37.
[eiseres] heeft op 22 september 2025 de geldleningen opgeëist. [gedaagde 1] is niet overgegaan tot terugbetaling, waardoor zij op 3 november 2025 in verzuim was. De rechtbank wijst de wettelijke rente dan ook toe vanaf 4 november 2025.
Conclusie met betrekking tot beide leningen
5.38.
Dit alles betekent dat de rechtbank vordering I van [eiseres] gedeeltelijk toewijst en dat [gedaagde 1] aan [eiseres] in totaal € 30.005,89 (€ 11.000,- + € 19.005,89) moet terugbetalen. De wettelijke rente over dit bedrag wordt toegewezen vanaf 4 november 2025.
De spaarrekening
5.39.
[gedaagden] c.s. hebben [eiseres] gemachtigd tot hun en/of-betaalrekening, met daaraan een spaarrekening gekoppeld. Op die manier kon [eiseres] bedragen storten op en onttrekken aan de spaarrekening.
5.40.
[eiseres] vordert verrekening van het saldo van deze spaarrekening, op grond van de stelling dat sprake is van een gemeenschap tussen partijen die moet worden verdeeld. Het bedrag kan volgens haar pas worden vastgesteld nadat [gedaagden] c.s. volledige inzage hebben gegeven in de bij- en afschrijvingen.
5.41.
Partijen zijn het erover eens dat het geld dat iedere partij op de spaarrekening heeft gestort, aan die partij blijft toebehoren. Partijen zijn het er ook over eens dat het uiteindelijk gaat om een verrekening ‘onder aan de streep’. Dit betekent echter wel dat er geen sprake is van een gemeenschap, waardoor de vorderingen II, III en IV van [eiseres] niet op die rechtsgrond kunnen worden toegewezen. Omdat partijen het eens zijn dat het uiteindelijk gaat om de verrekening ‘onder aan de streep’ buigt de rechtbank zich daarover.
5.42.
Volgens [eiseres] moeten [gedaagden] c.s. volledige inzage geven in de bij- en afschrijvingen van de spaarrekening (de afschriften), zodat kan worden vastgesteld of [eiseres] nog recht heeft op een bedrag van de spaarrekening. Ter zitting heeft [eiseres] een nieuw argument daarvoor naar voren gebracht, namelijk dat er sprake was van een rekening-courantverhouding en dat om die reden [gedaagden] c.s. volledige inzage moeten geven in de rekening. [12]
5.43.
De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een rekening-courantverhouding. [eiseres] heeft namelijk onvoldoende feiten gesteld waaruit volgt dat er tussen [eiseres] en [gedaagden] c.s. krachtens een rechtshandeling zowel geldvorderingen als geldschulden in één rekening werden opgenomen, wat vereist is om te kunnen spreken van een rekening-courant. [13] Partijen hebben namelijk afgesproken om samen te sparen om een spaarrekening, zodat er meer rentevoordeel zou kunnen worden behaald, maar waarbij de inbreng van een partij aan die partij bleef toebehoren. Kortom, er is geen sprake van een rekening-courantverhouding zodat [gedaagden] c.s. geen inzage in op die grond hoeven te geven.
5.44.
Volgens [eiseres] is een andere reden voor volledige inzage in de afschriften de onderbouwing van haar vordering. Alleen op die manier kan volgens [eiseres] worden vastgesteld hoeveel zij heeft gestort en onttrokken van de spaarrekening en op welk ‘saldo’ zij dus nog recht heeft. De rechtbank volgt [eiseres] daarin niet. [eiseres] kan op basis van de afschriften van haar
eigenbankrekening nagaan hoeveel geld zij heeft overgemaakt naar en heeft onttrokken van de spaarrekening. Voor het vaststellen van haar ‘saldo’ ‘onder aan de streep’ is dus niet noodzakelijk dat [eiseres] inzage krijgt in de afschriften van de spaarrekening. Ter zitting heeft [eiseres] bovendien verklaard dat zij bij haar eigen bank haar eigen afschriften heeft opgevraagd en dat zij op basis daarvan heeft uitgerekend hoeveel zij heeft overgemaakt en heeft teruggestort. Zij heeft toegelicht dat haar ‘saldo’ hoogstwaarschijnlijk nul is. Kortom, zij kon op basis van haar eigen bankafschriften stellen en onderbouwen welk bedrag haar ‘onder aan de streep’ nog zou toekomen van de spaarrekening en volledige inzage in de afschriften van de spaarrekening is daarvoor niet noodzakelijk. Dit betekent dat de rechtbank vorderingen II, III en IV van [eiseres] afwijst.
