ECLI:NL:RBDHA:2026:15014

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
NL24.40114
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 28 Vw 2000Art. 31 lid 6 Vw 2000Art. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering over Gülenbeweging

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende persoon, diende op 10 januari 2023 een asielaanvraag in die op 9 oktober 2024 door de minister werd afgewezen. De rechtbank behandelde het beroep op 16 december 2024 en sloot het onderzoek op 28 april 2026 na aanvullende stukken en standpunten van partijen.

De kern van het geschil betreft de geloofwaardigheid van eisers bewering dat hij (toegedicht) aanhanger is van de Gülenbeweging, wat volgens hem vervolgingsgevaar oplevert. De minister achtte dit niet geloofwaardig vanwege gebrek aan objectieve onderbouwing en tegenstrijdigheden in de verklaringen. De rechtbank oordeelt echter dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft waarom de overgelegde documenten en verklaringen niet bijdragen aan de geloofwaardigheid. Eiser voldoet aan meerdere criteria die de minister hanteert om betrokkenheid bij de Gülenbeweging aan te tonen, waaronder familiebanden, bankrekening bij Bank Asya en deelname aan activiteiten van de Stichting Educatiecentrum Utrecht.

Ten aanzien van de dienstweigering oordeelt de rechtbank dat hoewel deze geloofwaardig is, deze niet leidt tot een gegronde vrees voor vervolging. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat hij risico loopt op ernstige schade of discriminatoire bestraffing. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende motivering over het aanhangerschap van de Gülenbeweging en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.40114

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.M. Veld),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. C.D.G. van IJzendoorn).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser geen (toegedicht) aanhanger is van de Gülenbeweging
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 10 januari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 oktober 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister.
2.3.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Op de zitting heeft eiser een kopie van het inwilligende Canadese asielbesluit van zijn broer overgelegd. Daarnaast heeft eiser vlak voor de zitting een onvertaald Turks document ingediend, genaamd ‘[persoon A] Rapport’. De rechtbank heeft eiser de mogelijkheid gegeven een vertaling over te leggen en de minister de mogelijkheid gegeven om een standpunt in te nemen over deze stukken.
2.4.
Op 21 februari 2025 heeft de minister zijn standpunt kenbaar gemaakt ten aanzien van de overgelegde stukken. Daarbij heeft zij ook een kopie van de beantwoording van de vragen overgelegd die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) zijn gesteld over de beoordeling van asielaanvragen van (toegedichte) Gülen-aanhangers van 22 januari 2025. [1] Hierop heeft eiser op 5 maart 2025 gereageerd.
2.5.
Op 25 maart 2025 heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld dat deze rechtbank en zittingsplaats op een zitting van een meervoudige kamer in gaat op de wijze waarop de minister asielaanvragen van (toegedichte) Gülen-aanhangers beoordeelt. De meervoudige kamer heeft op 14 januari 2026 hierover uitspraak gedaan. [2] De rechtbank heeft partijen verzocht hierover hun standpunt kenbaar te maken. Op 4 februari 2026 heeft de rechtbank de reactie van de minister ontvangen en op 16 februari 2026 de reactie van eiser. Partijen hebben hierbij ook aangegeven geen behoefte te hebben aan een nadere zitting.
2.6.
