ECLI:NL:RBDHA:2026:15371
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H. Hanssen - Telman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
De rechtbank Den Haag heeft op 8 juni 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen het besluit van 23 maart 2026 van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Nederland had op 13 januari 2026 een verzoek tot terugname aan Duitsland gedaan, dat op 15 januari 2026 werd aanvaard.
Eiser voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder dat hij wel een zienswijze had ingediend, dat het besluit onzorgvuldig was omdat onvoldoende rekening was gehouden met persoonlijke omstandigheden, dat het dossier onvolledig was door het ontbreken van de loopbrief, en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten onrechte werd toegepast vanwege vermeende tekortkomingen in de Duitse asielprocedure. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat een zienswijze was ingediend, dat het gebruik van een standaardvoornemen niet onzorgvuldig was, dat de loopbrief wel in het dossier zat en tijdig was ontvangen, en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel terecht werd toegepast.
De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en de Raad van State die het gebruik van standaardvoornemens en het interstatelijk vertrouwensbeginsel bevestigen. Ook werd geoordeeld dat de Duitse procedure niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces, mede omdat lidstaten niet verplicht zijn kosteloze rechtsbijstand te bieden in alle gevallen. Eiser had geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor het besluit van de minister in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.