Proceskosten in de hoofdzaak in conventie
5.45.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in incident
5.46.
[eiseres] heeft in het incident verzocht [gedaagden] c.s. te bevelen om de afschriften van de spaarrekening in het geding te brengen. [14] Zij heeft hierbij verwezen naar hetgeen zij in de hoofdzaak in conventie heeft gesteld, namelijk dat dit noodzakelijk is om haar vordering te onderbouwen.
5.47.
De rechter kan op grond van art. 162 Rv Pro. in de loop van een geding, op verzoek of ambtshalve, aan partijen of aan een van hen de openlegging bevelen van de boeken, bescheiden en geschriften, die zij op grond van de wet moeten houden, maken of bewaren. De regeling geeft de rechter de mogelijkheid om openlegging van de boekhouding te bevelen op punten waaromtrent partijen een geschil hebben. De verzoekende partij zal duidelijk moeten maken van welke boeken, bescheiden en geschriften openlegging wordt verzocht en zij zal haar verzoek moeten motiveren. In die zin dat duidelijk wordt aangegeven welke nader ter zake doende inlichtingen door de openlegging verkregen kunnen worden.
5.48.
Zoals de rechtbank in randnummer 5.44 hierboven heeft overwogen, is volledige inzage in de afschriften van de spaarrekening niet noodzakelijk voor [eiseres] om haar vordering te onderbouwen. De rechtbank wijst de vordering in het incident daarom af.
Proceskosten in incident
5.49.
De proceskosten worden begroot op nihil nu [eiseres] geen apart processtuk heeft opgesteld.
de hoofdzaak in reconventie
De spaarrekening
5.50.
De eerste vordering van [gedaagden] c.s. ziet op de spaarrekening die is gekoppeld aan de en/of-rekening van [gedaagden] c.s., waartoe [eiseres] gemachtigd was. Zoals in randnummer 5.41 al is overwogen, zijn partijen het erover eens dat het geld dat iedere partij op die rekening heeft gestort, aan die partij blijft toebehoren en gaat het over de verrekening van het saldo ‘onder aan de streep’.
5.51.
[gedaagden] c.s. stellen in dat kader dat [eiseres] € 11.134,- aan hen verschuldigd is. Volgens [gedaagden] c.s. heeft [eiseres] namelijk € 20.871,- op de spaarrekening gestort en in totaal € 32.005,- onttrokken. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben [gedaagden] c.s. afschriften van de spaarrekening overgelegd.
5.52.
[eiseres] heeft de stortingen en onttrekkingen die [gedaagden] c.s. hebben gesteld niet betwist. Wel heeft [eiseres] gesteld dat voor toewijzing van de vordering van [gedaagden] c.s. het noodzakelijk is dat volledige inzage in de afschriften van de spaarrekening wordt gegeven. Daar gaat de rechtbank niet in mee. [eiseres] had met afschriften van haar
eigenbankrekening gemotiveerd de vordering van [gedaagden] c.s. kunnen betwisten. [eiseres] heeft immers ter zitting toegelicht dat zij bij haar bank haar eigen bij- en afschrijvingen heeft opgevraagd en dat zij op basis daarvan heeft uitgerekend hoeveel zij heeft overgemaakt en heeft teruggestort. Zij heeft toegelicht dat ‘haar saldo’ hoogstwaarschijnlijk nul is. [eiseres] heeft echter nagelaten de vordering gemotiveerd te betwisten, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de vordering van [gedaagden] c.s. De rechtbank wijst de vordering van [gedaagden] c.s. dan ook toe.
Wettelijke rente
5.53.
[gedaagden] c.s. hebben de rechtbank verzocht om de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2026.
5.54.