De rechtbank heeft daarom op 28 april 2026 het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Aanvraag
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Turkse nationaliteit. Eiser is gevlucht uit Turkije vanwege zijn steun aan de Gülenbeweging en het weigeren van de militaire dienstplicht. Eiser kan zich in Turkije niet vrij uiten op de manier dat hij wil. Eiser wordt bovendien ook het Gülenisme toegedicht. Eiser is namelijk opgegroeid in de Gülenbeweging, heeft een bankrekening van Bank Asya en zijn broer is journalist geweest bij de aan de Gülenbeweging verbonden krant [naam krant/dagblad]. Eiser wordt vanwege het weigeren van de militaire dienst gezocht. Eiser wil en kan niet dienen, mede vanwege zijn oogziekte.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst
2. Eiser is (toegedicht) Gülenist
3. Eiser heeft de militaire dienst geweigerd
4. Eisers muzikale uiting
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De minister hecht geen geloof aan de verklaring van eiser dat hij een (toegedicht) Gülen-aanhanger is. Eiser heeft zijn verklaringen namelijk niet met objectieve documenten onderbouwd. Ook zijn de verklaringen oppervlakkig en tegenstrijdig, waardoor het asielrelaas geen samenhangend en aannemelijk geheel vormt. [3] Verder acht de minister de dienstweigering van eiser geloofwaardig, maar dit levert volgens de minister geen reëel risico op ernstige schade op. Eisers muzikale uiting is niet beoordeeld omdat het niet raakt aan één van de gronden voor vergunningverlening.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser de besluitvorming voor zover het ziet op het asielmotief muzikale uiting niet betwist. De beoordeling van de overige asielmotieven (Gülenist en militaire dienstweigering) wordt wel betwist. Op de geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielmotief over de Gülenbeweging zal de rechtbank onder 5 ingaan. Op de militaire dienstweigering gaat de rechtbank onder 6 in en onder 7 volgt de conclusie.
Betrokkenheid bij de Gülenbeweging
5. De minister acht het niet geloofwaardig dat eiser een (toegedicht) Gülenist is. Eiser heeft dit asielmotief niet met objectieve documenten onderbouwd. De overgelegde stukken – waaronder een rekeningoverzicht van de bank Asya, een screenshot van sociale media, nieuwsberichten, verklaringen van zijn broer, een Canadees asielbesluit van zijn broer, een bericht van de Turkse autoriteiten en documenten met betrekking tot Stichting Educatiecentrum Utrecht (SECU) – tonen volgens de minister niet aan dat eiser een aanhanger is van de Gülenbeweging. Het rekeningenoverzicht laat enkel zien dat eiser een rekening had bij bank Asya, en niet dat eiser Gülen-aanhanger is. Enkel het hebben van deze rekening houdt niet zonder meer in dat een persoon betrokken is bij de Gülenbeweging. [4] De sociale media posts zijn van de stichting SECU. Die stichting heeft niet per definitie te maken met de Gülenbeweging. Dit kan evenmin worden afgeleid uit het in beroep overgelegde [persoon A]-rapport. Weliswaar blijkt hieruit dat er anno 2023 onderzoek is gedaan naar de stichting door de Turkse autoriteiten, omdat zij geld zouden doorsturen naar Gülengelieerde organisaties, maar hieruit volgt niet dat elke persoon die deelneemt aan een activiteit van SECU, reeds daarom in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. In het memorandum en de daaraan toegevoegde namenlijst, wordt niet de naam van eiser genoemd. Enkel de naam van de man die hij kent, [persoon A], wordt vermeld. Dat deze persoon, als organisator van activiteiten voor de stichting, in 2023 zou worden gezocht, zegt niets over de vraag of eiser anno 2026 Gülenisme wordt toegedicht door de Turkse autoriteiten en hij daarom te vrezen heeft.
De nieuwsberichten tonen de algemene situatie in Turkije en zien niet op eiser persoonlijk. De minister stelt verder dat de overgelegde verklaring van de broer van eiser geen officieel document is, maar een steunbetuiging waarvan de herkomst of echtheid niet is te controleren. Ten aanzien van het Canadese asielbesluit stelt de minister dat het een kopie betreft waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld en dat niet is aangetoond dat het daadwerkelijk de broer van eiser betreft. Voorts wijst de minister erop dat iedere asielaanvraag individueel wordt beoordeeld en dat de verlening van asiel aan een familielid niet zonder meer betekenis heeft voor de beoordeling van eisers aanvraag. Ook uit de kopie van de uitdraai van Turkse Ministerie van Justitie van 23 september 2024, valt niet op te maken dat eiser als Gülenist wordt gezien. Er staat immers in dat hij geen strafblad heeft.
5.1.
