ECLI:NL:RBDHA:2026:15041

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
NL25.1148
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArt. 31 Vw 2000Art. 10 lid 1 Procedurerichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering geloofwaardigheid gedwongen initiatie

Eiseres, een Liberiaanse vrouw, vroeg asiel aan vanwege problemen op haar werk en een gedwongen initiatie in een geheim genootschap na het overlijden van haar moeder. De minister wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, onder meer vanwege onvoldoende geloofwaardigheid van de verklaringen over de initiatie en het niet tijdig indienen van de aanvraag.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de verklaringen over de gedwongen initiatie ongeloofwaardig zijn, vooral omdat eiseres pas bij de begrafenis van haar moeder ontdekte dat zij haar rol moest overnemen en omdat de moeder een eed had afgelegd om het geheim te bewaren. De minister heeft niet aannemelijk gemaakt dat alleen de sterke band tussen moeder en dochter voldoende was om het geheim te delen.

De rechtbank wijst de overige beroepsgronden af, waaronder de geloofwaardigheid van de problemen op het werk en het niet tijdig indienen van de aanvraag. De afwijzing wordt vernietigd en de minister krijgt zes weken om een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Eiseres krijgt tevens een proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende motivering en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.1148

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. Y.E. Verkouter),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. L.J.M. Rog).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waaruit blijkt dat eiseres wist dat ze de rol van haar moeder binnen het geheime genootschap moest opvolgen. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd hoe dit enkel volgt uit de sterke band die eiseres en haar moeder hadden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 staat een samenvatting van het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de vragen of de geloofwaardigheidsbeoordeling uit werkinstructie (WI) 2024/6 in strijd is met het Unierecht, of de minister de problemen van eiseres op haar werk ongeloofwaardig mocht achten, of de minister de problemen van eiseres met het geheime genootschap ongeloofwaardig mocht achten, of eiseres verweten mag worden dat ze haar asielaanvraag niet tijdig heeft ingediend en of eiseres een reëel risico loopt bij terugkeer naar Liberia, omdat zij een alleenstaande vrouw is. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 15 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 8 januari 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1989 en heeft de Liberiaanse nationaliteit. Zij is Liberia ontvlucht omdat zij problemen had binnen het bedrijf waar zij werkzaam was. Eiseres werd hierbij beschuldigd van het openbaar maken of lekken van documenten over de corruptie van haar leidinggevenden. Ook werd eiseres na het overlijden van haar moeder gedwongen om toe te treden tot een geheim genootschap. Eiseres vreest voor deze initiëring en voor de rituelen die daarbij horen, zoals besnijdenis.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. het verdacht worden van lekken van documenten aan een vermeende klokkenluider en de daaruit voortvloeiende problemen;
3. de gedwongen initiëring binnen een geheim genootschap.
4.1.
De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig geacht. Het verdacht worden van het lekken van documenten aan een vermeende klokkenluider en de daaruit voortvloeiende problemen acht de minister niet geloofwaardig. De verklaringen van eiseres vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. De gedwongen initiëring van eiseres binnen het geheim genootschap acht de minister ook niet geloofwaardig. Hierbij is het van belang dat eiseres weinig kan vertellen over het genootschap. Voorts heeft eiseres haar aanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft zij hiervoor geen goede verklaring. De minister heeft daarom alleen gekeken of eiseres op grond van haar identiteit, nationaliteit en herkomst in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Dat is volgens de minister niet het geval. Daarom heeft de minister de aanvraag afgewezen.
Is de geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd met het Unierecht?
5. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling uit WI 2024/6 heeft gebruikt, omdat deze in strijd is met het Unierecht. Hierbij verwijst eiseres naar de prejudiciële vragen die zijn gesteld door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond. [1]
5.1.
De beroepsgrond dat de door de minister toegepaste en in WI 2024/6 opgenomen geloofwaardigheidsbeoordeling niet in overeenstemming is met het Unierecht slaagt niet. De rechtbank verwijst hiertoe naar de uitspraken van deze zittingsplaats van 25 juni 2025 [2] en van 8 september 2025. [3]
Heeft de minister de door eiseres overgelegde documenten voldoende betrokken bij de besluitvorming?