De wettelijke rente is verschuldigd vanaf de datum waarop de schuldenaar in verzuim is. [15] Het verzuim treedt in wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn wordt gesteld en nakoming binnen deze termijn uitblijft. [16] Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagden] c.s. voorafgaand aan de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie van 28 januari 2026 [eiseres] schriftelijk hebben aangemaand, zodat niet vaststaat dat [eiseres] voorafgaand aan die conclusie van antwoord in verzuim was.
5.55.
De conclusie van antwoord, tevens is in reconventie kan in ieder geval als schriftelijke aanmaning worden gezien. [eiseres] is niet overgegaan tot betaling van het gevorderde bedrag, zodat de rechtbank de wettelijke rente vanaf 28 februari 2026 toewijst.
Het conservatoir beslag
5.56.
[gedaagden] c.s. vorderen ten slotte opheffing van het in opdracht van [eiseres] gelegde conservatoir beslag op hun woning aan de [adres 3] . [eiseres] verzet zich tegen opheffing.
5.57.
Een gelegd beslag wordt opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. [17] Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad ligt het op de weg van degene die opheffing van het conservatoir beslag vordert (in dit geval [gedaagden] c.s.) om aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger (in dit geval [eiseres] ) gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd. De beoordeling kan niet geschieden los van een afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder weegt dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag.
5.58.
Volgens [gedaagden] c.s. is het beslag op hun woning onrechtmatig, omdat zij vooralsnog geen emigreerplannen hebben, waardoor er geen vrees voor verduistering bestaat. Zij hebben enkel uit pure nieuwsgierigheid navraag gedaan bij een makelaar wat hun woning bij verkoop op zou leveren. [gedaagden] c.s. hebben ter zitting verklaard geen nadeel te ondervinden van het gelegde beslag, maar dat het wel in de openbare registers staat en dat zij dit vervelend vinden. [eiseres] betwist dat er enkel uit nieuwsgierigheid navraag is gedaan bij een makelaar en stelt dat de woning in de verkoop stond, nu er een woningadvertentie, met vraagprijs, online stond. Daarnaast stelt [eiseres] dat de vrees voor verduistering ook geldt voor bezwaring van de woning.
5.59.
De rechtbank oordeelt dat van omstandigheden als genoemd in randnummer 5.57 niet is gebleken, zodat het beslag op deze grond niet wordt opgeheven. Voorts is de vrees voor verduistering voldoende onderbouwd zodat het beslag niet onnodig is. Een belangenafweging leidt evenmin tot een andere beslissing. [eiseres] heeft een vordering op [gedaagden] c.s., die handhaving van de gelegde beslagen rechtvaardigt. Het belang van [eiseres] bij handhaving van het beslag weegt zwaarder dan het belang van [gedaagden] c.s. bij opheffing ervan. De vordering tot opheffing van het beslag wordt afgewezen.
Proceskosten
5.60.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De rechtbank
in de hoofdzaak in conventie
6.1.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 30.005,89, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening,
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in incident
6.3.
wijst de vordering af,
6.4.
begroot de proceskosten op nihil,
in de hoofdzaak in reconventie
6.5.
veroordeelt [eiseres] om aan [gedaagden] c.s. te betalen een bedrag van € 11.134,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening,
6.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die in dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak in conventie en reconventie
6.7.
verklaart de veroordelingen onder 6.1 en 6.5 uitvoerbaar bij voorraad,
6.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.C.E. Spierings en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.

Voetnoten

1.HR 21 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1529.
2.Artikel 6:2 BW Pro.
3.Artikel 156, eerste lid, Rv.
4.Artikel 157, tweede lid, Rv.
5.Artikel 150 Rv Pro.
6.Artikel 3;44 BW.
7.Artikel 7:176 BW Pro.
8.HR 26 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1272.
9.Artikel 6:6 BW Pro.
10.Artikel 6:119 BW Pro.
11.Artikel 7:129e BW.
12.Op grond van artikel 6:140, tweede lid, BW.
13.Artikel 6:140, eerste lid, BW.
14.Op grond van artikel 162 Rv Pro.
15.Artikel 6:119 BW Pro.
16.Artikel 6:82 BW Pro.
17.Artikel 705, tweede lid, Rv.