Omdat de minister zich op het standpunt stelt dat eiser zijn (toegedichte) politieke overtuiging niet met objectieve documenten heeft onderbouwd heeft de minister overeenkomstig Werkinstructie 2024/6 beoordeeld of eiser voldoet aan de in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 opgenomen voorwaarden om hem het voordeel van de twijfel te geven. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. Eisers verklaringen vormen namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zo heeft eiser tegenstrijdig verklaard over zijn steun aan de Gülenbeweging. Eiser heeft tijdens het politie- en het aanmeldgehoor verklaard geen Gülenist te zijn. Tijdens het nader gehoor verklaart eiser echter dat de Gülenbeweging een grote rol speelt in zijn leven. Hiervoor heeft eiser geen bevredigende verklaring gegeven. De minister stelt zich ook op het standpunt dat eiser oppervlakkig heeft verklaard over de Gülenbeweging. Hoewel eiser correcte verklaringen heeft gegeven over de Gülenbeweging, heeft hij niet laten zien dat hij kennis over de Gülenbeweging bezit die verder gaat dan feiten en algemene bekendheden. De minister stelt dat van een persoon zoals eiser, die stelt levenslang betrokken te zijn geweest bij de beweging, verwacht mag worden dat hij duiding met enige diepgang kan geven over de redenen om aanhanger te zijn en hierover uitleg kan geven. De minister benadrukt verder dat eiser geen problemen heeft ondervonden vanwege zijn (toegedichte) steun aan de Gülenbeweging. Eiser heeft op 23 juni 2022 nog een Turks paspoort gekregen en hij is legaal uitgereisd.
5.2.
Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij geen Gülenist is, noch dat deze overtuiging hem wordt toegedicht. Volgens eiser staan hij en zijn familie in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten vanwege deze politieke overtuiging. Eiser wijst in dit verband op zijn broer, aan wie een asielstatus is verleend vanwege problemen met de Turkse autoriteiten als gevolg van zijn journalistieke werkzaamheden voor de krant [naam krant/dagblad]. Deze krant is verbonden aan de Gülenbeweging. Dit volgt uit het overgelegde Canadese asielbesluit en de schriftelijke verklaring van zijn broer. Mede hierdoor staat eiser eveneens in de negatieve belangstelling. Daar komt bij dat eiser beschikt over een bankrekening bij Bank Asya. [5] Ook heeft hij in Nederland deelgenomen aan activiteiten bij de SECU. Deze stichting wordt door de Turkse autoriteiten in verband gebracht met de Gülenbeweging. Uit het door eiser overgelegde document ‘[persoon A] Rapport’ blijkt dat de Turkse autoriteiten de activiteiten van SECU monitort. Verder betwist eiser dat hij tegenstrijdig en oppervlakkig zou hebben verklaard over zijn steun aan de Gülenbeweging. Ten aanzien van de gestelde tegenstrijdigheden in zijn verklaringen betoogt eiser dat deze berusten op een verschil in duiding van de term “Gülenist”. Hij heeft toegelicht dat hij zich niet identificeert met de term, maar wel aansluiting heeft bij het gedachtegoed en activiteiten van de beweging. Eiser betoogt voorts dat hij voldoende heeft verklaard over de uitgangspunten van de beweging, waaronder het belang van onderwijs en een gematigde interpretatie van de islam. De minister heeft nagelaten al deze factoren in samenhang te beoordelen.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser geen (toegedicht) aanhanger is van de Gülenbeweging. De rechtbank acht daartoe de antwoorden van de minister op de vragen van de Afdeling inzake vrees vanwege veronderstelde banden met de Gülenbeweging van belang. [6] In de beantwoording van de vragen van de Afdeling over de beoordeling van asielaanvragen van (toegedichte) Gülenaanhangers heeft de minister uiteengezet dat hij aan de hand van de individuele verklaringen van een vreemdeling beoordeelt of die als Gülenist moet worden aangemerkt. Een vreemdeling die dit gedachtegoed niet aanhangt kan volgens de minister ook onder het beleid voor Gülenisten vallen, wanneer hij aannemelijk maakt dat de Turkse autoriteiten hem deze overtuiging toedichten. De minister beoordeelt onder meer aan de hand van een aantal criteria of een vreemdeling Gülenisme aanhangt dan wel dat hem dit kan worden toegedicht. Deze factoren komen uit het Algemeen ambtsbericht Turkije van maart 2021, maar zijn volgens het Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025 nog steeds actueel. [7] De criteria zijn onder andere:
- een bankrekening hebben bij bank Asya of hebben gehad;
- een abonnement op het dagblad [naam krant/dagblad] hebben; en
- onderwijs hebben genoten aan een Gülenschool.