6. Eiseres betoogt dat de minister haar ten onrechte tegenwerpt dat zij geen originele documenten heeft overgelegd. Eiseres voert aan dat zij alle onderbouwende documenten waarover zij beschikt heeft overgelegd. Deze documenten onderbouwen het asielmotief inzake het verdacht worden van lekken van documenten aan een vermeende klokkenluider en de daaruit voortvloeiende problemen van eiseres. Haar kan niet worden verweten dat zij slechts een kopie van de schorsingsbrief heeft overgelegd, aangezien zij niet beschikt over het origineel. Hierbij is het van belang dat ook kopieën kunnen worden onderzocht door Bureau Documenten. Dat in de schorsingsbrief van haar werkgever niet staat dat eiseres wordt verdacht van het lekken van informatie is logisch, aangezien dit haar werkgever zelf verdacht kan maken. De schorsingsbrief hoeft niet te gelden als doorslaggevend bewijs, zoals de minister stelt, maar kan wel worden gebruikt ter onderbouwing van het asielrelaas van eiseres.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat de door eiseres overgelegde documenten voldoende bij de besluitvorming zijn betrokken. Eiseres heeft een kopie van een brief van haar werkgever overgelegd. Deze brief kan daarom niet worden onderzocht op authenticiteit. Enkel deze brief kan bovendien qua inhoud het asielrelaas van eiseres niet ondersteunen. De inhoud van de brief bevestigt namelijk niet het asielrelaas van eiseres. De door eiseres aangevoerde reden van ontslag staat niet in de brief. Bovendien staat de brief vol taalfouten, waardoor de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat dit twijfel zaait over de kwaliteit en werkelijke herkomst van de brief.
Mocht de minister de problemen van eiseres op haar werk ongeloofwaardig achten?
7. Eiseres betoogt dat de minister de problemen die zij op werk heeft ervaren ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.
7.1.
Eiseres heeft dit asielmotief niet voldoende onderbouwd met objectieve documenten. Het asielmotief is niet alsnog geloofwaardig, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c en d, van de Vw 2000. De verklaringen van eiser vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Ook heeft eiseres haar asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend.
De gestelde verdenking van de werkgever van eiseres is tegenstrijdig met het feit dat zij een opleiding kon volgen in Nederland
7.2.
Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het vreemd is dat eiseres, ondanks dat zij in het vizier was van haar werkgever, toch op buitenlandse reis mocht gaan. Eiseres heeft in haar zienswijze hierover uitleg gegeven maar de minister is hier niet op ingegaan en brengt enkel naar voren dat de uitleg niet afdoende is.
7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat de verklaringen van eiseres dat haar werkgever haar pest en intimideert en haar verdenkt van het lekken van informatie, haaks staat op de verklaring van eiseres dat haar werkgever voor haar een cursus in Nederland heeft geregeld, waarvoor haar werkgever een visumaanbevelingsbrief heeft geschreven en een paspoort heeft aangevraagd. Anders dan eiseres stelt heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de uitleg die eiseres in haar zienswijze hierover heeft gegeven, namelijk dat zij niet te missen was vanwege haar wetenschappelijke achtergrond, geen afdoende verklaring is. Voorts heeft de minister hierbij terecht betrokken dat, anders dan eiseres in haar zienswijze stelt, de cursus niet door haar collega’s voor haar is geregeld, nu de visumaanbevelingsbrief door haar werkgever is ondertekend en dat visumaanvragen en paspoortaanvragen niet zomaar door een collega kunnen worden aangevraagd.
De verklaringen van eiseres dat zij vreesde voor haar leven stroken niet met het voorzetten van haar werkzaamheden
7.4.
Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het feit dat zij is doorgegaan met werken, ondanks dat zij gevaar liep, maakt dat haar asielrelaas minder aannemelijk is. Eiseres voelde zich beschermd omdat het onderzoek nog liep en was als alleenstaande moeder verantwoordelijk voor het onderhouden van zichzelf en haar twee kinderen.
7.5.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte stelt dat het onlogisch is dat eiseres haar werkzaamheden heeft voortgezet tot september 2022, uitgaande van haar verklaring dat het corruptieschandaal in 2020 plaatsvond. Dit is een aanzienlijke periode. De verklaring van eiseres dat zij bleef werken vanwege het inkomen is geen verschoonbare reden voor het feit dat zij zo lang is blijven werken, nu zij volgens haar eigen verklaring daadwerkelijk vreesde voor haar leven. De minister stelt zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres.
De tijdlijn van de verklaringen is vaag en onlogisch
7.6.
Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de tijdlijn van haar verklaringen vaag en onlogisch is. Het is niet vreemd dat eiseres niet weet wanneer de problemen op werk zijn begonnen. Het onderzoek naar de gelekte documenten heeft geruime tijd in beslag genomen. Om die reden kan eiseres geen concrete datum koppelen aan het begin van de problemen op haar werk. Dat eiseres een universitaire opleiding heeft gevolgd betekent niet dat zij in haar verklaringen perfect over de tijdslijn zou moeten kunnen verklaren.
7.7.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat gezien het feit dat eiseres een universitaire studie heeft gevolgd in het land van herkomst, lange tijd heeft gewerkt en zelfs in aanmerking kwam voor een specialistische opleiding in Europa, aangenomen mag worden dat ze in staat is om over de tijdlijn van een van de aanleidingen van haar vertrek meer concreet te verklaren.
Niet tijdig indienen van de asielaanvraag
7.8.
Eiseres betoogt dat haar ten onrechte wordt tegengeworpen dat zij niet tijdig haar asielaanvraag heeft ingediend. Eiseres heeft uitgelegd waarom zij niet direct asiel heeft aangevraagd. Het is daarbij van belang dat eiseres verbleef bij een man, haar partner, die aangaf voor haar een verblijfsvergunning regulier te kunnen regelen. De man liet eiseres niet naar buiten en had haar paspoort afgenomen. Dat eiseres verder geen informatie heeft kunnen geven over de woonplaats van de man doet hier niet aan af. Ook stelt eiseres dat er geen rechtsregel bestaat in het Europees recht die voorschrijft dat een asielaanvraag zo spoedig mogelijk moet worden ingediend. Hierbij verwijst eiseres naar artikel 10, eerste lid, van de Procedurerichtlijn. Ook is het van belang dat de termen ‘asiel’ en ‘internationale bescherming’ onbekend zijn in Liberia, waardoor eiseres niet op de hoogte was van deze termen.
7.9.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiseres geen verschoonbare reden heeft voor het niet tijdig indienen van haar asielaanvraag. De verklaring van eiseres dat haar paspoort werd afgenomen en dat zij niet zo maar naar buiten kon, is niet aannemelijk. Bovendien heeft eiseres wisselend verklaard over de relatie. Ook noemt eiseres geen informatie die niet al bekend was ten tijde van het voornemen. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de verklaring van eiseres dat zij niet naar buiten mocht en daardoor niet weg kon niet voldoende is om als verschoonbare reden te worden gezien voor het niet tijdig melden. Hierbij is het van belang dat eiseres een half jaar in Nederland heeft verbleven en dat zij zelf heeft besloten om bij haar partner in te trekken. Gezien de achtergrond en opleiding van eiseres mag de minister van eiseres verwachten dat zij informatie kan verschaffen over de man en over haar asielaanvraag in Nederland. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiseres haar verwijzing naar het Europees recht onvoldoende heeft gemotiveerd om tot de conclusie te kunnen komen dat het Nederlandse beleid in strijd is met Europees recht. De verklaring van eiseres dat de termen ‘asiel’ en ‘internationale bescherming’ onbekend zijn in Liberia doet geen afbreuk aan het feit dat zij zich toerekenbaar niet zo spoedig mogelijk heeft gemeld. Vanwege het referentiekader van eiseres heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet wordt gevolgd dat zij in Liberia nooit heeft gedacht aan de mogelijkheid om te vluchten, om bescherming in te roepen en om veiligheid op te zoeken.
Tussenconclusie
7.10.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de problemen van eiseres op haar werk ongeloofwaardig zijn en dat eiseres haar asielaanvraag niet tijdig heeft ingediend daarvoor geen goede verklaring heeft.
Mocht de minister de problemen van eiseres met betrekking tot de gedwongen initiatie ongeloofwaardig achten?
8. Eiseres betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom haar verklaringen met betrekking tot de gedwongen initiëring binnen het genootschap niet geloofwaardig zijn.
8.1.
Niet in geschil is dat eiseres dit asielmotief niet volledig met objectieve documenten heeft onderbouwd. Om die reden heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen [4] en omdat eiseres haar asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend [5] en daarvoor geen goede verklaring heeft.
