ECLI:NL:RBDHA:2026:15070
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrond beroep wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf gezinshereniging
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging. De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling van griffierecht wegens betalingsonmacht toegewezen.
De aanvraag werd ingediend op 6 juni 2024, terwijl de minister uiterlijk op 4 december 2024 had moeten beslissen. De minister is rechtsgeldig in gebreke gesteld op 8 mei en 13 juni 2025, waarna het beroep op 18 juli 2025 werd ingesteld. De rechtbank oordeelt dat het beroep tijdig en kennelijk gegrond is.
De minister hanteert het FIFO-principe, waardoor de aanvraag pas in maart 2027 in behandeling wordt genomen. De rechtbank acht dit een bijzonder geval en legt op grond van de Awb een nadere beslistermijn van acht weken op, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek.
Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €15.000 bij overschrijding van deze termijn. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van €467. De uitspraak is gedaan door rechter M.L. Weerkamp op 2 juni 2026.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen, met een dwangsom bij overschrijding.