Verder neemt de minister aan dat ook familieleden van Gülenisten die zelf geen band hebben met de Gülenbeweging, betrokkenheid bij de beweging kan worden toegedicht en daarom onder het beleid voor Gülenisten kunnen vallen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026 blijkt dat deze lijst volgens de minister niet uitputtend is. Dat een vreemdeling aan één of twee criteria voldoet betekent op zichzelf niet automatisch dat aannemelijk is dat hij als Gülenist wordt gezien. Het gaat telkens om een individuele beoordeling waarbij ook de verklaringen van de vreemdeling worden betrokken. [8]
5.3.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser meerdere van de hierboven genoemde criteria aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank licht dat hieronder nader toe. De rechtbank is allereerst van oordeel dat eiser met het overleggen van het Canadese asielbesluit van zijn broer aannemelijk heeft gemaakt dat hij familieleden heeft die bij de Gülenbeweging betrokken zijn. Uit het inwilligende Canadese asielbesluit blijkt dat de broer van eiser als journalist werkzaam was bij de krant [naam krant/dagblad] en in Canada asiel heeft verkregen vanwege gegronde vrees voor de Turkse autoriteiten vanwege zijn werkzaamheden voor deze krant. Alhoewel de minister terecht stelt dat het overgelegde asielbesluit een kopie betreft is dit geen reden om het document alleen al om die reden als irrelevant terzijde te schuiven. Immers ook kopieën dient de minister te betrekken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Daarbij heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de stelling dat het de broer van eiser betreft. De naam en geboortedatum zoals genoemd in het Canadese asielbesluit komen overeen met de naam in het door eiser overgelegde ‘family document’ en de inhoud van het besluit met de door eiser overgelegde verklaring van zijn broer en de verklaringen van eiser tijdens het nader gehoor. [9] De minister heeft deze twijfel ook niet nader geconcretiseerd. Onder deze omstandigheden gaat de rechtbank ervan uit dat het de daadwerkelijke broer van eiser betreft. Dit betekent dat het Canadese asielbesluit en de verklaring van de broer bij de beoordeling van het asielrelaas dienen te worden betrokken. In het Canadese asielbesluit staat dat de broer van eiser als journalist werkzaam was bij de krant [naam krant/dagblad] in Turkije. Ook hij is legaal Turkije uitgereisd middels een visum. In Canada heeft hij meegedaan aan demonstraties en is zijn paspoort ingetrokken door de Turkse autoriteiten. Hierdoor heeft de broer van eiser voor de Canadese autoriteiten voldoende duidelijk gemaakt dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging. Anders dan de minister heeft gesteld, heeft deze omstandigheid betekenis voor de beoordeling van eisers aanvraag. De rechtbank is het met de minister eens dat iedere asielaanvraag individueel wordt beoordeeld, maar dit laat onverlet dat de positie van een direct familielid, in het bijzonder in het licht van de door de minister gehanteerde criteria, een relevante indicator vormt bij de beoordeling of aan eiser een bepaalde overtuiging wordt toegedicht. De rechtbank is van oordeel dat de minister dit aspect onvoldoende kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken. In dit kader wijst de rechtbank erop dat, anders dan de minister stelt, ook eiser betrokkenheid heeft bij het dagblad [naam krant/dagblad]. Hij heeft immers verklaard dat ze thuis een abonnement op dit dagblad hadden. [10] Dat de broer van eiser geen hooggeplaatste Gülenist is, maakt, anders dan de minister stelt, evenmin dat aan eiser het Gülenisme niet zal worden toegedicht. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 25 maart 2026 geoordeeld dat, hoewel uit het ambtsbericht uit 2023 blijkt dat ‘met name’ familieleden van hooggeplaatste Gülenisten risico lopen om negatieve aandacht te trekken van de Turkse autoriteiten, dit niet uitsluit dat ook familieleden van andere Gülenisten een dergelijk risico lopen. [11]
5.3.2.