Summiere en vage verklaringen over de rol van de moeder van eiseres
8.2.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij problemen heeft ondervonden met betrekking tot de gedwongen initiatie in een geheim genootschap waarvan haar moeder deel uitmaakte. Eiseres is gekozen om de rol van haar moeder over te nemen en de regels, situatie en rollen binnen het genootschap zijn toegelicht tijdens de begrafenis van haar moeder. Daarom verwacht de minister van eiseres dat zij informatie kan verstrekken over wat haar taken binnen het genootschap zijn. Gelet op haar goede band met haar moeder en het feit dat zij jarenlang het gedrag van haar moeder, die volgens eiseres altijd aan het reizen was, heeft kunnen observeren, mag van eiseres worden verwacht dat ze gedetailleerd over de rol van haar moeder kan verklaren. Eiseres verwijst naar een bron [6] waaruit zou blijken dat leden van het geheime genootschap gevaar lopen als zij activiteiten binnen het genootschap naar buiten brengen, maar uit die bron blijkt niet dat leden van het geheime genootschap activiteiten niet kunnen delen met een dochter die de rol van haar moeder moet overnemen. De verklaring van eiseres dat haar moeder haar kinderen hierin niet wilde betrekken, rijmt volgens de minister niet met het feit dat de moeder van eiseres wist dat eiseres uiteindelijk haar rol zou overnemen en het is daarom vreemd dat de moeder van eiseres deze belangrijke informatie niet aan haar dochter heeft verschaft.
8.3.
Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat zij onvoldoende aannemelijk en samenhangend over dit asielmotief heeft verklaard omdat zij hierover onvoldoende kan vertellen. Daartoe voert eiseres aan dat niet is gebleken dat het de moeder van eiseres is verboden om met eiseres over het genootschap te praten. Eiseres betoogt dat leden van het genootschap een eed afleggen, waarbij zij zweren om geen informatie met anderen te delen, ook niet met hun kinderen. Het standpunt van de minister dat eiseres meer onderzoek had moeten doen naar de rol van haar moeder binnen het genootschap gaat dan ook niet op. Pas bij de begrafenis van haar moeder kwam eiseres er bovendien achter dat haar moeder een belangrijke rol binnen het genootschap had vervuld en dat zij haar moest opvolgen.
8.4.
Deze beroepsgrond slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat de moeder van eiseres niet met eiseres mocht praten over het geheime genootschap. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waaruit blijkt dat eiseres meer onderzoek had kunnen doen naar de rol van haar moeder binnen het geheime genootschap, temeer nu eiseres heeft verklaard dat zij pas tijdens begrafenis erachter kwam dat haar moeder een grote rol had vervuld binnen het geheime genootschap en dat zij toen erachter kwam dat zij haar moeder moest opvolgen. De minister heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat enkel de sterke band tussen moeder en eiseres voldoende had moeten zijn om het geheim over het genootschap te delen. De moeder van eiseres heeft, zo verklaart eiseres ook, namelijk een eed afgelegd om dit geheim niet te delen. Dat uit de bron waar eiseres naar verwijst niet blijkt dat activiteiten van het geheime genootschap niet kunnen worden gedeeld met een dochter die de rol van haar moeder moet overnemen, maakt dit niet anders. Uit de bron blijkt immers wel dat leden van het geheime genootschap gevaar lopen als zij hun activiteiten binnen het genootschap naar buiten brengen en voor een moeder-dochter relatie is geen uitzondering gemaakt. De motivering van de minister is dan ook onvoldoende.
8.5
De rechtbank is derhalve van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hoewel de minister, zoals volgt uit 7.9, zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat eiseres geen verschoonbare reden heeft voor het niet tijdig indienen van haar asielaanvraag als bedoeld in artikel 31, zesde lid aanhef en onder d, van de Vw 2000, heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom dit enkele feit voldoende is voor het standpunt dat dit asielmotief van eiseres ongeloofwaardig is. Zoals volgt uit overweging 10.3.1 van de uitspraak van de meervoudige kamer van rechtbank Den Haag, van deze zittingsplaats, van 25 juni 2025, [7] dient de minister in het individuele geval namelijk te bezien of het redelijk is te volstaan met de vaststelling dat de vreemdeling niet voldoet aan een enkele voorwaarde van artikel 31, zesde lid van de Vw 2000.
8.6
Nu het beroep slaagt zal de rechtbank de overige gronden die eiseres heeft aangevoerd niet bespreken.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag gelet op de overweging onder 8.4 ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van zes weken.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 8 januari 2025;
- draagt de minister op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr.F.E. Brokke, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rb Den Haag, zp Roermond 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:139.
2.Rb Den Haag, zp Arnhem 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149.
3.Rb Den Haag, zp Arnhem 8 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16613.
4.Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
5.Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.
6.UNHRC Web Archive. Point 3.
7.Rb Den Haag, zp Arnhem 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149.