Verder is niet in geschil dat eiser beschikte over een bankrekening bij bank Asya. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat deze omstandigheid op zichzelf onvoldoende betekenis toekomt. Uit de eigen antwoorden van de minister volgt echter wél dat dit een relevante indicator vormt bij de beoordeling of iemand wordt aangemerkt als Gülenist dan wel het Gülenisme wordt toegedicht. Dat deze omstandigheid op zichzelf mogelijk niet doorslaggevend is, laat onverlet dat deze in samenhang met andere factoren gewicht in de schaal legt. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij is opgegroeid binnen het gedachtegoed van de Gülenbeweging en onderwijs (bijles) heeft gevolgd aan Gülenscholen, een ander criterium. In dit kader acht de rechtbank ook van belang dat eiser uitgebreid heeft verklaard over de banden die hij en zijn familie hebben met de beweging. Zo hadden ze honderden boeken van Gülen, de [naam krant/dagblad] krant, honderden cassettebandjes van lezingen van Gülen en deden zij mee met veel activiteiten van de Gülenbeweging. [12] De activiteiten waren onder meer activiteiten op scholen, studenten begeleiden, kampen twee keer per jaar en meehelpen op de kermis. Ook toen eiser ging studeren, moest hij voldoende kennis hebben van de Gülenbeweging om in aanmerking te komen voor een plek in studentenhuizen. [13] Verder is onbetwist dat de feitenkennis van eiser van de Gülenbeweging op orde is. Dat uit de door eiser overgelegde documenten blijkt dat hij sinds 15 september 2020 onderwijs geniet aan een openbare staatsuniversiteit doet, anders dan de minister stelt, niet af aan de verklaringen van eiser dat hij vanaf zijn kinderjaren betrokken is bij de Gülenbeweging. Eiser heeft immers verklaard bijles te hebben gevolgd aan Gülenscholen, maar zijn onderwijs aan staatsscholen te hebben genoten. [14]
5.4.
De rechtbank merkt op dat uit de hiervoor genoemde criteria niet zonder meer kan worden afgeleid dat eiser (toegedicht) Gulenist is. Hiervoor zijn ook de verklaringen van eiser relevant. De rechtbank is het met de minister eens dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn steun aan de Gülenbeweging. Eiser heeft namelijk tot tweemaal toe verklaard dat hij zelf geen Gülenist is of aanhanger is van de Gülenbeweging. [15] Tijdens het nader gehoor heeft hij verklaard dat hij geen stempel wilde als “Gülenist” vanwege negatieve ervaringen met de beweging in Duitsland en daarom heeft aangegeven geen Gülenist te zijn. Dat eiser vervelende ervaringen heeft gehad bij de beweging in Duitsland, verklaart niet waarom hij bij zijn asielaanvraag in Nederland het tegenovergestelde zou verklaren dan wat hij eigenlijk bedoelde. Over het feit dat de Turkse autoriteiten hem toedichten dat hij tot de Gülenbeweging behoort heeft eiser echter wel consistent verklaard. Dit verklaart hij zowel tijdens het gehoor bij de vreemdelingenpolitie, als tijdens het aanmeldgehoor en tijdens het nader gehoor. Dit heeft de minister ten onrechte niet in zijn besluitvorming meegenomen.
5.4.1.
Dat eiser heeft verklaard tot aan zijn vertrek in Turkije geen problemen heeft ondervonden en dat hem op 23 juni 2022 nog een paspoort is afgegeven waarmee hij legaal Turkije is uitgereisd, is inderdaad, zoals de minister terecht stelt, geen indicatie dat eiser op dit moment in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. De rechtbank volgt de minister ook in zijn standpunt dat uit het in beroep overgelegde [persoon A]-rapport niet kan worden afgeleid dat eiser op dit moment in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Daarbij wijst de minister er terecht op dat hieruit slechts blijkt dat SECU in 2023 is onderzocht door de Turkse autoriteiten, eiser niet op de namenlijst voorkomt en bovendien geen organisatorische rol vervult binnen de organisatie. Dit betekent echter niet dat eiser geen Gülenist is. Dit betreft een politieke overtuiging en staat los van eventuele problemen die hij daardoor heeft ondervonden. Alhoewel het wel een contra-indicatie kan zijn dat eiser een toegedicht Gülenist is, laat dit onverlet dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan verschillende van door de minister gehanteerde criteria voldoet. De minister heeft dit niet in samenhang beoordeeld.
5.5.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat de (toegedichte) betrokkenheid van eiser bij de Gülenbeweging ongeloofwaardig is. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door eiser overgelegde stukken en de verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, niet bijdragen aan de geloofwaardigheid van zijn relaas dat hij een (toegedicht) Gülenist is. De minister heeft onvoldoende rekening gehouden met het gegeven dat eiser een bankrekening had bij bank Asya, zijn broer journalist is/was bij de krant [naam krant/dagblad] en de omstandigheid dat eiser is opgegroeid met de Gülenbeweging. De beroepsgrond slaagt.
5.6.
Aan de vraag of de beleidswijziging ten aanzien van Gülenisten per 1 december 2023 redelijk is of niet komt de rechtbank niet toe. Dit beleid ziet immers op de beoordeling van asielaanvragen van vreemdelingen waarbij het Gülenisme dan wel de toedichting daarvan geloofwaardig is geacht. Dat is hier niet het geval. Dat de rechtbank ten aanzien van de geloofwaardigheidsbeoordeling een motiveringsgebrek heeft geconstateerd maakt dit niet anders. Het is vooraleerst aan de minister om de geloofwaardigheidsbeoordeling opnieuw uit te voeren met inachtneming van deze uitspraak. Als dit tot een andere uitkomst leidt, kan de beleidswijziging een rol gaan spelen. Dat is tot op heden niet het geval. De rechtbank wijst er ten overvloede op dat over het gewijzigde beleid inmiddels uitspraak is gedaan door de Afdeling in haar uitsprak van 25 maart 2026 en dat zij heeft geoordeeld dat de minister redelijkerwijs tot deze beleidswijziging heeft kunnen komen. [16]
Gegronde vrees wegens dienstweigering
6. De minister heeft volgens eiser onvoldoende gemotiveerd waarom de dienstweigering onvoldoende zwaarwegend is. Hierdoor is ook onterecht een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser komt niet in aanmerking komt voor vrijstelling van de dienstplicht wegens zijn medische situatie. Eiser heeft namelijk een lui oog. Eiser heeft hierover plausibel verklaard. Dienstweigering kan worden gezien als een daad van verzet. [17] Verder stelt de minister dat een boete open staat. Uit het thematisch ambtsbericht dienstplicht Turkije uit 2019 volgt echter dat men na eventuele betaling van een boete nog steeds de dienstplicht moeten vervullen. De minister stelt verder onterecht dat het jaarrapport van mei 2023 van de European Bureau for Conscientious objection enkel algemene informatie is. Deze informatie toont namelijk aan dat er wel degelijk een risico is op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM vanwege dienstweigering.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister de dienstweigering geloofwaardig acht. De rechtbank is het met de minister eens dat de dienstweigering niet leidt tot gegronde vrees voor vervolging. Dat eiser een gevangenisstraf zou krijgen bij terugkeer naar Turkije is op zichzelf onvoldoende om als daad van vervolging aan te merken. Van eiser mag immers worden verwacht dat hij de wetten van zijn land van herkomst naleeft. Eiser heeft met de algemene bronnen niet inzichtelijk gemaakt dat hij zelf risico loopt op vervolging. Verder stelt de minister terecht dat eisers bezwaren tegen de dienstplicht gebaseerd zijn op ongefundeerde vermoedens over hoe hij behandeld zal worden tijdens de diensttijd. [18] Ook is niet verklaard dat eiser vreest voor discriminatoire bestraffing. [19] Daarnaast volgt de minister terecht niet het betoog van eiser dat hij geen vrijstelling zou kunnen krijgen voor de dienstplicht. Eiser heeft dit namelijk niet toegelicht en baseert zijn betoog enkel op de verklaring dat een arts, welke niet geaffilieerd is aan het leger, dit op indirecte wijze aan hem vertelde. [20] Niet is gebleken dat eiser eerder om vrijstelling heeft gevraagd en deze niet heeft gekregen. Daarbij volgt een dergelijk beeld niet uit de openbare bronnen. De minister wijst er terecht op dat er in Turkije de mogelijkheid bestaat om vrijstelling te krijgen vanwege medische situaties. [21] Het is ook een optie om de dienstplicht af te kopen en enkel 21 dagen te dienen. [22] Hierover heeft eiser niet verklaard dat dit geen mogelijkheid is voor hem. [23] Hierbij heeft eiser niet toegelicht waarom hij ervan uitgaat dat hij alsnog langer zou moeten dienen. Tot slot is niet gebleken dat eisers bezwaren zien op godsdienstige, of andere diepgewortelde overtuigingen. Het rapport waarnaar eiser verwijst ziet op gewetensbezwaren, waarover eiser niet heeft verklaard. Het rapport leidt dan ook niet tot een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding het geschil finaal te beslechten. De minister zal daarom een nieuw besluit op de aanvraag moeten nemen en daarbij rekening moeten houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor, gelet op de lange duur van de procedure, een termijn van acht weken.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend, heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen en heeft op verzoek van de rechtbank tweemaal gereageerd op nieuwe standpunten van de minister. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor de zitting en twee keer 0,5 punt voor de door de rechtbank verzochte nadere reactie).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 9 oktober 2024;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Brief van de minister aan de Afdeling van 22 januari 2025, ‘Beantwoording van uw vragen inzake vrees vanwege veronderstelde banden Gülenbeweging’.
2.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 14 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:643.
3.Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
4.Algemeen ambtsbericht Turkije van het ministerie van Buitenlandse Zaken van augustus 2023, pagina 45.
5.Algemeen ambtsbericht Turkije van het ministerie van Buitenlandse zaken van augustus 2023, p. 44.
6.Brief van de minister aan de Afdeling van 22 januari 2025, ‘Beantwoording van uw vragen inzake vrees vanwege veronderstelde banden Gülenbeweging’.
7.Zie ook ABRvS 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 5.1 en 5.2.
8.Idem.
9.Zie p. 10 en 11 van het rapport nader gehoor
10.Zie p. 15 van het rapport nader gehoor.
11.ABRvS d.d. 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1743, r.o. 5.1.
12.Zie p. 15 en 16 van het rapport nader gehoor.
13.Zie p. 17 van het rapport nader gehoor.
14.Zie p. 4 van het rapport nader gehoor.
15.Zie p. 2 van het proces-verbaal verhoor bij de vreemdelingenpolitie en p. 13 van het rapport aanmeldgehoor.
17.Eiser verwijst hierbij naar: Hof van Justitie 19 november 2020, ECLI:EU:C:2020:945.
18.Nader gehoor, pagina 18 en 19.
19.Nader gehoor, pagina 20.
20.Nader gehoor, pagina 19.
21.Zie het Thematisch ambtsbericht over de dienstplicht in Turkije uit 2019, p. 18.
22.Zie p. 19 van het thematisch ambtsbericht.
23.Nader gehoor, pagina 19.